Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 13

Chapter 133,912 wordsPublic domain

O almachtige God en Heer Vol aanbidding kniel ik neer Voor Jezus' lijden, voor Uw Zoon, Uw Eengeboorne, die het loon Voor onze schuld gedragen heeft. O God, ik bid, dat Gij mij geeft Over mijn zonden, diepe smart En leed. Och, reinig Gij mijn zondig hart! Gij hebt des overwinnaars troon, Ach, deel met mij uw eerekroon.

Dus had de vrome man door de diepte van zijn godsdienstig gemoed iets van de waarheid gevoeld. En nu lag voor hem Luthers boekje over het Onze Vader, hij kende het bijna geheel van buiten!

Ook nu hield het zijn geest bezig en stoorde het hem in zijn teekenwerk.

Daar begon de klok der Augustijnerkerk te luiden; hij stond op, deed zijn met bont omzoomden mantel om, zette zijn zwart fluweelen baret op en ging uit: hij wist, dat Wenzel Link zou preeken.

Over de Melkmarkt en de Wijnmarkt kwam hij spoedig aan het Augustijnerklooster. De kerk was overvol, niet alleen met monniken, maar ook met burgers, waarvan de voornaamste waren: Hieronymus Ebner, Hans Schopper, Lazarus Spengler en eenige anderen.

Link had den verloren zoon tot onderwerp gekozen en sprak over de groote liefde Gods, waarmee Hij in Christus den zondaar tegemoet komt en van het vertrouwen, waarmee de berouwvolle, boetvaardige zondaar zich zonder tusschenkomst van menschen in Gods geopende armen moet werpen.

Toen de dienst was afgeloopen en de kerk uitging, bleef Dürer nog met de aanzienlijke heeren achter, om met hen over het gehoorde, dat aller hart diep had getroffen, te blijven praten. Op eenmaal trof een gedruisch hun ooren; het was alsof er veel volk af- en aanliep.

Zij traden naar buiten om te zien, wat er te doen was en op het plein zagen zij een dichte menschenmassa, die steeds grooter werd en hoorden zij een stem, zonder evenwel te kunnen verstaan, wat die sprak.

"Wat is daar te doen?" vraagde Hieronymus Ebner aan den ouden Fröhlich, meester van het koperslagersgild, die zich uit het gedrang losmaakte.

"Er is een reizende koopman in de stad gekomen," vertelde deze, "die vreemde tijdingen brengt. Hij zegt, dat een zekere monnik, Martinus Luther uit Wittenberg, aan de deur van de slotkerk vijfennegentig stellingen heeft aangeplakt, om te protesteeren tegen den aflaat, waarmee de paus de geldbuidels ledigt en de zielen verderft. Dat heeft heel wat opzien verwekt. De man zegt, dat waar hij ook kwam en dit bericht meedeelde, het bij jongen en ouden, aanzienlijken en geringen, mannen en vrouwen grooten indruk maakte, dat er eindelijk iemand was, die het had gewaagd zijn stem te verheffen tegen die afschuwelijke geldklopperij en die niet vreesde den paus te trotseeren. Op vele plaatsen was het nieuwtje hem al vooruitgegaan en kende men reeds den inhoud der stellingen, die overal met vreugde werden gelezen. De man voegde er nog bij, dat hij regelrecht uit Wittenberg kwam en dat hij uit naam van een vriend van den monnik, verscheidene der stellingen tegen den aflaat bij den heer Christoffel Scheurl had afgegeven.

"Bij mij?" riep de kanselier blij verrast. "Zoo, dan ga ik dadelijk naar huis!" "Laat ons met u gaan," vraagde Dürer en de heeren gingen gezamenlijk naar de woning van den kanselier. Het was juist zooals de reiziger had gezegd. De vrouw van Scheurl kwam hen tegemoet en zeide: "Zie eens, man, wat een reiziger tijdens uw afwezigheid heeft gebracht!" Haastig verbrak Scheurl het omhulsel en haalde eenige papieren te voorschijn. Het waren tien stukken in het latijn geschreven en getiteld: Disputatie van Dr. Maarten Luther ter verklaring van de kracht van den aflaat.

"Lees toch!" riep Kaspar Nützel den kanselier toe en deze begon terstond, terwijl de anderen zich om hem schaarden om te luisteren.

Hij had nog slechts weinig gelezen, toen Dürer eensklaps uitriep: "O, God, help mij, ik voel mij zoo angstig!" Hij liep naar het venster, de handen tegen de borst gedrukt. Scheurl wenkte een bediende om een beker frisch water te halen, doch Dürer weigerde. "Water kan mij niet helpen; lees verder, verder!"

Scheurl ging door met lezen en bij elke zinsnede werd de spanning grooter. Toen hij eindelijk ophield, heerschte er een diepe, plechtige stilte, waarna Hieronymus Holzschuher het woord nam en sprak: "Deze eenvoudige monnik is een profeet des Allerhoogsten, hij heeft zijn stem verheven om der waarheid getuigenis te geven. Zie, het valt mij als schellen van de oogen! Langen tijd heb ik mij reeds geërgerd over dien misdadigen aflaathandel en het schaamtelooze bestelen van het volk. Nu begrijp ik ook, dat de aflaat, zooals de paus die beveelt, uit den booze is, zelfs wanneer men er geen geld voor behoeft te betalen."

Hieronymus Ebner gaf zijn instemming te kennen en voegde er zeer ernstig bij:

"Hus heeft men verbrand, evenzoo Savonarola, misschien wordt er weldra een derde brandstapel opgericht. "Dat verhoede God!" riep Dürer uit en een donker rood bedekte zijn gelaat. "Zou de tijd dan nog niet zijn aangebroken, dat de Heer zich over het arme Christenvolk erbarmt? Reeds sinds den eersten keer, dat ik van Maarten Luther heb gehoord, was mijn ziel het met hem eens en er sprak in mij een stem: "hij is het, die de waarheid heeft!" Zou God het nog eenmaal dulden, dat de Satan het werktuig in Zijn hand verbrijzelt? O, ik wenschte steeds meer van Luther te hooren en mij door hem in de waarheid te laten leiden. Want nu ben ik nog als iemand, die lang in het duister heeft gezeten en met verblinde oogen hulpeloos in het schelle daglicht rondtast."

Kaspar Nützel, die tot nu toe in stilzwijgen en gepeins verzonken had gestaan, richtte zich nu plotseling op en zeide: "Luther heeft een vreemde taal gebruikt, omdat hij het allereerst voor de geleerden heeft gesproken; maar zijn prediking is voor het gansche volk bestemd--ik zal hem te hulp komen en haar in het Duitsch uitgeven."

Dit vond algemeenen bijval en men drong er op aan, als het mogelijk was, dat hij nog dienzelfden dag met het vertalen zou beginnen.

Nützel bleef den ganschen nacht doorwerken, zoodat hij den volgenden morgen reeds naar Anton Koburger, den drukker, kon gaan en slechts weinige dagen later wist geheel Neurenberg, dat Luthers stellingen tegen den aflaat in het Duitsch waren verschenen.

Men haastte zich naar de drukkerij en in een ommezien was de geheele voorraad uitverkocht. In de huizen, in de herbergen, bij de drinkputten, in de werkplaatsen, overal hoorde men spreken over den Wittenberger monnik en zijn stellingen, en de opgewondenheid werd nog grooter, toen men van doortrekkende reizigers vernam, dat Luther met zijn prediking het gansche rijk in rep en roer had gebracht. Wenzel Link, de Augustijner pater sprak nu met nog meer vrijmoedigheid van den kansel en al de kloosterlingen trokken partij voor hun ordebroeder in Wittenberg.

Dürers werkplaats bleef leeg; de meester liet zich daar niet zien. Hij zat boven in zijn kamertje met afgesloten deur; zelfs zijn vrouw mocht hem niet storen. Hij wilde alleen zijn met God in den strijd om licht en waarheid.

En ziet, de strijd eindigde in overwinning.

Dr. Maarten Luther had hem den blinddoek van de oogen genomen; nu wist hij, wat het is, dat elk Christen voor zijner ziele zaligheid van noode heeft te weten: dat 's menschen hoop op de eeuwige zaligheid berust op Gods genade in Christus alleen en op niets anders. Het stond daar immers klaar en duidelijk: de paus kan slechts aflaat geven van die straffen, welke hij zelf heeft opgelegd, dus de tijdelijke kerkelijke straffen. Zijn macht strekt zich niet tot hemel en hel uit; het is een valsche meening, door de onwaardige handelaars in aflaatbrieven, verspreid. De paus kan geen zonden vergeven en niemand uit de hel verlossen; hij kan niets anders doen dan den menschen verkondigen, wat God uit genade en ter wille van Christus voor een boetvaardige ziel doet. Indien iemand oprecht berouw gevoelt, wil God hem volledig zijn schuld en straf kwijt schelden zonder een enkelen aflaatbrief.

Deze boodschap was voor Dürers ziel als morgendauw op de dorre weide. Hij was steeds zulk een ernstig, ijverig Christen geweest; hij kon zich beroepen op een groot aantal goede werken, die de kerk van hem vorderde en had daardoor toch niet gevonden, wat zij zocht. Nu zag hij op eens de leer der goede werken met geheel andere oogen aan: niet door verdienste, maar door genade ontvangen, was Luthers prediking en dat was hem een blijde boodschap. Zijn hart vond nu op eenmaal rust en zijn beangst gemoed werd plotseling getroost. En nu, nadat alles hem duidelijk was geworden, wilde hij het ook aan anderen openbaren en zijn vertrouwen in de waarheid van Luthers prediking werd versterkt, toen hij zag, hoe vurig ook Agnes' begeerte was om naar hem te luisteren en toen hij hoorde, hoe dankbaar zij was, dat ook haar ziel vrede daarbij vond.

Zijn blijdschap nam nog toe, toen ook Pirkheimer voor Luther in geestdrift geraakte, zoo zelfs, dat hij een brief aan Dr. Maarten schreef. O, hoe gaarne zou ook Dürer zijn hart voor den man Gods hebben uitgestort!

Met groote spanning volgde hij nu de wederwaardigheden van Luther, wien menige giftige pijl werd toegeslingerd. Kwam er een boekje uit van Luthers hand, dan was hij er dadelijk bij om daardoor steeds duidelijker de waarheid te leeren kennen, terwijl Luther zelf door de aanvallen zijner tegenpartijders stapsgewijze verder kwam in de erkentenis der waarheid.

Dürer voelde zich zoo opgewekt, zoo blijde; zijn ziel verblijdde zich in zulk een ongekend, zalig gevoel, als zelfs de hoogste lof der menschen over zijn kunst nooit bij hem had kunnen opwekken. Hij voelde zich gelukkig door den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.

HOOFDSTUK XXIV.

TE AUGSBURG.

Op een schoonen Junimorgen, toen de zon vroolijk scheen, reden drie aanzienlijke heeren te paard de Vrouwepoort van Neurenberg uit, op eenigen afstand gevolgd door zes kranige knechten, met zware valiezen beladen. Het waren de vertegenwoordigers der stad in den Rijksdag, dien Keizer Maximiliaan te Augsburg had bijeengeroepen: de raadsheer Kaspar Nützel, de stadssecretaris Lazarus Spengler en meester Albrecht Dürer. Eerst was het plan geweest, dat slechts de twee eerstgenoemden zouden gaan, later besloot men den laatste ook te zenden, om den keizer, bij wien Dürer in hooge eer stond, genoegen te doen.

"Het zal warm worden," beweerde meester Dürer na eenigen tijd, "de zon brandt reeds op mijn rug."

"In Augsburg zullen we het nog warmer krijgen," antwoordde Spengler lachend. "De belasting, die de paus eischt voor den strijd tegen de Turken, zal de hoofden der vorsten genoeg verhitten en de paus zal het ook benauwd krijgen, als hij de lange reeks klachten van de rijksvorsten over de geestelijkheid verneemt."

"Zou men den heiligen Vader die belasting toestaan?" vraagde Nützel.

De stadssecretaris haalde de schouders op. "Men stelt hier den eenen eisch tegenover den anderen. Als de paus aan de klachten der Duitschers geen gehoor geeft, kan hij elke gedachte aan een oorlog tegen de Turken gerust op zijde zetten. Ik voor mij geloof trouwens, dat de Turken slechts een voorwendsel zijn, om op nieuw geld uit de zakken der Duitschers te kloppen, nadat Luther voor de aflaatkramers de markt heeft bedorven. De bedoelde Turken zullen wel in Italië huizen."

"Nu gij toch van Luther spreekt," zei Dürer, "zal het mij benieuwen of zijn zaak in den Rijksdag zal worden behandeld."

"In den Rijksdag?" vraagde Spengler. "We hebben genoeg andere zaken te behandelen, maar als het mocht gebeuren, ben ik overtuigd, dat de keurvorst van Saksen zich het lot van zijn landgenoot wel zal aantrekken, want Luther staat bij hem hoog in de gunst."

Nu het gesprek op de theologie was gekomen, raakten zij daarin zoo ernstig verdiept, dat de lange rit hun bijzonder kort scheen.

Bij de poort van Augsburg scheidden zij om elk hun logies op te zoeken: Kaspar Nützel begaf zich naar het paleis van den rijken Fugger, Lazarus Spengler naar zijn collega Konrad Peutinger en meester Dürer naar het Augustijnerklooster te St. Ulrich.

De Neurenberger vertegenwoordigers behoorden tot de eerste, die te Augsburg verschenen. Elken dag kwamen er nu meer: de Duitsche vorsten en prelaten verschenen met hun gevolg, allen in statigen optocht en eindelijk kwam Zijn keizerlijke Majesteit.

Den volgenden dag kwamen allen, nadat zij gezamenlijk de mis hadden bijgewoond, met den keizer bijeen in de groote zaal van het paleis en de Rijksdag was geopend.

Eenigen tijd daarna keerde meester Dürer in opgewonden stemming naar het klooster terug en deelde aan de monniken mede, dat hij overmorgen voor Zijn Majesteit moest verschijnen, om diens portret te maken. De monniken verheugden zich niet weinig hierover, en waren nu nog trotscher op hun gast, met wien zij reeds tegenover andere geestelijke orden hadden gepronkt.

Des Maandags na den dag aan Johannes den Dooper gewijd, werd meester Dürer in het keizerlijk paleis ontboden.

Zijn hart klopte luid: nu zou hij de eer hebben, hem, den machtigen keizer van het groote Duitsche Rijk, te mogen afbeelden, den vorst, voor wien hij ook als liefhebber en beschermer der kunst hooge achting koesterde.

Met den dienaar, die hem begeleidde, ging hij door den tuin van het paleis en trad, langs de menigte keizerlijke hofbeambten en dienaren met hun van goud schitterende livreien, op het voorportaal toe. Zij gingen de breede trap op, door een zaal heen en kwamen daarna aan klein kamertje. De bediende opende de deur en liet Dürer binnen, die nu voor Zijn keizerlijke Majesteit stond.

Toen hij eerbiedig boog, kwam de keizer minzaam op hem toe en reikte hem de hand.

"Wees welkom, lieve meester! Het is mij recht aangenaam hem, die mij reeds zooveel genot heeft bereid, te mogen zien. Wilt gij nu maar dadelijk aan het werk gaan om keizer Maximiliaans beeltenis aan de wereld te laten zien."

Tegelijkertijd zette hij zijn fluweelen baret op, sloeg een lichten mantel om en ging zitten. Dürer nam een papier te voorschijn en teekende met houtskool het bijna levensgroote portret des keizers.

Nog geen uur was voorbijgegaan, toen de kunstenaar voor den keizer boog, om hem te danken, dat het hem vergund was geweest den hoogstgeplaatsten man der wereld in beeld te brengen. Hoogst verwonderd stond de keizer op. "Hoe, zijt gij nu reeds klaar?"

Hij bekeek de teekening en zag toen zijn beeltenis, geniaal uitgevoerd, zoo natuurgetrouw en zoo volkomen waar, dat hem een kreet van blijde verrassing ontsnapte en hij in vervoering de hand des kunstenaars greep om die hartelijk te drukken.

Dürer verzocht de teekening eerst mee naar huis te mogen nemen, om hier en daar nog wat bij te werken; hij zou haar dan den volgenden dag aan Zijn Majesteit zenden. De keizer keurde dit goed en liet den kunstenaar niet vertrekken zonder hem nogmaals zijn bewondering te hebben betuigd.

Sedert dat oogenblik overstelpte men Dürer met arbeid, want door dit portret was zijn tegenwoordigheid te Augsburg algemeen bekend geworden. De rijke Patriciër, Jacob Fugger, noodigde Dürer uit bij hem te komen om zijn portret te maken, en zoo deed ook een aanzienlijke Augsburgsche dame, Sybilla Arztin. Een grootere opdracht gaf hem den geleerden en kunstlievenden stadssecretaris en keizerlijken raadsheer Dr. Konraad Peutinger, met wien hij later op zeer vertrouwelijken voet kwam, omdat hij in hem iemand, die wat het godsdienstige betrof het geheel met hem eens was, had gevonden. Zijn schetsboek vulde hij met portretten van de belangrijkste personen, die hij gedurende de zittingen van den Rijksdag in stilte teekende en waartoe behoorden: Keurvorst Frederik van Saksen, Keurvorst Joachim I van Brandenburg en diens zoon van denzelfden naam, de Paltsgraaf Frederik, Vorst Wolfgang van Anhalt, Bisschop Bernard van Triënte, de Abten van St. Paul in Lavanthal en van het klooster Heilsbronn. Het portret van Ridder Ulrich van Hutten teekende hij zelfs tweemaal.

De Augustijner monniken van St. Ulrich drongen er bij den kunstenaar op aan, dat hij een geschenk als herinnering zou achterlaten; vriendelijk willigde hij hun verzoek in en schilderde de portretten van een groot aantal kloosterlingen.

Vele weken waren sinds dien tijd voorbijgegaan.

Op een avond in het begin van Augustus kwam Dürer in bijzonder opgewekte stemming thuis en vertelde hij aan tafel: "Vandaag is mij weder een groote eer te beurt gevallen: de Aartsbisschop van Maagdenburg en Mainz, primaat en eerste kanselier van het Duitsche Rijk, die op den Rijksdag hier van den heiligen Vader den kardinaalshoed heeft ontvangen, heeft mij bij zich ontboden en mij gevraagd zijn portret te maken. Dat heb ik nu vandaag gedaan en daarna hebben we nog eenige uren heel vertrouwelijk gepraat. Welk een aangenaam man is hij! Met welk een liefde en verstand spreekt hij over de kunst, waarvoor hij geen geld ontziet! Hij heeft een aanzienlijke schat reliquieën in zijn kerk te Halle bijeengebracht en voor het portret, waarover hij uiterst tevreden is, heeft hij mij terstond twee honderd gouden guldens uitbetaald, en mij nog twintig el damast gegeven voor een kleed, dat ik juist noodig heb."

"En ziet, er is mij heden nog iets anders overkomen. Het is mij weer vergund geweest bij den keizer te verschijnen om met hem te spreken over den triomfwagen, dien ik voor hem heb geteekend. Er waren juist veel vorsten bij hem, die allen even minzaam tegen mij waren. De keizer wilde, dat ik een ridderhelm zou teekenen en toen ik daarmee bezig was, kwam hij er bij, nam het stuk houtskool uit mijn hand en zei, dat hij het zelf ook eens wilde probeeren. Maar terwijl hij zijn best deed, brak het stuk houtskool herhaaldelijk en het wilde in het geheel niet gelukken--hij gaf het mij dus maar weer terug en ik maakte de teekening gauw af. De keizer moest er om lachen en vraagde: "Hoe komt het toch, dat bij mij de houtskool voortdurend breekt en bij u nooit?" En omdat de keizer zoo minzaam en gewoon met mij praatte, werd mijn moed groot en ik antwoordde: "Allergenadigste Keizer, ik zou niet wenschen, dat Uw Majesteit even goed kon teekenen als ik.""

De toehoorders zagen elkaar daarop bedenkelijk aan en een hunner zeide: "Dat was een haastig, onbedacht woord. Hoe nam de keizer het op?"

Dürer glimlachte. "Hij begreep, dat ik er mee wilde zeggen: Gij, Keizer, hebt over een ander rijk te gebieden en moeilijker plichten te vervullen dan één van ons. Daarom reikte hij mij vriendelijk de hand en ik mocht heengaan, zonder in ongenade te zijn gevallen."

De prior was onder Dürers verhalen stil geworden; nu nam hij het woord en sprak:

"Ik begrijp, dat 's keizers gunst u verheugt en gelukkig maakt en ik verblijd mij daarin met u; maar het verbaast mij, dat de vriend en volgeling van Luther met zooveel lof over diens tegenstander spreekt en hem met zijn kunst dient. Is het niet juist kardinaal Albrecht, die den eersten stoot aan de geheele beweging heeft gegeven, toen hij Tetzel uitzond met die aflaatkist?"

Dürer zag den prior een oogenblik ontsteld aan, daarop sprak hij: "Ik heb wel gedacht aan hetgeen de kardinaal, wat den aflaat betreft, heeft gedaan en het diep betreurd. Het is jammer, dat de man zich daarmee heeft afgegeven. Hij is overigens zulk een kiesch, uiterst ontwikkeld en hoogdenkend man, een vriend van kunsten en wetenschappen. -- -- --"

"En een verkwister!" viel de prior hem met donkeren blik in de rede. "Zijn geldbuidel is altijd leeg en hij heeft Tetzel uitgezonden alleen om zijn beurs te vullen."

"Misschien heeft hij niet geweten, wat hij deed," zei Dürer verontschuldigend, "en is daarom op hem het woord van onzen Heiland van toepassing, dat men het hem moet vergeven. Misschien heeft hij zelf het verkeerde reeds ingezien en stelt hij perk aan dien afschuwelijken handel. Mij dunkt, dat hij meer vorst dan bisschop is en van de leer der kerk niet veel weet, zooals vele anderen, die den bisschopsstaf dragen. Indien hij het bestuur over wereldsche aangelegenheden had, dan -- -- --"

Hier werd de spreker in de rede gevallen door een monnik, die met een uitdrukking van schrik en toorn op het gelaat, naar binnen stortte en riep: "Er loopt een slechte tijding door de stad: de leeuw heft den klauw omhoog, om den adelaar te verscheuren."

Plotseling stonden allen van hun zitplaatsen op en verdrongen zich om den binnengekomene met de vraag, wat dit moest beteekenen.

De monnik hief zijn gebalde vuisten omhoog en riep met donderende stem: "Wee u, Leo, wanneer uw hand zich met het bloed der heiligen bevlekt!--Gij moet dan weten, broeders, dat er uit Rome een gezant van den paus is gekomen, om Luther te bevelen binnen zestig dagen voor den pauselijken stoel te verschijnen--dat beteekent dus: in een gevangenis te verdwijnen--en den paus nog dankbaar den voet te kussen voor de genade, dat hij hem den brandstapel heeft bespaard!"

Er ontstond een groote opgewondenheid; aller gelaat gloeide en men sprak wild door elkaar, want de Augustijner monniken van St. Ulrich te Augsburg hadden allen partij gekozen voor hun Wittenberger kloosterbroeder en waren trotsch op hem.

Dürer was eveneens diep getroffen. Hij ging naar zijn slaapvertrek en legde zich te bed, om daar lang tot God te bidden en den bedreigde in de bescherming des Almachtigen aan te bevelen.

Er heerschte een geweldige oproerigheid in Augsburg gedurende de volgende dagen en de pauselijke gezant zag welk een groot deel van het volk op Luthers hand was.

De opgewondenheid bedaarde dan ook niet, voordat men over Luthers lot gerust kon zijn, omdat zoowel de Universiteit van Wittenberg als de keurvorst Frederik van Saksen, voor den monnik beslist in de bres waren gesprongen en het hadden doorgezet, dat zijn zaak op Duitsch grondgebied zou worden uitgevochten en wel te Augsburg op den Rijksdag, terwijl de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, tegen wil en dank zich bereid moest verklaren, aldaar den ketter te woord te staan.

Men was daarmee tevreden gesteld; vooral ook nu de pauselijke zaakgelastigde, den keurvorst op diens aandringen, had beloofd met zachtmoedigheid en rechtvaardigheid tegenover den Augustijner monnik te werk te gaan.

Brandend van ongeduld wachtte Dürer het oogenblik af, waarop de man Gods, die zijn ziel uit groote benauwdheid had gered, Augsburg zou betreden; hij hoopte hem dan met eigen oogen te zien en misschien zelfs met hem te spreken.

Maar de eene week na de andere verliep en Luther verscheen niet--men hoorde zelfs beweren, dat hij pas zou komen wanneer de Rijksdag al het andere zou hebben behandeld, en dat was nog heel veel. Dürer kon evenwel tot zijn groote spijt zoo lang niet wachten; hij had van huis tijdingen ontvangen, die hem tegen de helft van September naar Neurenberg riepen.

HOOFDSTUK XXV.

BEVREDIGD VERLANGEN.

Er waren bijna vier weken voorbijgegaan, toen op zekeren avond de meid meester Dürer bij zijn thuiskomst berichtte, dat de secretaris van den Raad er was geweest en ten hoogste had betreurd meester Dürer uit te vinden. Hij had er bij gevoegd, dat in geval deze spoedig thuis mocht komen, hij dadelijk naar het Augustijnerklooster moest gaan.

Terstond ging Dürer er dus weer op uit en liep met groote stappen naar het genoemde klooster.

Hij vond al de broeders bij elkaar in de groote eetzaal.

"O, waarom waart gij zoo straks niet hier, Meester Dürer," riep de prior den binnentredende toe. "Nu is het te laat!"

"Wat is er gebeurd?" vraagde Dürer ontsteld.

De prior kwam naderbij, reikte hem de hand en zei: "Hij, dien gij zoozeer hebt verlangd te aanschouwen, zat een uur geleden hier op deze plaats."

"Luther?" vraagde meester Dürer snel.

"Ja, Luther," bevestigde de prior. "Wij hebben hem gezien, wij hebben met hem gesproken--o, ik zegen den dag, waarop de gezegende des Heeren onzen drempel heeft overschreden."