Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 16

Chapter 163,933 wordsPublic domain

Voor alle andere steden was het Neurenberg geweest, die zich Luthers zaak had aangetrokken. De adellijke geslachten waren voorgegaan met de belijdenis van het Evangelie en hadden het mindere volk achter zich aan getrokken. De Raad, wiens leden bijna allen beslist evangelisch waren gezind, was in een moeilijke verhouding tot den Keizer, den Paus en de bisschoppen gekomen, doch wist met bewonderenswaardige wijsheid het scheepje hunner regeering over alle golven en klippen heen te sturen. Doch Dürer had zijn vriend Pirkheimer in deerniswaardigen toestand gevonden. Doctor Eck had zich werkelijk op hem gewroken en van den Paus weten te verkrijgen, dat er in den naar Luther geslingerden banbrief nog enkele andere namen waren opgenomen, waaronder Wilibald Pirkheimer behoorde. Luther, die ridder zonder vrees en blaam, had de pauselijke bul in het vuur geworpen en daarmee den Paus moedig getrotseerd--Pirkheimer had evenwel den moed niet gevoeld om dien held na te volgen.

Nadat hij te vergeefs had geappelleerd, kwam hij er toe om het trotsche hoofd te buigen en zijn woorden te herroepen. Sinds dien dag was hij geheel veranderd. Het bewustzijn, dat hij zijn innigste overtuiging had ten offer gebracht, had den hoogmoedigen man gebroken en maakte hem, die ook nog door het podagra werd gekweld meer en meer eenzelvig. De leelijke zijde van zijn karakter kwam steeds meer op den voorgrond, zoodat hij zich iedereen tot vijand maakte en voor de weinige overgebleven vrienden een niet te genieten gezelschap was. Hoe meer echter anderen zich van hem aftrokken, des te meer moeite gaf hij zich om de vriendschap te behouden van dien eenen, met wien hij van jongs af één hart en één ziel was geweest. En van zijn kant deed Dürer al zijn best Pirkheimers zwakheden te verdragen en hem weer eenigszins met het leven te verzoenen.

Het deed Dürer echter innig verdriet, dat zijn vriend hem niet wilde volgen op den weg van het Evangelie. Het werd hem nu steeds duidelijker, dat Pirkheimers geestdrift voor Luther niet was voortgekomen uit een hart, bezield van de waarheid van Gods Woord, maar ontstaan was uit den waan, dat Luther tot de humanisten behoorde en met hem wilde strijden tegen de domheid en het bijgeloof van zijn tijd; hij dacht, dat protesteeren Luthers eenig doel was. Toen Dürer, overgelukkig in het bezit van het Nieuwe Testament in het Duitsch, daarmee naar Pirkheimer was gesneld, was hij teleurgesteld en bedroefd teruggekeerd, toen hij de onverschilligheid, waarmee zijn vriend dien heerlijken schat had beschouwd, gezien had.

Uit deze droefenis wekte hem het heerlijke lied van den Wittenberger nachtegaal, dat zijn medeburger, de meesterzanger Hans Sachs, had laten weerklinken en waarin zijn hart mede jubelde--het klonk als het geroep van den wachter, dat vele slapenden wakker schudt.

Nog werd zijn hart verkwikt en zijn geloof versterkt, toen hij hoorde, dat de Prior uit het Augustijnerklooster te Antwerpen, die zoo vriendelijk voor hem was geweest, ter wille van het Evangelie in den kerker geworpen en ten vure gedoemd, als door een wonder was ontkomen en veilig Wittenberg had bereikt. Ook zijn opvolger, Hendrik van Zutfen, had zich daarheen begeven, toen de beulen hem van den kansel hadden gerukt, doch de burgers hem uit den kerker hadden bevrijd. En niet minder was zijn geloof versterkt door den moed der twee monniken uit Brussel, Hendrik Voes, en Johannes Esch, die andere afvalligen tot beschaming, met vreugde hun leven op den brandstapel hadden geofferd voor het Evangelie.

Nu zat meester Dürer dus over zijn Duitschen bijbel gebogen en kon niet genoeg er in lezen. Wel had hij Gods Woord reeds in het Duitsch gelezen in de vertaling, die bij Anton Koburger het licht had gezien,--doch wat voor Duitsch was dat! Het klonk als ravengekras vergeleken bij het liefelijk gezang van den Wittenbergschen nachtegaal, dat het oor streelde en van daar in het hart weerklonk. En zijn bewondering en vereering voor het uitverkorene werktuig des Heeren namen voortdurend toe.

Heden had het lezen in de Schrift nog een heel bijzonder doel. Hij wilde zich voorbereiden op den ernstigen gang, dien hij met zijn vrouw wilde ondernemen. Aan de algemeene begeerte gehoor gevend, hadden de geestelijken van de St. Lorens- en Sebalduskerken besloten nog een schrede voorwaarts te doen en het heilig Avondmaal volgens instelling van Christus met brood en beker te vieren. Het duurde niet lang of de klokken begonnen te luiden en de meester stond op om zijn besten pelsmantel aan te doen; Vrouwe Agnes was reeds gekleed in haar feestgewaad en wachtte op haar echtgenoot.

Op straat kwamen zij spoedig in het gedrang, want het volk stroomde naar het bedehuis. Plechtig begon de heilige handeling. Aller hart was diep getroffen door de woorden van den prediker en toen brood en wijn werden rondgedeeld, voelde menig wakkere man een traan over zijn wangen rollen.

Thuisgekomen sloot Dürer zijn vrouw in zijn armen en zeide: "Mijn ziel maakt groot den Heer en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker. Nu weet ik, dat Hij in mij leeft; Hij, die voor mij den dood is ingegaan en die al mijn hoop is. O man Gods, Maarten Luther, God zegene en behoede u! Hoe zal ik u vergelden, wat gij aan mij hebt gedaan!"

Nog menig hinderpaal stond aan de ongestoorde uitbreiding der Hervorming in den weg: de zaak des Heeren liep nog meer gevaar, te worden geschaad door den dollen, oproerigen geest, die zich door een verkeerd begrip van Christelijke vrijheid van den boerenstand had meester gemaakt en door de waanzinnige dwepers, in wier oogen Luther nog een halve papist was, en die hem "het gemakzuchtige vleesch" scholden, dan door de woede van Rome. Maar juist te midden van deze troebelen betoonde de Wittenberger monnik zich als de ware profeet des Allerhoogsten en zijn aanzien steeg tot een reusachtige hoogte in de oogen van hen, die hem begrepen, toen de wilde golven waren bedaard en de stuurman met eerbiedwekkende kalmte aan het roer stond.

Dürer was vol van Gods Woord; als een dauwdroppel vol van zonneschijn. Niet alleen las hij de Schrift, maar hij leefde er in en hij voelde weder de behoefte, om wat hij zelf had doorleefd op zijn eigen wijze aan het volk te verkondigen.

Wat Hans Sachs in woorden zeide, wilde hij in kleuren duidelijk maken. En daarom greep hij weder naar het penseel, voelende dat hij nog nooit met zooveel bezieling en geestdrift voor den schildersezel was getreden; hij had een voorgevoel, dat, wat hij nu ging scheppen, het allerbeste, wat zijn hand ooit gemaakt had, zou zijn.

In plaats van Maria, in wier verheerlijking hij zich tot nu toe had verlustigd, bood hij der wereld het beeld van den Verlosser aan. Evenals Luther Christus en Zijn alleenzaligmakende verdienste in nieuwe talen predikte, zoo schilderde Dürer den Heer voor de oogen des volks, hetzij in gesprek met de discipelen na het Heilig Avondmaal, hetzij als offer op het kruishout, of alleen het hoofd vol bloed en wonden. Op het laatste had hij al zijn kracht geconcentreerd; het was als uit de diepste diepte van zijn ziel voortgekomen. Nooit was Jupiter schooner, machtiger, aangrijpender door den besten der oud-Grieksche schilders afgebeeld geworden, dan de Christus hier door meester Dürer.

En evenals Dürer Christus, den Verlosser, in zijn werk verheerlijkte, zoo wilde hij met hetzelfde doel ook het Evangelie in kleuren brengen.

Reeds lang was hij het met zich zelf eens, op welke wijze dit te doen. Hij wilde daartoe de gestalten afbeelden van hen, die het van den Heer ontvangen en aan de wereld verkondigd hadden: de gestalten der Apostelen Johannes, Markus, Petrus en Paulus en wel zoo, dat Johannes en Paulus ten voeten uit werden geschilderd en de beide anderen er achter, zoo dat alleen het hoofd en den hals zichtbaar waren. Johannes en Paulus moesten als hoofdfiguren naar voren komen; daarmee wilde Dürer het evangelisch geloof in beeld voorstellen.

De gestalte van Johannes, Luthers uitverkoren evangelist, wiens gelaat aan Philippus Melanchton herinnert, is gehuld in een gelen, met rood geverfden mantel over een groen onderkleed. Peinzend staart hij met den een weinig achter hem staanden Petrus in zijn evangelie, welks beginwoorden uit de Luthersche vertaling men lezen kan. Rechts op het paneel staat Markus achter Paulus, die met innige liefde en groote zorg is behandeld en waaraan Dürer al zijn kracht heeft gewijd. Het was Dürer voornamelijk te doen om Paulus, Luthers groot voorbeeld als verkondiger van het eenig ware geloof en daarin heeft hij een kunstwerk, dat 's meesters roem luider verkondigt dan eenig ander, geschapen. De Apostel bij uitnemendheid staat daar, gehuld in een witten mantel, waaruit een groen onderkleed te voorschijn komt; op zijn linkerarm, rust de bijbel, in de rechterhand houdt hij een ontbloot zwaard, het zwaard des Geestes, dat is het Woord Gods, en tegelijkertijd een aanduiding van de wijze, waarop hij zou sterven. De breede, krachtige figuur staat daar in mannelijke, ridderlijke houding; zijn door de zon gebruind gelaat, vol uitdrukking, wendt den strengen blik naar links, alsof hij vandaar een naderbij sluipenden vijand verwacht. Wien geldt dien toornigen blik? Tegen wien houdt de hand krampachtig den greep van het zwaard omklemd? Het zijn de vijanden van het kruis van Christus: aan den eenen kant de Paus, die het Evangelie bederft door den warboel van menschelijke instellingen en aan de andere zijde de dwepers, die door het misbruiken van de vrijheid meer bederven dan doen vorderen.

De Apostelen spraken in duidelijke taal: maar het was den meester er om te doen ook begrijpelijk te zijn voor het minst ontwikkelde verstand, evenals Luthers woorden duidelijk waren voor het onnoozelste boertje. Daarom voegde hij nog een uitvoerig bijschrift toe aan zijn werk.

Boven het paneel links schreef hij: "Alle wereldlijke overheden in deze gevaarvolle tijden moeten zorgvuldig waken, dat zij zich niet, in plaats van door het Woord Gods, door menschelijke leeringen laten leiden, want God wil niet, dat er aan Zijn Woord iets wordt toegevoegd of daarvan afgedaan. Luister daarom naar deze vier voortreffelijke mannen: Petrus, Johannes, Paulus en Markus."

Petrus zegt in het tweede hoofdstuk van zijn tweeden brief: "Er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende en een haastig verderf over zichzelf brengende. En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden. En zij zullen, door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is en hun verderf sluimert niet.--Johannes in het vierde hoofdstuk van zijn eersten brief schrijft: Geliefden! gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet. Maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alreede in de wereld."

Terwijl deze woorden zijn gericht tegen de dwepers en sektenmakers, zoo protesteert het bijschrift op het tweede paneel tegen Rome met zijn leugen, bedrog en zedeloosheid. In het derde hoofdstuk van den tweeden brief aan Timotheus zegt Paulus: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de menschen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Hebt ook een afkeer van dezen! Want deze zijn het, die de huizen binnensluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden beladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden, die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.

Markus schrijft in het twaalfde hoofdstuk van zijn evangelie: "En Hij zeide tot hen in Zijn leer: wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten, en de voorgestoelten hebben in de Synagogen en de vooraanzittingen in de maaltijden. Zij eten de huizen der weduwen op en dat onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen." Er was een geheel jaar verloopen, voordat Dürer dit meesterstuk, de kroon van al zijn werken, voleindigd had.

Nauwelijks was de laatste penseelstreek gedaan, of hij greep papier en pen om er een brief bij te voegen aan hen, voor wie het werk was bestemd. Het was hem dezen keer niet opgedragen, maar het was zijn eigen hart geweest, dat hem aan het werk had gezet en dat hij het aan zijn dierbare geboorteplaats zou opdragen, stond van het begin af bij hem vast. De inhoud van den brief luidde aldus:

Edelachtbare, wijze Heeren!

Hoewel het reeds lang mijn wensch was, Uw Hoogmogendheid door mijn onbeteekenende schilderkunst een aandenken aan te bieden, heb ik mij door het gebrekkige daarvan laten weerhouden, wetende, dat ik daarmee in Uw oogen niet zou kunnen bestaan. Dewijl ik echter in dezen laatsten tijd een stuk heb geschilderd, waaraan ik nog meer zorg heb besteed dan aan mijn andere schilderijen, acht ik niemand meer waardig, dit als een herinnering te bewaren, dan U, hoogwijze Heeren! Daarom waag ik het, U dit werk aan te bieden, met de dringende bede, dat dit kleine geschenk U welgevallig moge zijn en genadig door U worde aangenomen en dat Gij even welwillend voor mij zult willen blijven, als Gij tot nu toe zijt geweest. Daarom zal ik naar mijn beste vermogen er naar blijven streven, om Uw goedgunstigheid waardig te zijn.

Uwer Edelachtbaren Heeren onderdanige Albrecht Dürer.

Spoedig daarop ontving Dürer van den Raad het volgende schrijven:

"Dewijl Albrecht Dürer een schilderij met vier figuren als aandenken heeft geschilderd en hetzelve den achtbaren Raad heeft gezonden en vereerd, is door dien achtbaren Raad besloten, den genoemden Dürer te zeggen, dat een achtbare Raad niet genegen is, dit schilderij op die wijze in bezit te nemen; maar hoewel dezelve hem voor zijn werk dankbaar is, en willens om het als aandenken te bewaren, zoo is dezelve niet minder willens hem daarvoor te betalen, wat hij verdient. Wat hij dus ook moge eischen, en al wilde hij ook niets eischen, zoo zullen de oudere heeren het zelf bepalen en zal een eerlijke handel worden gedreven door de Heeren Maarten Tucher en Sigmund Furer."

Meester Dürer weigerde, zooals te verwachten was, de waarde op te geven en toen zond de Raad hem honderd gulden voor hem zelf, twaalf gulden als hulde aan zijn vrouw en twee gulden fooi voor den knecht.

Het schilderij kreeg een plaats, die het waard was: het werd opgehangen in het departement van financiën in het raadhuis. Van den muur klonk zijn prediking. "Zijt getrouw en houdt vast aan Gods heilig Evangelie!"

HOOFDSTUK XXXI.

KUNSTENAAR EN GELEERDE.

Toen Dürer, nadat hij de laatste hand aan zijn schilderij der apostelen had gelegd, het penseel neerlegde, deed hij het in de overtuiging, dat dit zijn laatst groot werk was geweest. Wel maakte hij nog verscheidene portretten zijner vrienden, zooals dat van Hieronymus Holzschuher, dat hem bijna nog beter was gelukt dan dat van Frederik den Wijze eenige jaren geleden, dat van Wilibald Pirkheimer en van den Magister Filippus Melanchton, die voor de nieuwe school, die te Neurenberg werd opgericht, meermalen daar was geweest. Doch nu kregen penseel en potlood rust en moesten plaats maken voor de pen, die bestemd was om de vrucht zijner wetenschappelijke studiën, die hij bij het beoefenen zijner kunst niet had verwaarloosd, in boeken te openbaren.

Een ieder verbaasde zich, toen het eene boek na het andere verscheen van dezen schilder bij uitnemendheid, die daarin getuigenis gaf van de zeldzame veelzijdigheid en diepte zijns geestes. Nu hij zijn kunst niet meer practisch beoefende, verdiepte hij zich in theoretische studiën over het wezen zijner kunst, om hetgeen hij had gevonden als een laatst aandenken aan de wereld na te laten.

Een jaar geleden had reeds een boekje, als voorlooper dezer studiën het licht gezien onder den titel: "Onderwijs bij het meten met den passer en het paslood bij lijnen, vlakken, en geheele lichamen, door Albrecht Dürer bijeengevoegd en ten bate aller liefhebbers der kunst met bijbehoorende figuren in druk gebracht." Hij droeg het boek op aan zijn vriend Wilibald Pirkheimer en in de voorrede zei hij, dat hij hoopte, dat het voor alle beoefenaars der kunst dienstig zou zijn, niet alleen voor schilders, maar ook voor goudsmeden, beeldhouwers, steenhouwers, schrijnwerkers en allen, die het meten noodig hadden. De geheimen der proportieleer, waarin vroeger Luca Pacioli hem te Bologna had ingewijd, kwamen hier tot algemeen nut aan het licht.

De gansche wereld was echter één en al verbazing, toen Dürer zich op eens van een geheel nieuwe zijde deed kennen en bewees, dat hij ook een meester in de vestingbouwkunde was. In October van het jaar 1527 verscheen een boek van hem onder den titel: "Onderricht ter beveiliging van steden, kasteelen en dorpen."

Hij vervulde een plicht der dankbaarheid aan Keizer Maximiliaan, door het op te dragen aan diens kleinzoon, Koning Ferdinand I van Bohemen en Hongarije. De liefde tot zijn vaderland, en de begeerte om het tegen de roofzuchtige aanvallen der Turken te beveiligen, had hem aanleiding gegeven om zijn mededeelingen aan de vorsten te doen en hun te leeren, hoe zij de vestingwerken in een goeden, tot tegenweer geschikten, toestand moesten brengen. [25]

De grootste zorg en den meesten tijd besteedde Dürer aan de proportieleer van den mensch.

Pirkheimer bood aan om een voorrede daarbij te schrijven en Dürer nam het aan, doch onder vijf voorwaarden, die een nieuw, duidelijk bewijs zijner bescheidenheid en nederigheid waren: ten eerste, dat daarin geen enkel woord van lof mocht worden gebruikt; ten tweede, dat er aan geen uiting van nijd mocht worden gedacht; ten derde, dat er van niets anders sprake mocht zijn dan van hetgeen in het boek stond; ten vierde, dat niets er in gebruikt was, dat uit goede boeken was gestolen en ten vijfde, dat het boek alleen voor de Duitsche jeugd was geschreven. Ten laatste koesterde de meester nog een grooter plan: hij wilde in een uitgebreid werk, getiteld: "Spijze voor schildersleerlingen," alles te zamen vatten, wat hij tot nu toe in afzonderlijke werken had geschreven en door meer toevoegsels een geheel scheppen, dat voor den kunstenaar een rijke schat zou zijn en waarin alles, wat hij noodig had, werd gevonden.

Toch was hij er ver van, zich zelf en zijn eigen kennis tot algemeenen maatstaf en alleen geldig richtsnoer te verheffen: integendeel, de groote man was nooit met zichzelf tevreden en zei dikwijls, dat, als hij na jaren een zijner werken terug zag, hij zich altijd schaamde over de zwakheden en fouten, die hij er in ontdekte. In denzelfden geest schreef hij in de voorrede van het door hem begonnen groote werk: "Ik denk niet hoog van mijn kunst, want ik weet, wat mij ontbreekt. Daarom raad ik een ieder aan om mijn fouten, zooveel in zijn vermogen is, te verbeteren. Gave God, dat het mogelijk ware, dat ik de werken der toekomstige groote meesters nu reeds mocht aanschouwen!

"Welk een hoogte zullen zij nog bereiken--zoodat ik daarbij in het niet zal verdwijnen, als een heel klein beekje. En toch, als de vonk, die ik heb doen gloren, door de volgende meesters wordt aangewakkerd met hetgeen zij kunnen, dan kan daaruit mettertijd een vuur, dat met zijn gloed de gansche wereld bestraalt, opgaan."

HOOFDSTUK XXXII.

NAAR EEN BETER VADERLAND.

Een helder licht van kaarsvlammen straalde op een avond in April van het jaar 1528 uit de vensters van Pirkheimers huis. De raadsheer, die toen weinig last van het podagra had, had drie van de vrienden, die hem nog waren overgebleven, bij zich genoodigd om met hem te eten en vroolijk te zijn.

Dürer was er niet bij, zooals in den laatsten tijd meermalen gebeurde en toen men naar hem informeerde, antwoordde Pirkheimer met bedenkelijk gelaat: "Wij zullen ons er aan moeten gewennen, zijn gezelschap dikwijls te ontberen. Hij is in den laatsten tijd zeer zwak en sukkelend."

"Was hij maar niet naar de Nederlanden gegaan!" sprak Holzschuher, die tot de gasten behoorde: "Sedert zijn terugkomst is hij zoo veranderd. Ik schrok bepaald, toen ik hem terug zag. Hij was zoo mager geworden en zijn mannelijke schoonheid was verdwenen! Het is wonderlijk: om de pest te ontvluchten, ging hij uit Neurenberg en nu heeft hij uit Nederland een krank lichaam meegebracht. Die tocht door de sneeuw om den walvisch te zien, het ongeval, dat hem toen op het water is overkomen, de ongewone levenswijze in een vreemd land, die onophoudelijke eerbewijzen, die in maaltijden en groote feesten bestonden, zijn verderfelijk voor zijn gezondheid geweest. Ik vrees, ik vrees, dat wij hem niet lang meer zullen mogen behouden."

"O, zeg dat niet!" riep Pirkheimer verschrikt uit. "Ik kan het niet aanhooren! Ik kan mij het leven niet voorstellen zonder hem! Niemand kent hem zooals ik hem ken, niemand kan aan hem dan ook meer verliezen dan ik. Ik was het volkomen eens met den Magister Philippus Melanchton, toen hij bij zijn laatste verblijf hier in de stad, zei: "Albrecht Dürer is als kunstenaar ongeëvenaard, maar toch is dat niet het meest in hem te bewonderen: nog meer dan zijn geest en hand waardeer ik zijn hart!"

"Hij heeft niet te veel gezegd," zei Löffelholz. "Albrecht Dürer is de uitstekendste man van onzen tijd. Is er een deugd, die hij niet bezit? Maar laten we ons nu nog niet al te ongerust maken; hij is nog geen zevenenvijftig jaar en misschien kan de natuur de ongesteldheid nog overwinnen."

"God geve het!" zuchtte Pirkheimer en hij bracht het gesprek op iets anders over.

Zwak en moede lag Dürer te bed. Den vorigen avond was hij nog op geweest en had aan zijn boek geschreven; doch den volgenden ochtend had hij geen lust om op te staan. Hij had 's nachts bijna geen oog toegedaan en voelde zich afgetobd.

Het was stil in de kamer; aan het bed van den lijder zat Vrouwe Agnes. Met op de borst gevouwen handen lag Dürer aandachtig te luisteren naar hetgeen zijn vrouw uit Luthers bijbel voorlas; het was het lijden des Verlossers naar het Evangelie van Johannes.

Daarna sprak hij zacht: "Dat heeft mij goed gedaan. O, welk een harde sponde heeft men onzen Verlosser bereid en ik lig zoo zacht! Hoe werd Zijn marteling ten doode door hoon en schimp verzwaard en aan mijn legerstede zit een engel der vertroosting! Wel lijd ik pijn; maar wat zijn mijn smarten vergeleken bij de zijne!"

Vrouwe Agnes veegde zijn klam voorhoofd af en drukte zachtkens een kus er op. Toen vraagde zij hem of hij niet eens van den verkwikkenden drank, dien zij voor hem had klaar gemaakt, wilde drinken.

Dürer knikte en bevochtigde zijn lippen met het lavende vocht; toen zuchtte hij: "Waarom komt de geneesheer toch niet?"

Vrouwe Agnes zeide, dat hij van niets wist, maar dat zij dadelijk om hem zou sturen.

Spoedig daarop verscheen hij; hij voelde den kranke den pols en zag hem bezorgd aan: het waren weer de afwisselende koortsen, die hem jaren lang hadden geplaagd, en de milt was meer dan ooit gezwollen.

De geneesheer schreef medicijnen voor, die de meid dadelijk uit de apotheek moest halen.

Die drank deed Dürer goed, hij voelde zich minder benauwd en tegen den avond ging de koorts af, hoewel die gewoonlijk tegen dien tijd toeneemt. Hij keerde zich naar den muur en sliep in.