Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 14
Dürer was ontroostbaar over de teleurstelling, dat hij op het juiste oogenblik niet tegenwoordig was geweest en nu wilde hij ten minste alle nadere bijzonderheden hooren. Hij vernam, dat Luther te voet van Wittenberg was gekomen en doodmoe bij de broeders was aangeland. Men had hem toen gespijsd en gelaafd en broeder Link had hem zijn pij gegeven, daar hij in zijn eigen oude pij, door de stof op reis ontoonbaar geworden, onmogelijk voor den gezant van den heilige Vader kon verschijnen.
Verder vertelde men, dat Link had aangeboden, hem naar Augsburg te begeleiden en dat zij een half uur geleden samen waren afgereisd.
"En hoe was hij, Dr. Martinus?" vraagde Dürer met groote belangstelling.
Eenige oogenblikken zweeg de prior met terneergeslagen blikken; toen vervolgde hij:
"Hoe zal ik u dat duidelijk kunnen maken? Eerst schrok ik, toen ik hem zag aankomen, van zijn holle, bleeke wangen, waarop als het ware de dood staat te lezen. En ik zag daaruit de gevolgen van zijn zelfkastijdingen in het Erfurter klooster, waarvan men mij had verteld. Maar ik werd bijna verblind, toen ik zijn oogen zag. Meester Dürer, als gij die oogen had gezien, zoudt gij terstond hebben gezegd: dat is een man Gods, een profeet des Allerhoogsten! En als gij die oogen moest schilderen--al zijt gij nog zulk een uitstekend, hooggeroemd kunstenaar, zulke oogen en de ziel, die daaruit spreekt, op het doek te brengen, neen, dat zou onmogelijk zijn. Ik zie ze nog steeds voor mij, die groote, donkere, diepe oogen; het was mij alsof hij daarmee tot in het diepst van 's menschen ziel kon lezen. En dan zijn stem, zijn taal--juist zoo stel ik mij Elias, den profeet van Jehova voor."
"En wat zeide hij van zijn gang naar Augsburg?" vraagde Dürer verder.
"Hij was op alles voorbereid," antwoordde de prior. "Hij voorzag heel goed, dat hij als offer was bestemd, dat de paus hem door list wilde vangen en naar Rome sleepen; toch ging hij getroost in den naam des Heeren, die, als hij verloren ging, uit elken steen een Martinus kon verwekken."
In Dürers ziel kampten velerlei aandoeningen om den voorrang; diepe ontroering en hartverheffende gedachten wisselden af met wrevel over de teleurstelling Luther te hebben gemist. Eindelijk vraagde hij, of Luther niet gezegd had, welken terugweg hij zou nemen, wanneer het misliep met de booze bedoelingen van Rome. Doch men zei hem, dat Luther daarvan met geen enkel woord had gerept.
Iedereen te Neurenberg, en Dürer in het bijzonder, wachtte nu in groote spanning op tijding uit Augsburg; maar de berichten, die kwamen, waren zeer met elkander in tegenspraak. Sommigen zeiden, dat Luther zeer welwillend door den kardinaal was ontvangen; anderen beweerden, dat de pauselijke gezant hem hard had bejegend en had gezegd, dat hij het beest met de donkere oogen niet meer wilde zien.
Toen kwam op den 16den October 's avonds laat Wenzel Link, die Luther naar Augsburg had vergezeld, terug--alleen, en vervulde door zijn berichten de stad met vrees en beven. Hij vertelde, dat hij de vlucht had moeten nemen, omdat hij zijn leven niet zeker was en wat er met Luther, die nog een geschrift om te appeleeren wilde overreiken, zou gebeuren, dat wist God alleen.
Ten huize van Kaspar Nützel kwamen vele aanzienlijken bijeen om te beraadslagen, wat zij te doen hadden, in geval, dat het met Luther tot het uiterste kwam, maar niemand wist wat hierin te raden. Aller gemoed was bezwaard, niemand dacht aan arbeiden, zelfs de raadszittingen konden niet doorgaan door de afwezigheid van het meerendeel der raadsheeren.--
Op Donderdag, den 21sten October, reden 's morgens vroeg twee ruiters de Vrouwepoort te Neurenberg binnen; zij zagen er wonderlijk uit, ten minste de een, want dat was een monnik in zijn pij, hetgeen al heel vreemd stond voor iemand te paard, zoodat ieder, die hem tegenkwam, bleef staan en verwonderd den rijdenden kloosterbroeder nakeek. De andere ruiter was een man met een grijzen baard en een gerimpeld gelaat; hij was tot de tanden toe gewapend. De ruiters vraagden den weg naar het Augustijnerklooster en gingen, toen zij daar waren aangekomen, met het paard aan den teugel, den tuin binnen. Even daarna werd de klopper driemaal haastig op Dürers deur neergelaten. Het was een monnik, die de boodschap bracht, dat meester Dürer terstond naar het klooster moest gaan.
Met een voorgevoel, wien het gold, snelde Dürer naar buiten, geheel zooals hij was en in zijn haast ternauwernood zich den tijd gunnende om zijn baret van den haak te nemen. Hij had zich niet bedrogen; de monnik vertelde hem onderweg, dat Luther vergezeld van een gewapend ruiter uit Augsburg als vluchteling was aangekomen en in het klooster eenige rust wilde nemen. Met kloppend hart trad Dürer het klooster binnen. Allen waren weder in de eetzaal te zamen gekomen en men kon het hun aanzien, welk een diepen indruk deze gebeurtenis op hem maakte.
Tevergeefs echter zochten zijn oogen Luther en op zijn vraag naar hem, hoorde hij dat deze bij den prior in diens cel was, om het schrijven van Spalatinus, den hofprediker van den Keurvorst van Saksen, dat ondertusschen voor hem was gekomen, te lezen. En werkelijk, nog voordat Luther eenige spijs ter verkwikking had genuttigd, had hij zich teruggetrokken om dezen brief te lezen. Hij zag daaruit, dat hij alle reden had, om de Augsburgsche vrienden, die bij hem op deze nachtelijke vlucht hadden aangedrongen, dankbaar te zijn, want Spalatinus deelde hem mee, dat, in een brief van den Paus, Kardinaal Cajetanus de opdracht had gekregen, Luther, dien verstokten ketter, hoe dan ook, in zijn macht te brengen, aan Rome uit te leveren en den ban uit te spreken over al zijn volgelingen en over alle steden en landen, waarheen deze zoon des satans zich zou begeven.
Het duurde geruimen tijd, voordat Luther zich weer liet zien. De brief van Spalatinus en zijn lichamelijke uitputting hadden hem zoozeer aangepakt, dat hij rust en nadenken noodig had. Hij bekommerde zich weinig om het gevaar, dat hem zelf dreigde; doch dat anderen om zijnentwil zouden lijden, deed hem verdriet. Om deze laatste reden wilde hij dan ook niet lang in Neurenberg blijven en hij ging naar de eetzaal terug, waar een ontbijt voor hem gereed stond. Dürer, die zich achter in de zaal had teruggetrokken, stond hem onbewegelijk met groote oogen aan te staren; het was alsof hij betooverd was. Dat was hij dus, de profeet des Heeren met die zielvolle oogen, die zoo diep in de waarheid zagen; dat was dus die onverschrokken, dappere man, die gedurfd had wat niemand had gewaagd; dat was hij dus, wien hij de redding uit zijn zielsangsten had te danken! Meester Dürer bleef schuw in zijn schuilhoek, om daar te luisteren naar de woorden, die Luther onder het eten met den Prior en zijn vriend Link wisselde. Toen hij echter, nadat hij had gegeten, opstond en een kloosterbroeder toeriep, dat de knecht de paarden moest voorbrengen, verzamelde Dürer al zijn moed, trad uit zijn schuilhoek te voorschijn en ging naar Dr. Maarten toe. "Eerwaarde heer Doctor, neem ook uit mijn mond een zegenbede op reis mee. Reeds sedert lang behoor ook ik tot hen, die u eeren en voor u bidden."
"Hoe heet gij?" vraagde Luther vriendelijk.
"Albrecht Dürer," was het antwoord.
Toen begonnen de groote oogen van den doctor te schitteren en met een geheel veranderden klank in zijn stem sprak hij: "Albrecht Dürer, gij, heerlijk kunstenaar, wees gegroet. Zie, ook ik heb u hartelijk lief en bewonder uw kunst, die mij reeds menig genot heeft bereid. God helpe u verder op den weg der waarheid, opdat gij daarin wordet bevestigd en de waarheid u vrij make!"
"Dat geve God!" antwoordde Dürer warm, "u evenwel, die door den Paus en de goddeloozen wordt bedreigd, beveel ik in de bescherming des Almachtigen, opdat gij over de boosheid uwer vijanden moogt zegevieren en het veld behouden."
"Heb dank, Meester Dürer!" antwoordde Luther innig en hij drukte den spreker de hand. "Mijn leven is in Gods hand en ik stel mijn vertrouwen op den levenden God; daarom vrees ik geen mensch, al was het de Paus of de duivel zelf."
Buiten in den kloostertuin, hoorde men hoefgetrappel; toen nam Luther van allen haastig afscheid, steeg te paard en draafde met zijn geleider weg. Men zag hem langen tijd na, totdat zij op de Wijnmarkt den hoek omsloegen en verdwenen.
"Heden is dit huis zaligheid geschied en mij ook," sprak Dürer, diep bewogen. "Nu weet ik het ook heel zeker, dat Doctor Maarten Luther de zwaan is, waarvan Johannes Hus stervend voorspelde, dat hij over honderd jaar zou komen. En ik bid van God, dat zijn voorspelling geheel moge worden vervuld; dat men, nadat men den gans misdadiglijk heeft gebraden, den zwaan ongebraden zal moeten laten!"
HOOFDSTUK XXVI.
EEN SPOTSCHRIFT.
De ontvangst, die Kardinaal Cajetanus te Rome te beurt viel, toen hij zonder den aartsketter thuis kwam, was niet bepaald aangenaam. Begrijpende, dat er met geweld niets viel uit te richten, wilde de Paus nu iets anders probeeren. Het duurde niet lang, of er kwam weer een pauselijk zaakgelastigde, die het slimmer aanlegde dan de onhandige Kardinaal, opdagen, iemand, die den klauw in fluweelen handschoenen verborg, terwijl hij trachtte den ketter door zijn gevlei te vangen. En bijna gelukte hem dat ook: hij bracht Luther er toe te beloven, dat hij zou zwijgen, indien zijn tegenstanders dit ook zouden doen. Doch deze konden hun mond niet houden en zoo was Luther ook van zijn belofte ontslagen.
Doctor Eck, professor te Ingolstadt, was de eerste, die den roem wenschte te behalen om den geweldigen Augustijner te overwinnen. De welbespraakte man wilde bij een dispuut in het openbaar bewijzen, dat Luther een leugenprofeet en een kind des duivels was. Wel is waar, daagde hij eerst niet Luther zelf tot een twistgesprek uit, maar den Wittenbergschen professor Karlstadt; doch eigenlijk had hij het toch op Luther voorzien en het gebeurde dan ook, dat, nadat hij te Leipzig Karlstadt met zijn kwakzalversstem het zwijgen had weten op te leggen, Doctor Maarten in het strijdperk trad, om een tweeden kamp te ondernemen.
De oogen van de geheele wereld waren op dit tweegevecht gericht en in groote spanning wachtte men op den uitslag.
Luther behaalde de overwinning en verkreeg daarbij veel nieuwe volgelingen; en niettegenstaande dat, ging Eck, die ijdele Eck, met opgericht hoofd zijn weg en deed alsof hij de overwinnaar was.
Doch daarmee wist hij alleen de aanhangers van Rome en de domme lieden te misleiden--de overigen waren vertoornd op den schetteraar en des te meer, toen men tot de overtuiging kwam, dat hij een doortrapt huichelaar was, die datgene, wat hij met veel drukte verdedigde, zelf in het geheel niet geloofde.
Wilibald Pirkheimers vrienden merkten in die dagen weinig van hem. Hij had zich in zijn studeervertrek teruggetrokken en schreef maar voortdurend.
Alleen Dürer en Doctor Bernard Adelmann werden nu en dan bij hem toegelaten en op hun vragen naar de oorzaak van zijn teruggetrokkenheid, antwoordde hij, dat hij geheel in beslag werd genomen door het bestudeeren van een Grieksch schrijver.
Eenige weken later zag een klein boekje het licht, getiteld: "der abgehobelte Eck" [24] een woordspeling op Ecks naam, die "hoek" beteekent. De naam van den schrijver en de plaats van uitgave waren er niet bij vermeld. Het was een bijtend spotschrift op den doctor uit Ingolstadt, waarin niet alleen de theoloog, maar ook de drinker en wellusteling Eck meedoogenloos aan de kaak werd gesteld.
De afgemaakte schuimbekte van woede. Hoe gemakkelijk had hij, die 's Pausen volmacht had, wraak kunnen nemen op den boosdoener, indien hij hem maar gekend had! Eck stelde alle middelen in het werk om er achter te komen.
Steeds las hij het geschrift op nieuw om er den schrijver van op te sporen.
Ha! daar meende hij iets te hebben ontdekt: het moest bepaald door iemand uit Neurenberg zijn geschreven, verschillende bijkomende omstandigheden verrieden dit.
Iemand uit Neurenberg--wie kon dat zijn? Wederom peinsde Eck en hij liet al de geleerden uit die stad aan zijn geest voorbijgaan. "Spengler?"--Neen, van hem verwacht ik die onhebbelijkheid niet; is er een ander die Latijn schrijft?--Pirkheimer?--
Op nieuw bestudeerde hij den stijl en nu ging hem op eenmaal een licht op--hoe was het mogelijk, dat hij zoo lang gezocht en geraden had! Uit die scherpe woorden keek hem Pirkheimers boosaardig lachend gezicht aan. En nu kwam er een onheilspellende gloed in de zwarte oogen en sissend klonk het tusschen de knarsende tanden: "Neem u in acht, Wilibald, wij rekenen nog eens met elkander af!"
Ook de leden van den Humanistenkring kwamen spoedig op hetzelfde spoor als Eck en verscheidene vragen werden er tot Pirkheimer over het auteurschap gericht, doch de wijze, waarop hij het ontkende, diende er slechts toe, om de verdenking te versterken!
Eck liet niets van zich merken en daardoor verdween langzamerhand alle vrees uit Pirkheimers hart. Ook werd de aandacht van dit geval na eenigen tijd afgeleid door een andere gewichtige gebeurtenis, die aller gedachten innam. Keizer Maximiliaan was in het begin van 't jaar 1519 gestorven en de Rijksvorsten beraadslaagden met elkander over de keuze van een troonopvolger.
In de laatste jaren van zijn leven had de afgestorvene de keurvorsten voor zijn kleinzoon Karel, den opvolger der Spaansche kroon, trachten te winnen, en de uitslag der verkiezing beantwoordde dan ook aan de wenschen van den ontslapene, al moest het velen verbazen, dat een man, die, in Spanje opgevoed, zelfs de Duitsche taal niet kende, het Duitsche Rijk zou regeeren en dat, terwijl hij nog een jongeling was, die pas twintig maal de rozen had zien bloeien.
Meer dan iemand anders betreurde meester Dürer het heengaan van den edelen, ridderlijken Maximiliaan. Met hem verloor hij een beschermer, van wien hij nog veel had verwacht: verdere opdrachten van kunstwerken en daarbij het jaargeld, dat hem voor zijn werken was beloofd. Wat kon hij in dit opzicht van den nieuwen keizer verwachten? Hij was hem geheel vreemd en ongetwijfeld zou hij in de eerste jaren heel wat anders te doen hebben dan de kunst te beschermen. Toch dacht Dürer er over, te trachten den nieuwen souverein te naderen en zoowel zijn vrouw als zijn vrienden versterkten hem in dit plan.
Deze overleggingen en zijn belangstelling in den gang der zaken op godsdienstig gebied brachten er toe bij, dat hij betrekkelijk weinig tijd aan de kunst wijdde. Nadat hij nog een tweede en grooter portret van Kardinaal Albrecht op diens verlangen had gemaakt, wenschte hij den dierbaren, overleden keizer te verheerlijken door een werk ter zijner herinnering te maken. Verscheidene malen schilderde hij 's keizers portret in olieverf en ten laatste wijdde hij aan de gedachtenis van den geliefden vorst een groote houtsnede, die zijn apotheose voorstelde, zijn opnemen in het Rijk der zaligen. In het voorhof des hemels knielt Keizer Maximiliaan voor God, den Vader, en legt schepter, zwaard en rijksappel, waarvan hij nu rekenschap moet geven, neder aan de voeten van den Heer der heirscharen. Rondom staan zes der voornaamste heiligen en schutspatronen als vrijpleiters geschaard. Onder het werk doelen vier latijnsche versregels op de beteekenis van het geheel.
Dürer had zijn geheele hart in dit werk gelegd en daarin het beste, wat hij had, gegeven; menige traan was op het papier gevallen, te meer daar nog een andere slag hem had getroffen en zijn hart had week gemaakt--zijn oude meester Wolgemut, dien hij als een vader had bemind en geëerd, was gestorven. Het diepe gevoel, dat de meester in dit werk had gelegd, het innig weemoedige, dat er uit sprak, miste zijn uitwerking dan ook niet en maakte ieder pas recht duidelijk, wat men aan Keizer Maximiliaan had verloren.
HOOFDSTUK XXVII.
IN DE NEDERLANDEN.
Wederom was de ruiter op het vale paard de poort van Neurenberg binnengereden, wederom woedde de pest in de stad.
Op straat heerschte doodsche stilte, overal was de werkkracht verlamd, slechts de doodgravers hadden werk in het zweet huns aanschijns. Geheele families stierven uit, geheele huizen werden ontvolkt. Hoe grooter de angst en ontzetting werd, des te grooter buit behaalde de pest en in de harten der menschen doodde de vrees alle liefde: ieder dacht slechts aan zich zelf en liet de overigen aan hun lot over.
Op zekeren morgen kwam bij Albrecht Dürer Wilibald Pirkheimer in reisgewaad. "Ik kom u vaarwel zeggen," sprak hij reeds op den drempel. "Te Neurenhof op het landgoed van mijn schoonvader is de lucht onbesmet; daar ben ik van plan te blijven totdat de ziekte is geweken.--Doch, ik zie dat gij ook op reis gaat?" vraagde hij, toen hij de kist zag, die Vrouwe Agnes juist bezig was te pakken.
Dürer knikte. "Ja, ook wij zijn van plan ons heil in de vlucht zoeken."
"En waar gaat gij naar toe?"
"De weg wordt mij aangewezen door een wensch, dien ik al lang heb gekoesterd; ik wil naar de Nederlanden tot den nieuwen keizer gaan, om mij in zijn bescherming aan te bevelen en van hem te verkrijgen, hetgeen mij door den dood van keizer Maximiliaan is ontgaan; het loon voor mijn werk tot een bedrag van 200 gulden en de verzekering, dat het jaargeld, hetwelk de gestorven keizer mij had toegestaan, mij steeds zal worden uitgekeerd. De nieuw verkozene is nu op reis in de Nederlanden, om vandaar voor de kroning naar Aken te gaan. Tegelijkertijd wilde ik een groet brengen aan de kunstbroeders in de Nederlanden en van hun kunstwerken genieten. Ik hoop ook vele mijner werken aan den man te brengen, om daardoor de reiskosten te kunnen betalen en door menig geschenk hoop ik mij beschermers en pleitbezorgers te verzekeren."
"Nu, God zij met u, mijn lieve vriend," sprak Pirkheimer bewogen, "en Hij vergunne ons, nadat de pest is overwonnen, elkaar in welstand terug te zien!"
Dürer en Vrouwe Agnes gaven hem wederkeerig hun heilbeden mede en nadat de keizerlijke raadsheer was vertrokken, ging Agnes voort met de toebereidselen voor de reis.
Dezen keer wilde Dürer zijn vrouw niet alleen achterlaten en zij ging gaarne met hem mee, want zij voelde een buitengewonen angst voor de pest.
Den volgenden morgen--het was de 12de Juli 1520--hield een reiskoets voor Dürers huis stil en het echtpaar, benevens hun meid Susanna, steeg er in.
In snellen draf ging het naar de Tiergärtnerpoort, om zoo gauw mogelijk uit de verpeste lucht te komen, en men ademde vrijer, toen de op grooten afstand zichtbare vesting van Neurenberg uit het gezicht verdween.
Eerst reed men naar Bamberg. Van den bisschop aldaar hoopte Dürer een vrijbrief te veroveren, om bevrijd te zijn van de lastige afpersingen en de groote uitgaven aan de tollen.
Een groote afbeelding der Madonna, de houtsneden uit de Openbaring van Johannes, het leven van Maria en verscheidene kopergravuren, die hij als geschenk aanbood, misten dan ook op den hoogwaarden heer hun uitwerking niet: Dürer kreeg, tegen betaling van een gulden, niet alleen een bewijs, dat hij ontslagen was van alle tolgelden, doch de bisschop stelde hem ook vrij van het gelag in de herbergen, dat een gulden bedroeg.
Hier ging de koetsier uit Neurenberg weer terug en gingen de reizigers in een schip om tot Mainz te varen.
De vrijbrief beantwoordde aan het doel: ongemoeid en zonder betalen kon men van de eene plaats naar de andere gaan. Tot Frankfort alleen had men zesentwintig tollen te passeeren, en als Dürer, zooals later op den Rijn, bij elken tol twee gulden had moeten betalen, zou het zijn beurs al heel slecht zijn bekomen.
In Frankfort had men een kort oponthoud. Jacob Heller, voor wien Dürer vroeger het groote altaarstuk had geschilderd, wilde den vereerden kunstenaar niet zoo spoedig laten vertrekken en schonk hem den eerewijn in de herberg.
Nog langer duurde het oponthoud te Mainz, waar een bepaalde wedijver ontstond, om Dürer met eerbewijzen te overladen en het gelukte hem pas den 23sten Juli verder te gaan en op een schip den Rijn af naar Keulen te reizen.
Daar had een vroolijk wederzien plaats met zijn neef Nicolaas, den zoon van zijns vaders broeder, die vroeger als goudsmid te Neurenberg was gevestigd geweest en later naar Keulen was verhuisd. Dürer moest evenwel zijn tijd verdeelen tusschen dit familielid en den heer Hieronymus Fugger uit Augsburg, die hier vertoefde en den kunstenaar met vriendschapsbewijzen overlaadde.
Verder ging de reis weer met koets en paarden naar Antwerpen, waar men den 2den Augustus goed en wel aankwam.
Welk een nieuwe wereld opende zich hier voor Dürers blikken, die nooit rust vonden. Dat mastenwoud in de haven der Schelde, dat bonte, drukke gewemel aan den oever! Het boeide hem zoo, dat hij snel papier en potlood greep om dit tooneel mee naar huis te kunnen nemen. Spoedig had men een herberg gevonden. De waard Jobst Plankfeldt was een aangename, goedhartige man en zijn vrouw was even rond als zij gedienstig was. Na enkele dagen voelden de vreemdelingen zich daar geheel thuis en vooral de vrouwen konden het best samen vinden. Zij zaten op een avond gezellig bij elkaar te babbelen aan het avondeten, toen de waardin sprak: "Wat is uw echtgenoot toch een wereldberoemd man! Dat zult gij hier in den vreemde eerst recht ondervinden."
Vrouwe Agnes voelde zich gevleid en zei glimlachend. "Ik verheug mij met hem in de eer, die men hem hier van alle zijden bewijst en vooral, omdat hier in den beker der vreugde geen bitteren droppel van nijd of afgunst wordt gemengd, zooals dat te Venetië gebeurde. Iedereen komt hem met liefde en oprechte bewondering tegemoet. En toch zou ik die beroemdheid bijna betreuren, want die berooft mij totaal van zijn gezelschap, zoo dat ik soms in eigen oogen een arme, verlaten weduwe ben. Als ik u niet had, zou het voor mij aangenamer zijn geweest om thuis te blijven."
"Gij moet niet ontevreden en onbillijk zijn, Vrouwe Dürer," knorde de waardin. "Zijt gij dan niet zelf tegenwoordig geweest bij het feest, dat onze schilders uw echtgenoot in hun gildekamer hebben aangeboden? En wie weet, hoeveel eerbewijzen nog voor u zijn weggelegd!" Het was werkelijk een prachtig feest geweest, dat het Antwerpsche schildersgild den Neurenberger meester had gegeven. Geheel onder den indruk daarvan was Dürer thuisgekomen en hij had het volgende in het dagboek zijner reis geschreven:
"Des Zondags, op St. Oswaldsdag, noodigden de schilders mij, mijn vrouw en de meid uit om in hun kamer te komen. Zij hadden overal zilver vaatwerk en veel pracht aangebracht en voor overheerlijke spijzen gezorgd. Hun vrouwen waren ook tegenwoordig en toen men mij naar tafel geleidde, stonden allen aan beide zijden geschaard, alsof ik een vorst was. Er waren zeer aanzienlijke personen onder hen, mannen, die diep eerbiedig voor mij bogen en zeiden, dat zij zooveel in hun vermogen was, wilden doen om het mij aangenaam te maken. En toen ik was aangezeten, kwam de bode van den Raad van Antwerpen met twee knechts, die mij uit naam van de raadsheeren twee kannen wijn aanboden; zij lieten mij zeggen, dat zij mij hiermee eer wilden bewijzen en hoopten, dat het mij aangenaam zou zijn. Ik betuigde hen mijn hartelijken dank en bood mijn diensten aan. En toen wij langen tijd vroolijk bij elkaar hadden gezeten en het laat in den nacht was geworden, deden zij ons de eer ons met fakkels naar huis te begeleiden en verzochten ons hun diensten te willen aannemen, want zij wilden mij gaarne in alles, wat mij genoegen kon doen, ter wille zijn. Ik dankte hen en ging naar bed."
In Antwerpen was veel te zien. In de eerste plaats maakte de schilderkunst aanspraak op Dürers belangstelling.
In Quinten Metsys leerde hij een kunstenaar, voor wien hij het hoofd moest ontblooten, kennen. Bijzonder genot verschafte hem het arsenaal, waar in de groote zaal de kunstenaars bezig waren de reusachtige triomfbogen, die dienst moesten doen bij den feestelijken intocht van Keizer Karel op den 25sten September, te schilderen. Vierhonderd bogen, elk veertig voet breed en twee verdiepingen hoog, zouden op straat worden opgericht--een reuzenwerk, wel waard te worden bewonderd.