Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 15

Chapter 153,958 wordsPublic domain

Daarbij ontbrak het Dürer niet aan uitnoodigingen om zelf te schilderen, want de velen, die hem met hun eerbewijzen overlaadden, wilden ook gaarne iets van zijn hand tot aandenken hebben, en daarom was hij wel verplicht nu en dan een uurtje er af te nemen, om dezen plicht der dankbaarheid te vervullen.

Vooral voelde hij zich hiertoe gedrongen tegenover den man, op wiens persoonlijke kennismaking hij zich in het bijzonder had verheugd, Erasmus van Rotterdam, den grooten geleerde en het orakel van zijn tijd, tot wien de geheele beschaafde wereld met onbeperkt vertrouwen opzag en van wien men hoopte, dat hij in zake Luther, het gewicht van zijn invloed in de weegschaal zou werpen.

De beide groote mannen behandelden elkaar bij hun ontmoeting wederzijds met den eerbied, die elk toekwam en zij voelden zich sterk tot elkaar aangetrokken. Uit dankbaarheid voor het geschenk van Erasmus, bestaande uit een Spaansch manteltje en verscheidene teekeningen, schilderde Dürer het portret van den geleerde op meesterlijke wijze, waarvan hij later een copie meenam om op koper te graveeren.

Het kostte hem moeite om afscheid te nemen van Antwerpen, waar hij zooveel liefde en eer had genoten, maar het was zijn plan om verder naar Brussel te gaan.

Op den 16den Augustus aanvaardde hij de reis in gezelschap van den Genuees Tomaso Bombelli, een der rijkste kooplui in zijde van Antwerpen en tegelijkertijd penningmeester der Landvoogdes der Nederlanden, de Aartshertogin Margaretha, die den meester evenals andere buitenlanders met eerbewijzen had overladen.

In Brussel werd hij aangenaam verrast, toen hij drie Neurenberger heeren onverwacht op straat ontmoette; het waren de raadsheeren: Hans Ebner, Leonard Groland en Nicolaas Haller, die, als afgezanten van den Raad, de rijksinsignes voor de kroning moesten overbrengen. De heeren wilden ook van hunnentwege hun beroemden stadgenoot een onderscheiding bewijzen en namen zijn onderhoud geheel voor hun rekening. Het was echter niet noodig hem daar bekend te doen worden, want in Brussel herhaalden zich dezelfde tooneelen als te Antwerpen en het kostte Vrouwe Agnes menigen zucht zich steeds zoo eenzaam en verlaten te gevoelen.

Voor den kunstenaar daarentegen waren het dagen van het hoogste genot; zijn oog, oor en hart genoten oneindig. Ten laatste was het hem ook nog vergund bij de Landvoogdes te worden toegelaten; zij was een fijnbeschaafde, met de kunst dwepende vrouw, die hem ook beloofde zijn voorspraak bij Koning Karel te zullen zijn.

Den 2den September keerde hij uiterst voldaan naar Antwerpen terug, om daar den keizer, af te wachten, voor wiens ontvangst alles in rep en roer was en vol ijver om de stad in een tooverpaleis te herscheppen. De keizerlijke stoet naderde langzaam de poort, de lucht weergalmde van de juichkreten der dicht op elkaar gedrongen, geestdriftvolle menigte, maar de jonge keizer scheen weinig oog te hebben voor al die pracht en heerlijkheid, en menigeen, die wist welke verbazende onkosten men had gemaakt, schudde wrevelig het hoofd.

Van Antwerpen ging de keizer verder naar Aken voor de kroning en Dürer volgde hem naar die stad, omdat hij te Antwerpen geen gelegenheid had gehad om hem te naderen. Te Aken ontmoette hij weer de Neurenberger gezanten, die hem in hun kring opnamen en alle onkosten voor zijn onderhoud betaalden, waarvoor hij hun zooals vroeger met zijn kunst zijn dankbaarheid betuigde.

Den 23sten October had de kroning plaats. Op den avond van dien dag schreef Dürer in zijn boek: "Heden zag ik zooveel pracht en praal, als geen sterveling ooit schooner zag."

Was het in Antwerpen hem reeds onmogelijk geweest zijn verzoek bij den keizer in te dienen, te Aken viel er in 't geheel niet aan te denken en er bleef dus niet anders over dan den vorst naar Keulen te volgen. Daar eindelijk op den 12den November bereikte hij met veel moeite zijn doel, tenminste in zoover, dat het uitbetalen der lijfrente hem werd verzekerd--maar van de andere verplichtingen wilde Keizer Karel niets hooren.

Verheugd, dat hij tenminste in hoofdzaak was geslaagd, keerde hij van Keulen terug, om weer te gaan naar de Nederlanden, waar hij den winter wilde doorbrengen.

Den 27sten November was hij weer in Antwerpen bij Agnes, wier vreugde over het weerzien eenigszins werd vergald door het ongeluk, dat haar onlangs in de Lievevrouwekerk op St. Maarten was overkomen, toen een dief haar tasch met twee gulden en verscheidene sleutels had losgesneden en gestolen.

Dit verlies bezorgde Dürer ook wel eenige spijt, doch hij troostte zich, toen iets anders zijn aandacht in beslag nam en wel, de tijding, dat de zee bij Middelburg een reusachtigen walvisch op het droge had aangespoeld. Hij liet zich noch door de winterkou, noch door den afstand weerhouden om dit wonder der natuur te gaan zien. Den 7den December ondernam hij met eenige kennissen te paard den tocht naar Middelburg en hij kwam pas den 14den terug.

Vrouwe Agnes ontving hem met vreugde, want zij was bang geweest, dat het gure weer haar man kwaad zou doen.

"Ja, gij, kunt nu wel blij zijn," sprak hij, terwijl hij haar aan zijn hart drukte, "want gij hebt uw man weer terug, maar ik heb weinig voldoening van de reis, want het wonder heb ik niet mogen aanschouwen, omdat de zee het weer had teruggehaald en daarbij scheelde het bitter weinig of ik had er het leven bij ingeschoten."

En nu vertelde hij aan zijn ontstelde vrouw, hoe zijn schip tegen een ander was aangevaren en daardoor beschadigd was geworden, waarna het zonder anker de zee was ingedreven en daar zoo lang had rondgezwalkt, dat de bemanning reeds alle hoop had opgegeven en hun zielen in Gods handen had bevolen, totdat de hemel genadig hulp in den hoogsten nood had gezonden. Nu begon te Antwerpen het oude leventje weer. Indien hij gelegenheid had, verkocht hij zijn schilderijen, om voor de opbrengst allerlei voorwerpen, die hij gaarne in zijn bezit had, of waarmee hij bij zijn thuiskomst anderen een genoegen wilde bereiden, te koopen; nog meer gebeurde het, dat hij zijn werk weg gaf om ondervonden vriendelijkheid ruimschoots te vergelden of voorkomend anderen pleizier te doen.

Natuurlijk namen zijn vereerders zijn tijd weer zeer in beslag. Een paar dagen na vastenavond schreef hij in zijn dagboek: "Eergisteren had ik een uitnoodiging om met mijn vrouw de gast van het goudsmidsgild te zijn. Bij die gelegenheid leerde ik veel wakkere mannen kennen en werd ons een heerlijke maaltijd bereid, terwijl iedereen om 't hardst mij eer bewees. Des avonds was ik bij den ouden schout genoodigd, waar ik ook rijkelijk werd onthaald en met veel eerbewijzen overladen. Vele bijzondere maskers en costuums lieten zich dien avond zien en over het algemeen was alles prachtig ingericht. 's Maandagsavonds was ik uitgenoodigd bij den heer Lopez op een groot festijn, dat tot twee uur duurde en bijzonder kostbaar was. Van den heer Lorenz Stark kreeg ik een Spaanschen pels ten geschenke. Ook op dit feest zag men veel schitterende gecostumeerden en gemaskerden, vooral de heer Tomaso Bombelli."

Eindelijk kreeg meester Dürer toch wel wat te veel van het goede dezer aarde en kwam de gedachte aan terugkeeren naar huis in zijn hart op, te meer toen hij voelde, dat zijn gezondheid niet meer zoo goed was als vroeger en de eene stuiver na den anderen in de apotheek verzeilde.

Om niet al te veel met bagage te zijn belast, stuurde hij den 19den Maart, toen er zich een gelegenheid aanbood, een groot deel der verkregen schatten vooruit en toen kon men eens goed zien, aan hoeveel vrienden de goedhartige, milde man had gedacht. Niet alleen aan zijn familieleden en vrienden zond hij een geschenk, ook anderen, die hem op de een of andere wijze vriendelijkheid hadden bewezen, vergat hij in den vreemde niet; en Vrouwe Agnes, die berekende hoe hoog de uitgegeven som beliep, vond het bijna al te veel.

Nu had hij evenwel de groote steden Brugge en Gent nog niet gezien en men zeide hem, dat het toch al te jammer zou zijn, indien hij in deze middelpunten der kunst, waar hij nu zoo dicht bij was, niet eenige weken vertoefde.

Ook hier was zijn roem hem reeds vooruitgegaan; ook hier ontving men hem met bijzondere eerbewijzen. Ofschoon verheugd over al het genot, dat hij had gesmaakt, keerde hij in eenigszins gedrukte stemming naar Antwerpen terug. Hij wist zelf niet, wat hem scheelde, maar het eten smaakte hem niet, zijn hoofd was zwaar en vermoeid en zijn voeten weigerden bijna hem te dragen. De geneesheer, die op verzoek van zijn bezorgde vrouw, verscheen, meende dat hij zware koorts zou krijgen en beval vóór alles volkomen rust aan.

Den volgenden morgen kwam Vrouwe Agnes doodsbleek bij de waardin binnenloopen en riep: "Help mij--mijn man, mijn man!"

De waard en waardin gingen terstond met haar mee en vonden Dürer, bleek en met gesloten oogen, in bed liggen. Zij dachten, dat hij dood was. Het was echter slechts een langdurige bezwijming, waaruit het den dokter gelukte hem weer bij te brengen. Doch de koorts wilde niet wijken en nam integendeel steeds in hevigheid toe, zoodat Vrouwe Agnes in den angst haars harten niet wist wat te beginnen. "Ach, dat wij nu juist hier in den vreemde moeten zijn!" jammerde zij. "Gave God, dat wij toch reeds thuis waren!"

Er volgden moeilijke dagen en weken, voordat de beangstigde vrouw kon herademen en innig dankbaar drukte zij den waard en zijn vrouw de hand voor de groote liefde, waarmee zij haar hadden bijgestaan, alsof zij een lid der familie was geweest.

HOOFDSTUK XXVIII.

EEN LIJKZANG.

Op een dag in Mei van het jaar 1521 zat Dürer alleen in zijn kamertje. Op zijn gelaat waren de sporen van zijn ziekte nog duidelijk zichtbaar en daarbij lag er nog een heel bijzondere treurigheid, die zich nu en dan in een diepen zucht uitte, op te lezen.

Al de verstrooiingen van de reis hadden hem den man, wien hij voor het heil van zijn ziel zooveel was verplicht, niet doen vergeten. Elk nieuw uitgekomen boekje van Luther, dat hij onder de oogen had gekregen, had hij gekocht en ijverig bestudeerd. Ook te Antwerpen, waar hij veel tijd met de Augustijnermonniken had doorgebracht, had het hem aan tijdingen omtrent Luthers lot niet ontbroken. Hij had hun angst gedeeld, toen men hoorde, dat Luther door den Paus in den ban was gedaan en met hen gejuicht, toen men de koene daad van den man Gods vernam, om de pauselijke bul in het openbaar te verbranden, waarmee hij bekende zich te hebben vrijgemaakt van de kerk des Pausen, om alleen voor Gods eer te ijveren, nadat de opvolger van Petrus den Heer Jezus opnieuw had verloochend. Eindelijk was het bericht gekomen, dat Doctor Maarten zich te Worms voor den Keizer en het Rijk zou verantwoorden, en zijn ziel had toegejuicht den held, die alle waarschuwingen ten spijt, besloten was naar Worms te gaan, al zouden daar ook evenveel duivels als pannen op de daken zijn.

Nu was er evenwel een nieuw, verpletterend bericht verspreid. Maarten Luther, die op den Rijksdag met heldenmoed de waarheid van het Evangelie had beleden en zich niet door het tandgeknars zijner tegenstanders tot herroepen had laten dwingen, zou op den terugweg verraderlijk zijn gevangen genomen en verdwenen, en behoorde nu waarschijnlijk niet meer tot de levenden.

Nadat Dürer langen tijd met strakke blikken treurend had neergezeten, nam hij zijn dagboek en gaf daarin lucht aan de smart, die hem vervulde, met de woorden:

"Ach, Heer des Hemels, welke tijding omtrent Luther, den man Gods, moet ik daar vernemen.

"Men dacht, dat hij veilig was door het vrijgeleide van een keizerlijk heraut; maar toen zij bij Eisenach in een onherbergzaam oord waren gekomen, had deze gezegd, dat Luther hem nu niet meer noodig had en was hij weggereden. Spoedig werd de verraden, vrome, met den H. Geest bezielde man, de heraut van het Christelijk geloof, door tien ruiters omsingeld en ontvoerd. En of hij nog leeft, of dat men hem heeft vermoord--ik weet het niet--zoo heeft hij dit lijden doorstaan ter wille der Christelijke waarheid en omdat hij het onchristelijk pausdom heeft bestraft, dat door het opleggen van zijn lasten, de verlossing door Christus teweeggebracht, wederstaat. En ook daarom heeft hij het geleden, omdat wij worden beroofd en uitgeplunderd en ons datgene, wat wij in het zweet onzes aanschijns hebben verworven, wordt ontnomen, opdat het op die wijze verkregene schandelijk door nietsdoeners kan worden verteerd, terwijl dorstige, kranke menschen van gebrek sterven. En bovenal bezwaart mij de vrees, dat God ons misschien nog langer wil laten zuchten onder het juk der blinde, valsche leer, die door menschen is bedacht en uitgevonden, waardoor het heerlijk Evangelie ons op vele plaatsen verkeerd wordt uitgelegd of ons geheel wordt onthouden.

"Ach, God in den Hemel, erbarm u onzer. O Heer Jezus Christus, bid voor Uw volk, verlos ons te rechter tijd, bewaar in ons het echte, ware, Christelijke geloof, verzamel Uw verdwaalde schapen door uw stem uit de Schrift; help ons, dat wij Uw stem mogen kennen en geen verlokkend geluid van menschelijke dwaling volgen, opdat wij, Heer Jezus Christus niet van U wijken. Roep de schapen Uwer weide, die nog voor een deel in de Roomsche kerk worden gevonden, en die door het opleggen van lasten en de geldzucht des Pausen, door een valsche leer bedrogen, zijn verstrooid, bij elkaar, desgelijks ook de Indianen, Moscovieten, Russen en Grieken. Ach God, verlos Uw arm volk, dat door groote pijn en tyrannie wordt gedwongen, tot dingen, die het tegenstaan, en waardoor het steeds tegen zijn geweten moet zondigen. O, God, nooit hebt gij met geboden der menschen een volk zoozeer belast als ons, armen, onder het juk van Rome; terwijl wij toch, verlost door uw bloed, vrije Christenen zijn moesten. O, almachtige, hemelsche Vader, beschijn ons door Uw Zoon, Jezus Christus, met zulk een licht, dat wij daarbij duidelijk kunnen zien, welke geboden wij moeten houden, opdat wij de andere lasten, met een vrij geweten, op zijde kunnen zetten en U, hemelschen Vader met een blij hart mogen dienen.

"En indien het waar is, dat wij hebben verloren den man, die duidelijker heeft geschreven dan iemand anders, die in de laatste tijden heeft geleefd, en die Gij zoo door Uw Geest hebt verlicht, dan bidden wij U, o hemelsche Vader, dat gij Uw H. Geest wilt geven aan een anderen man, die uw heilige Christelijke kerk van alle zijden weder bijeenbrenge, opdat wij weder als Christenen mogen leven, en anderen door ons leven bekeerd worden en het Christelijk geloof mogen aannemen.

"Maar, Heer, het is uw wil, voor dat gij oordeelt, dat evenals Uw Zoon, Jezus Christus, door de priesters werd gedood en, uit den dood opgestaan, ten hemel voer, het met Uw volgeling, Maarten Luther, die door den Paus verraderlijk om het leven wordt gebracht, eveneens zou gaan; hem zult gij verkwikking bereiden. En zooals gij over Jeruzalem het oordeel van verwoesting hebt uitgesproken, zoo zult gij ook de macht, die de stoel van Rome zich heeft aangematigd, te niet doen. Och Heer, geef ons daarna het nieuwe, heerlijke Jeruzalem, dat uit den hemel nederdaalt, waarvan in de Openbaring wordt gesproken; het heilige, zuivere Evangelie, dat niet door de leer der menschen is verduisterd.

"Opdat zulks geschiede, geef, dat ieder, die Luthers boeken leest, zien moge hoe helder en duidelijk de leer is, die hij naar het Evangelie verkondigt. Daarom moet men die boeken in waarde houden en ze niet verbranden; beter ware het, dat men zijn tegenstanders, die de waarheid wederstaan, in het vuur wierp met al hun leerstellingen, die de menschen tot goden verheffen. Dat er toch nieuwe uitgaven van Luthers boeken mochten verschijnen! O God, als Luther dood is, wie zal ons dan in het vervolg het heilig evangelie zoo duidelijk verklaren? Ach, God, wat zou hij in tien, twintig jaren nog veel voor ons hebben kunnen schrijven! O gij, alle vrome christenen, beweent met mij dezen, door Gods Geest bezielden man en laten wij Hem vragen om ons een ander door den H. Geest verlicht man te zenden!

"O Erasmus van Rotterdam, waar blijft gij? Zie, wat de tyrannie der onrechtvaardigen, de dwingelandij der wereldlingen, de macht der duisternis vermag! Hoor, gij, strijder voor Christus, rijd naast den Heer Jezus, bescherm de waarheid, verover de martelaarskroon, gij zijt toch ook reeds een oud man. Ik heb van u gehoord, dat gij u zelf nog twee jaren in staat acht om tot iets nut te zijn. Gebruik die jaren voor het Evangelie; verhef uw stem, dan zullen de poorten der hel, dan zal Rome niets tegen u vermogen. En als gij hier aan uw Meester, Christus, gelijkvormig wordt en schande wilt lijden door de leugengeesten van onzen tijd, waardoor gij misschien een weinig vroeger zoudt sterven, dan zoudt gij te eerder uit den dood tot het leven komen en door Jezus Christus worden verheerlijkt. Want indien gij uit den beker drinkt, dien Hij heeft gedronken, dan zult gij met Hem regeeren en rechtvaardig oordeelen, hen, die dwaas hebben gehandeld. O Erasmus, handel zoo, dat God u roemen kan, zooals er van David staat geschreven, want gij kunt het, voorwaar, gij kunt Goliath dooden; Uw God beschermt de heilige, christelijke kerk. Leid ons in de eeuwige zaligheid, God, Vader, Zoon en Heilige Geest, Gij, eeuwig God. Amen."

Dürer legde de pen neder en veegde zijn oogen af. Het was hem een verluchting, dat hij zijn vol hart eens had uitgestort.

Maar het was hem nog niet genoeg: spoedig greep hij een stuk krijt en gebruikte de kunst als tolk van zijn gevoel en als troosteres in zijn smart. En op den grijsblauwen grond werd een cherubijn zichtbaar, die jammerend, met de vleugels het aangezicht bedekt, alsof hij wil zeggen:

"Ach, dat gij zijt heengegaan, Maarten Luther, gij, profeet des Allerhoogsten!"

HOOFDSTUK XXIX.

NEURENBERG BOVEN ALLES.

De zomer was in het land gekomen, en Dürer, die de eerste bezending goederen door andere naar Neurenberg had laten volgen, dacht er nu over om naar huis terug te keeren. Hij durfde de reis nu wel ondernemen, omdat zijn lichaamskrachten weer voldoende waren teruggekeerd.

Op St. Pieter en Paulus, den 29sten Juni, zat hij met zijn vrouw in het kamertje de som der gemaakte onkosten te berekenen. Hij had veel uitgegeven zoowel in geld als aan kunstwerken, want Dürer was hooghartig en had de ondervonden vriendelijkheid rijkelijk vergolden en soms meer gegeven, dan hij kon. Het was een heele som, toen hij berekende wat hij in al dien tijd met teekenstift of penseel voor de menschen had gewerkt--hij had voor niet minder dan honderd vijftig personen hun portret gemaakt met potlood, houtskool of in kleuren en toen Vrouwe Agnes hem vraagde, wat hem al die moeite en arbeid had opgebracht, lachte Dürer en zei: "Het grootste gedeelte van mijn arbeid heeft mij niets opgebracht, en toen ik mij voorstelde uit de Nederlanden een goede winst mee te brengen, heb ik mij bedrogen. Nu ben ik wel genoodzaakt honderd gouden guldens te leenen om naar huis te kunnen gaan en gelukkig heeft de heer Imhoff zich daartoe bereid verklaard."

Vrouwe Agnes was hierover wel wat ontstemd en antwoordde: "Ik had wel kunnen denken, dat het zoo zou gaan. Gij verstaat nu eenmaal de kunst niet om schatten op te leggen. Gij geeft veel meer weg dan gij krijgt en hebt u menig keer in den nek laten zien. Maar over die schade zou ik mij nog wel kunnen troosten, als die walvisch er maar niet was geweest."

"De walvisch?" vraagde Dürer verwonderd.

"Ja zeker," sprak Vrouwe Agnes met nadruk, "aan dat monster alleen wijd ik uw ziekte." Juist toen Dürer iets wilde antwoorden, werd er geklopt en kondigde de waardin een bediende van den Raad der stad aan. De man bracht de groeten van den eersten burgemeester over aan den heer Albrecht Dürer en noodigde hem uit den volgenden morgen op het raadhuis te verschijnen.

Op den bepaalden tijd ging Dürer daarheen en hij werd door de hoogmogende heeren met bijzondere vriendelijkheid ontvangen.

"Wij vernemen, dat gij op het punt zijt naar Neurenberg terug te keeren en wilden u daarom eerst vragen, hoe het u in het algemeen in de Nederlanden en in het bijzonder in Antwerpen is bevallen?"

Dürer verzekerde, dat het hem zeer moeilijk viel te scheiden van een stad, waar hij niet alleen geboeid was door haar grooten rijkdom en heerlijke kunst, maar waar hem ook veel liefde en eer was te beurt gevallen.

Toen kwam er een eigenaardig lachje op het gelaat van den heer, die op Dürer toetrad en zijn hand op diens schouder legde, terwijl hij zei: "Meester Dürer, ik weet er wel raad op, hoe gij aan dit moeilijke afscheid zoudt kunnen ontsnappen: blijf hier! Geloof mij, gij zult nog veel meer liefde en eer ondervinden, wanneer gij u voor altijd bij ons wilt voegen! In naam van den Raad van Antwerpen bied ik u ten eerste een vast jaargeld van driehonderd gulden aan, ten tweede een stevig gebouwd, fraai woonhuis als eigendom, ten derde vrijdom van alle belastingen en ten vierde ruime belooning voor alles, wat gij nog voor den Raad zult werken. Ik verberg u niet, waarde Meester, dat Antwerpen trotsch zou zijn, als de naam Albrecht Dürer op de lijst harer burgers stond. Beslis dus en geef mij uw belofte te zullen blijven."

In pijnlijke verwarring stond Dürer daar. Die groote goedheid en welwillendheid drukten hem als een last. Dat was toch waarlijk hem het afscheid niet gemakkelijker maken! Want hoe schitterend de beloften ook waren, hij kon ze toch niet aannemen. Aan Neurenberg hing zijn hart, daar was hij ingeburgerd en zich een tehuis te scheppen in den vreemde was hem onmogelijk. Nimmer zou dat zijn werkelijk tehuis kunnen zijn.

Hij overwoog deze gedachten, terwijl hij eenigen tijd zwijgend voor den burgemeester stond, en deze, die zijn stilzwijgen naar zijn eigen wenschen uitlegde, trachtte door het herhalen zijner dringende beden hem tot blijven over te halen.

Nu was Dürer zich zelf weer meester en hij antwoordde: "God zegene u voor de welgemeende vriendelijkheid, die gij mij bewijst. Het smart mij, dat ik zooveel welwillendheid met een weigering moet beantwoorden. Ik ben een kind van Neurenberg, mijnheer, Neurenbergsche lucht heb ik van mijn vroegste jeugd af ingeademd, Neurenberger kunst is mijn denken en leven en daarom behoor ik daar thuis en kan ik niet tieren op een anderen bodem. Laat mij naar mijn geboorteplaats terugkeeren, mijnheer--wat zoudt gij hebben aan iemand, wiens ziel krank was en wiens hand verlamde!"

De burgemeester keek droevig en teleurgesteld. Hij deed geen enkele poging om den meester tot andere gedachten te brengen, want aan den klank zijner stem hoorde hij, dat er voor Antwerpen hier niets meer was te hopen. En daarom nam hij van Dürer afscheid met de verzekering van zijn groote spijt en teleurstelling. Tweemaal was de verzoeking, om zijn geboorteplaats ontrouw te worden, Dürer genaderd: zestien jaar geleden te Venetië, waar de Signoria hem door de aanbieding van tweehonderd ducaten had getracht bij zich te houden en nu hier te Antwerpen; doch beide keeren behaalde de trouw de overwinning.

HOOFDSTUK XXX.

OOK EEN HERVORMINGSPREEK.

Bijna twee jaren waren voorbijgegaan.

In de week vóór Paschen van het jaar 1523 zat Albrecht Dürer met zijn vrouw aan de groote tafel in de pronkkamer. Hij las met eerbiedig gevouwen handen uit een groot boek, dat voor hem lag. Het was het Nieuwe Testament, dat Doctor Maarten Luther in de eenzaamheid zijner cel op den Wartburg in Duitsch gewaad had gestoken.

Op de terugreis had Dürer al spoedig gehoord, dat Luther niet dood was, en die tijding had hem met nieuw leven bezield. Hij voelde zich krachtiger en wat hij bij zijn terugkomst te Neurenberg had gezien, was ook geschikt geweest om hem den moed terug te geven en een loflied tot Gods eer op zijn lippen te leggen.