Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 12
Den volgenden morgen zag men een statigen man, met een edel, bezield, fijnbesneden gelaat van de Veste komen. Het was Johannes Stabius, Zijner Majesteits Kroniekschrijver en vertrouwd raadgever, een door en door geleerd man, die ook groote mathematische kundigheden bezat en als dichter veel lauweren had verworven. Hij richtte zijn schreden westwaarts, naar het plein bij de Tiergärtnerpoort en liet op Dürers huisdeur den klopper driemaal vallen.
De meester, die hem had zien aankomen, snelde de trap af en deed zelf de deur voor hem open.
Beide mannen vestigden een onderzoekenden blik op elkaar en op elks gelaat was de achting, die de een den ander inboezemde, te lezen.
De gezant des Keizers gaf zijn innige vreugde te kennen, dat het hem nu vergund was, kennis te maken, met een man, wiens roem wijd en zijd was verbreid en meester Dürer, wederkeerig, boog eerbiedig voor hem, wien het was vergund zich in den zonneschijn van 's Keizers gunst te koesteren.
Stabius verzocht meester Dürer, die hem uitnoodigde in de pronkkamer te gaan, hem naar zijn werkplaats te brengen en nadat hij over het daar aanwezige schilderwerk zijn groote bewondering had uitgesproken, nam hij naast den meester plaats en deelde hem mee, dat hij niet alleen was gekomen om den alom gevierden kunstenaar te zien, maar ook op bevel van Zijn Majesteit, uit wiens naam hij hem een opdracht kwam doen.
"Waarschijnlijk weet gij, waarde meester, dat de keizer zich met vlijt en ijver op kunsten en wetenschappen toelegt en hoe ingenomen hij is met alles, wat den geest ontwikkelt en het hart verheft. Menig dichter en kunstenaar heeft hij den spoorslag gegeven tot nieuwe scheppingen en zelf hen daartoe in de gelegenheid gesteld. Nu heeft hij een plan, dat moet dienen tot zijn eigen verheerlijking: er moet een kunstwerk, dat alle andere van dezen aard in pracht en grootte moet overtreffen, worden geleverd. Zelf heeft hij het "den Triomf" genoemd en hij wil, dat het in twee werken wordt uitgevoerd; het eerste moet een eerepoort en het tweede een triomftocht voorstellen. En u heeft hij uitgekozen om het kunstwerk te volbrengen, waarde Meester Dürer--daarom vraag ik u nu, of gij daartoe geneigd zijt." Dürer boog eerbiedig en drukte zijn dankbaarheid uit over de eer hem bewezen. Daarna vraagde hij op welke wijze en in welken vorm zijn keizerlijke Majesteit het kunstwerk wenschte uitgevoerd.
"De keizer wil, dat gij er een houtsnede van maakt," antwoordde Stabius, "en de oppervlakte moet ongeveer tien voet in de hoogte en negen in de breedte bedragen."
In zijn hart was Dürer ontsteld, toen hij dit hoorde. In der haast berekende hij, dat daartoe tachtig of negentig stukken hout (beukenhout), die aan elkaar moesten worden gevoegd, noodig zouden zijn. Doch juist dit moeilijke van de opdracht had een bijzondere bekoring voor hem, en daarom herhaalde hij zijn bereidwilligheid om aan 's keizers wensch te voldoen. Stabius drukte hem hartelijk de hand en bleef nu nog eenigen tijd.
De beide mannen waren spoedig in een gesprek verdiept en Dürer leerde in Stabius iemand kennen, die een scherp verstand en uitgebreide kennis bezat, vol geestdrift voor en verstand van de kunst, met wien het een waar genot was om te praten. Den volgenden avond verscheen Stabius weder en zoo ging het al de volgende dagen, zoo lang de keizer in Neurenberg vertoefde; en er ontstond tusschen den geleerde en den kunstenaar een innig vriendschappelijke verhouding, waarvan Pirkheimer bijna jaloersch werd. Ja zelfs, toen de keizer eindelijk vertrok, liet hij zijn raadgever, op diens verzoek, achter, om meester Dürer behulpzaam te zijn bij de plannen voor de eerepoort.
Dürer begon nu spoedig met de voorbereidende werkzaamheden, maar hij kon slechts enkele uren per dag daaraan besteden, want eerst moesten de beide keizersportretten klaar zijn. Dat gebeurde spoedig daarop en de stad bezat nu weer een kleinood meer. Vooral de beeltenis van Karel den Groote was boven allen lof verheven.
Toen Stabius het schilderij na de voltooiing zag, trad hij ontroerd een schrede achteruit; hij herkende in het gelaat zijn eigen trekken! De hand van den kunstenaar, in wiens hart de beeltenis van zijn vriend leefde, had onwillekeurig dat beeld op het doek gebracht.
Nu had Dürer meer tijd om zich aan de keizerlijke opdracht te wijden. Maar deze hield zooveel in, dat er jaren verliepen, voordat de teekeningen zoover waren, dat zij aan den houtsnijder konden worden toevertrouwd, vooral omdat er zooveel ander werk tusschen door liep.
Wederom was geheel Neurenberg één en al verbazing en verwondering. Zoo iets had men nog nooit gezien! Op tweeënnegentig stukken hout, die aan elkaar waren gevoegd, had Dürer, met onvergelijkelijke nauwkeurigheid, de teekening met pen en potlood gemaakt, om haar daarna voor het snijden aan den bekwaamsten kunstenaar op dat gebied, Hieronymus Andree toe te vertrouwen.
De teekening, die tien en een halven voet hoog en negen voet breed was, stelde een eerepoort van drie bogen voor. De middelste, die ook de grootste is, heet: "de poort der Macht en Eere," daarboven verheft zich de stamboom van het Oostenrijksche huis naast 102 wapens van de ondergeschikte landen. Boven de beide zijbogen, dien van den "lof" en dien van den "adel" zijn, in vierentwintig teekeningen, voorvallen uit het leven van Keizer Maximiliaan weergegeven.
Toen deze het werk te zien kreeg, drukte hij Stabius de beide handen, alsof deze het was, die het had gemaakt en het was goed, dat Dürer er niet bij was, anders had hij wel eens hoogmoedig kunnen worden door dien bovenmatigen lof uit 's keizers mond.
Zijn Majesteit antwoordde hem met de toezegging van een jaargeld van 100 gulden, dat Dürer levenslang van de aan het rijk verschuldigde stadsbelasting van Neurenberg zou worden uitbetaald.
HOOFDSTUK XXII.
SMART EN VREUGDE.
Dicht naast de groeve, waar de oude goudsmid, meester Dürer, op het Sebaldus-kerkhof rustte, was een nieuwe grafkuil geopend en daarin werd op St. Liborius, den 17den Mei van het jaar 1514, een lijkkist neergelaten.
Het was Vrouwe Barbara, de weduwe van den ouden meester, die men ten grave bracht. Velen waren op de begraafplaats tegenwoordig om de gestorvene de laatste eer te bewijzen en hun deelneming aan de achterblijvenden te betoonen. De kapelaan van de St. Sebalduskerk sprak bij de groeve de gebruikelijke gebeden en het gild der meesterzangers besloot de plechtigheid met een vroom lied.
Daarna verlieten allen het kerkhof, behalve de beide geestelijke zusters, die op den grafheuvel bleven om te waken en te bidden voor het zieleheil der afgestorvene en de nagelaten betrekkingen, die met een traan in het oog toezagen, hoe de doodgraversknechts de groeve verder vulden. Deze treurenden waren: meester Dürer met zijn vrouw en zijn beide broeders, Andreas en Hans. Andreas was kort geleden uit den vreemde naar Neurenberg teruggekeerd, om zich daar als meester in het goudsmidsgilde te laten opnemen. Hij was nog juist bij tijds gekomen om den laatsten zucht zijner moeder op te vangen en nog door haar te worden gezegend.
Zwijgend verlieten zij te zamen, nadat alles was afgeloopen, de gewijde plaats.
Juist toen zij het huis op het Tiergärtnerplein wilden binnengaan kwam hen een man tegemoet, wiens schoenen grijs van het stof waren en die, beleefd groetend, zijn hoed afnam. Verrast keek Dürer op, en er kwam plotseling een andere uitdrukking in zijn oogen, als een zonnestraal uit donkere wolken. "Zijt gij het, beste Schäufelein? Hoe had ik dat kunnen denken!"
Schäufelein schudde hem de hand. "Ach, dat ik u zoo moet terugvinden, lieve meester! Ik hoopte allen vroolijk en wel hier te zullen ontmoeten en nu zie ik een diep bedroefd man voor mij! Ik neem hartelijk deel in uw leed--de Heer trooste u!" Men ging naar binnen--de nieuw aangekomene begroette nu ook de anderen en betuigde zijn blijdschap ook Andreas terug te zien. Daarna vraagde hij dringend alles omtrent de afgestorvene te mogen hooren, want hij had haar hartelijk liefgehad en het deed meester Dürer goed, zijn hart aan een deelnemen den vriend te kunnen uitstorten.
"Gij moet weten," begon hij, "dat verleden jaar dinsdags voor de week voor Paschen, mijne arme moeder plotseling zoo ernstig ongesteld werd, dat wij de deur harer kamer moesten openbreken, omdat wij, daar zij zelf niet kon opendoen, anders niet bij haar konden komen. Wij brachten haar in een benedenvertrek en men voorzag haar van de H. Sacramenten der stervenden, want iedereen dacht, dat zij zou heengaan. Sedert vaders dood was zij nog al gezond geweest, ofschoon zij vroeger wel eens had gesukkeld, ja, zelfs een aanval van de pest te doorstaan had gehad en nog vele andere wederwaardigheden en verdriet had ondervonden, die zij steeds met groote zachtmoedigheid en zonder eenige bitterheid had verdragen. Och, zij was toch een bijzonder vrome vrouw! Gij weet zelf hoe trouw zij ter kerke ging en hoe liefderijk zij voor mij en mijn broeder heeft gezorgd en ons steeds vermaande vroom en rein van handel en wandel te blijven. Haar barmhartigheid en zelfverloochenende liefde jegens alle menschen kan ik nimmer genoeg prijzen en geen wonder, dat zij bij allen bemind was.
"Evenwel nadat zij ten volle was bediend, is zij toch nog niet gestorven, maar is zij nog meer dan een jaar ziek gebleven, totdat zij gisteren, twee uur voor middernacht, als een ware Christin is gestorven, voorzien van alle sacramenten met absolutie van pijn en schuld, door de macht aan den paus geschonken. Voordat zij stierf, gaf zij mij haar zegen, wenschte zij mij den vrede Gods toe en gaf mij vele ernstige vermaningen om de zonde te ontvlieden. Zij wenschte nog den Johanneszegen [22] te drinken, wat zij ook deed. Zij heeft een moeilijken doodsstrijd gehad en ik bemerkte, dat zij iets vreeselijks zag, want zij begeerde wijwater, nadat zij in langen tijd niet had gesproken. Toen braken haar oogen en ik zag, dat zij tweemaal hevige schokken kreeg en dat zij haar mond en oogen van pijn toekneep. Ik bad luide voor haar en mijn hart leed daarbij onnoemelijk veel! God zij haar genadig!"
"Ave, pia anima!" fluisterde Schäufelein vroom en hij begon daarop ook de afgestorvene te prijzen en zooveel goeds van haar te zeggen, dat zoowel meester Dürer als de anderen de tranen in de oogen kregen.
Later, nadat de maaltijd was afgeloopen, zonder dat er veel woorden waren gewisseld, moest Schäufelein vertellen, wat hem zelf gedurende zijn afwezigheid was wedervaren. Hij had daarbij opmerkzame toehoorders, die zich hartelijk over al het goede, dat zijn deel was geweest, verheugden en over zijn vooruitgang op het gebied der kunst. Met gespannen aandacht luisterde Dürer, toen hij vertelde, dat hij ook te Rome was geweest en hem had gezien, dien allen verafgoodden, den heerlijken Rafael.
"Hoe?" riep Dürer, "hebt gij hem van aangezicht tot aangezicht gezien? O, wat zijt gij gelukkig! Reeds lang heb ik vurig verlangd hem te mogen aanschouwen, hem, den eenige, den onvergelijkelijke, den lieveling des pausen en den bewonderde der gansche wereld!"
Er kwam een bijzondere glans in Schäufeleins oogen. "Hoor, hoe twee groote mannen denzelfden wensch koesteren! Want gij moet weten, dat Rafael eveneens vurig verlangt hem te zien, dien hij den Duitschen Apelles noemt."
Een hoogrood bedekte Dürers gelaat, en zijn oogen werden vochtig, terwijl hij halfluid vraagde: "Hoe weet gij dat?"
"Uit zijn eigen mond," verzekerde Schäufelein. "Ik had den toegang tot zijn werkplaats gekregen en mijn hart begon sneller te kloppen, toen ik onder de vele schilderijen, ook verscheidene bekende tegenkwam, met het monogram A. D. En toen ik zeide, hoezeer mij dat verraste en verheugde, omdat ik langen tijd bij meester Dürer als gezel was werkzaam geweest, greep Rafael op eens mijn hand en sprak: "O, dan zijt gij mij dubbel welkom en mijn blijdschap zou volkomen zijn geweest, als hij u had vergezeld." Toen heeft hij u nog hoog geprezen en mij verteld, dat hij reeds door Marcantonio Raimondi, die sedert vier jaren zijn werken op koper graveert, de uwe had leeren kennen. Deze is het ook, die uw kleine Passie op koper heeft nagegraveerd en nog meer andere werken. En luister; ik wil u nog iets zeggen" en daarbij schoof hij zijn stoel nog wat nader: "Ik zag in Rafaels werkplaats een tekening, die bijna voltooid was, en waaraan hij juist bezig scheen geweest. Ternauwernood durfde ik mijn oogen vertrouwen, want wat zag ik daar? Het was een kruisdraging van den Heer Jezus, bijna geheel zooals gij die hebt voorgesteld in de groote Passie. De Heiland onder het kruishout neergezonken en steunend op zijn arm, scheen mij volkomen gelijk behandeld zoo als gij het deed, lieve meester. Eveneens de overige figuren en de rangschikking; het kwam mij voor, dat Rafael u daarin heeft gevolgd. In elk geval heeft hem uw werk voor den geest gezweefd en zijt gij zijn voorbeeld geweest."
Bewogen greep Dürer Schäufeleins hand: "O, ik dank u, beste Schäufelein, ik dank u! Wat gij mij daar zegt is als een lichtstraal in den nacht van mijn rouw. Maar nu is mijn begeerte, om dien heerlijken kunstenaar te zien, nog grooter geworden. Ach, dien wensch zal ik mede in het graf moeten nemen, want hoe zouden Neurenberg en Rome bij elkaar kunnen komen?"
En nu drong Dürer er bij Schäufelein op aan, hem nog meer van Rafael te vertellen, van zijn uiterlijk en zijn werken, van zijn verhouding tot den paus en van zijn leven, totdat Wilibald Pirkheimer en andere vrienden en vriendinnen kwamen om hun deelneming aan de treurenden te betuigen.
Intusschen ging Schäufelein met Hans en Sebaldus Beham, den gezel, die juist uit de stad was thuis gekomen, in Dürers werkplaats en hij werd niet moede te hooren van alles, wat de meester in de laatste jaren, sedert de beide gezellen waren ontslagen, had gewerkt. Hans kwam er nooit mee klaar; want telkens als hij dacht alles te hebben opgenoemd, schoot hem weer iets te binnen, dat hij had vergeten. "Het is een onuitputtelijke bron," zei Schäufelein eindelijk. "Mogen al de lieve heiligen, die hij in zijn werken verheerlijkt, hem beschermen en sterken en hem nog vele jaren levens schenken!"-- -- --
Er was bijna een jaar na deze gebeurtenis voorbijgegaan, toen bij Dürer een vreemdeling binnentrad, wiens uiterlijk zijn zuidelijke afkomst verried, want twee ravenzwarte oogen keken uit zijn gebruind gelaat en dik, zwart, krullend haar golfde om zijn slapen.
"Wees gegroet, Heer!" sprak hij met een beleefde buiging. "Zijt gij meester Albrecht Dürer?"
"Die ben ik," antwoordde de aangesprokene. "Wat wenscht gij van mij?"
"Ik kom van zeer ver," zeide de man, "het is een lange weg van Rome naar Neurenberg. Ik breng een boodschap van meester Rafael aan meester Dürer."
"Wat zegt gij?" riep Dürer, wiens penseel uit zijn hand viel. "O wees welkom onder mijn dak. Wat zendt mij de meester aller meesters?"
"Zijn groet en ook dit," antwoordde de man, terwijl hij een rol papier uit zijn tasch nam. "Het heeft slechts kleine waarde," sprak hij, die mij tot u zond, "maar meester Dürer zal het vriendelijk van mij willen aannemen, als hij hoort, hoe hartelijk ik verlang hem iets van mijn hand te geven."
Met bevende vingers vouwde Dürer den rol open en aanschouwde een met rood krijt geteekende figuur in krijgsdos. Zijn oogen bleven met een teedere uitdrukking er op rusten; met diepen eerbied vervuld, beschouwde hij deze teekening van den grooten man.
Na een lang stilzwijgen sprak hij: "Ik wil hem danken en gij, gij zult ook mijn boodschapper zijn. Blijf nog eenigen tijd om de stad te zien, dan zal ik u weder laten teruggaan met mijn tegengeschenk."
Zes dagen later was Rafaels boodschapper weder gereed voor de terugreis. In zijn reistasch had hij den dank van den Duitschen meester geborgen; Dürer wilde Rafael niet de een of andere teekening, die hij had liggen, zenden, maar zich zelf; hij wilde den buitenlandschen meester niet alleen iets van zijn hand laten zien, maar zijn beeltenis zoodanig op doek geschilderd, dat het op beide kanten zichtbaar was.
Een schittering kwam in Rafaels oogen, toen hij hem zag, dien hij zoo hoog vereerde, en tot zijn dood toe hield hij het portret in hooge eer.
HOOFDSTUK XXIII.
UIT DE DUISTERNIS TOT HET LICHT.
Het was een sombere Novembermorgen van het jaar 1517. Een dikke mist belette de zon door te dringen tot in de straten en pleinen van Neurenberg.
Meester Dürer zat in zijn werkplaats te teekenen. Keizer Maximiliaan was dit jaar weer in Neurenberg geweest en had den meester, over wiens "Poort der Eere" hij hoogst tevreden was, opgedragen om op het tweede groote stuk, "de Triomf," als voornaamste deel een triomfwagen te schilderen naar plannen, die Zijn Majesteit zelf had ontworpen. De zoo prachtig mogelijk versierde wagen, door zes paarden getrokken, moest achterin voorzien zijn van een hooge zitplaats, waarop de keizer zou troonen in vol ornaat, met zijn jonge gemalin, Maria van Bourgondië; voor de beide Majesteiten moest koning Filips de Schoone zitten tusschen zijn zuster en zijn echtgenoot, voor hen zijn zoons, de aartshertogen Karel en Ferdinand en geheel voorin hun zusters. Het was Wilibald Pirkheimer opgedragen om met Dürer deze keizerlijke gedachten in artistieken vorm te gieten en meester Albrecht was juist bezig de met vriend Wilibald veranderde plannen op het papier te teekenen. Doch het werk wilde vandaag niet goed vlotten. Het licht was zoo slecht, dat hij niets kon zien op de plaats, waar hij gewoonlijk zat, en aan een kleine tafel dicht bij het venster moest gaan zitten om beter te kunnen zien. Maar het was niet alleen dat, wat hem bij zijn schepping hinderde. In zijn geheele wezen en in zijn gebaren lag een bijzondere rusteloosheid; naast hem lag een boekje, waarin hij nu en dan een blik wierp en dan verzonk hij in diep gepeins. Het boekje was getiteld: "Het heilige Onze Vader, verklaard door Dr. Maarten Luther." [23] Hij had het gekregen van Christoffel Scheurl, den man, die hem indertijd te Bologna had verwelkomd, daarna tot professor in de rechtsgeleerdheid te Wittenberg was benoemd en nu als rechterlijk plaatsvervanger in Neurenberg een aanzienlijke plaats innam. Door hem had hij veel gehoord over dezen merkwaardigen man, die in Saksen en ook verder in het land veel van zich deed spreken, dien Augustijner monnik en professor in de theologie aan de, door den keurvorst Frederik den Wijze gestichte, hoogeschool te Wittenberg. Van het begin af aan had Dürer een levendige belangstelling gekoesterd voor dezen uitstekenden geleerde en hij had ook vlijtig bestudeerd de preeken van Pater Wenzel Link, die, in nauwe vriendschapsbetrekking tot Luther staande, reeds sinds den tijd, dat ze samen in het klooster te Erfurt waren, sedert eenigen tijd in het Augustijner klooster te Neurenberg was. Deze preeken hadden een diepen indruk op hem gemaakt en een hevigen storm in hem verwekt. Als een trouw zoon zijner kerk en met een vroom hart had hij tot nu toe gewandeld volgens de geboden van den pauselijken stoel en voor het oog der menschen vlekkeloos geleefd; ja, hij had zich de grootste achting verworven, niet alleen als kunstenaar, maar ook als mensch;--nu begon hij te twijfelen, of de weg, dien de kerk aanwees, wel de rechte was. En zijn twijfel nam nog toe, als hij dacht aan den gruwel der verwoesting aan het heilige gepleegd en het diepgaande verderf der kerk zag, dat hem reeds jaren geleden stof tot zijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes had gegeven. En hij was niet de eenige te Neurenberg die deze dingen bepeinsde; andere burgers en juist de beste en edelste, voelden hun hart ook onrustig kloppen. Als hij naar de prediking van Pater Link in de Augustijnerkerk ging, kon hij er zeker van zijn den kanselier Scheurl, den voortreffelijken secretaris van den raad en den syndicus Lazarus Spengler te vinden en van de patriciërs de heeren Hieronymus, Ebner, Kaspar Nützel en Hieronymus Holzschuher. Ook Wilibald Pirkheimer voegde zich bij hen; maar hij uitte zich op eenigszins andere wijze. Hij behoorde tot de zoogenaamde Humanisten, een kring van geleerden, die in het herleefd klassieke tijdvak de wereld vonden, waarin hun geest zich bewoog en van dit standpunt uit trokken zij te velde, zoowel tegen het wetenschappelijk ongevormde, als tegen het bijgeloof van hun tijd. Men legde Pirkheimer ten laste, dat hij had meegewerkt aan de "brieven van de mannen der duisternis," die in goed geslaagde navolging van het slechte latijn der monniken den bedelmonnik met zijn grenzenlooze domheid en schaamtelooze onzedelijkheid aan de kaak stelden. Wilibald Pirkheimer verkneukelde zich hierin en hij genoot van het algemeene gelach, dat deze brieven verwekten. Zijn wapens tegen het verderf van den tijd waren geestigheid en spotternij, en zijn hart nam er slechts in zoover deel aan, dat hij zich verheugde over de nederlaag van zijn tegenpartij. Eens was zijn gevoel opgekomen tegen Meester Wolgemuts "Pausezel" als tegen een te ruwe, onridderlijke wijze van strijden, nu plaatste hij zich eigenlijk op hetzelfde standpunt.
Bij Dürer was het geheel iets anders. Den hoog ernstigen, innig vromen man stond het schreien nader dan het lachen; het gold voor hem iets, dat hem diep ter harte ging. Dag en nacht hield de gedachte hem bezig: wat moet ik doen, opdat ik zalig worde, en de vraag: is de weg, die de kerk wijst, de goede weg?
Hoe langer hij naar de preeken van Link luisterde, des te meer begon hij aan de waarheid der leer van Rome te twijfelen en bij dezen diep nadenkenden en met ware vroomheid bezielden man, won de twijfel te meer veld omdat hij reeds sedert langen tijd als bij instinct een duister voorgevoel der waarheid van het evangelie bij zich had omgedragen. Wel is waar had hij tot nu toe in zijn kunst in hooge mate de Maagd Maria, die volgens het algemeene begrip van dien tijd, als koningin des hemels en der wereld werd vereerd, verheerlijkt; men bad tot haar als tot de eeuwige beschermvrouw van het menschdom, die ellendige zondaars de straf voor hun zonden kwijt scheldt, ongeneeselijke kwalen geneest, de aarde doet draaien, de zon het licht schenkt, de wereld regeert en de hel doet beven. Niet alleen in zijn "leven van Maria," maar ook in de talrijke afbeeldingen der Madonna, waarvan er meer dan twintig bestonden, had hij de afgodische vereering van dit kind der menschen, in de hand gewerkt. Maar als men deze werken nauwkeuriger bezag, kon men zien, dat het niet in des kunstenaars bedoeling lag deze afgoderij te bevorderen. Wie oogen heeft om te zien, ziet dat de Maagd Maria in Dürers werken niet de hoofdpersoon is: het goddelijke Kind is het waarom alles draait. Hij wordt door allen gediend, door de engelen en de heiligen en tegelijk met Hem ook zij, die Hem ter wereld bracht. Niet met een stralenkrans verschijnt Maria daar, maar als een echt menschenkind, ja, als een ware Neurenbergsche huismoeder in Neurenberger kleederdracht. In haar oogen leest men de liefde voor haar kind. Zij laaft het met haar moedermelk in zalige verrukking, zij verheugt zich met Hem, zij lijdt met Hem. Zij is niet verheven boven het algemeene lot van vergankelijkheid en verval, zooals de Italiaansche schilders haar, als in eeuwige jeugd bloeiende, voorstellen, maar zij wordt oud en zwak; met gebogen gestalte omvat zij haar gepijnigden Zoon, onmachtig ligt de oude, grijze vrouw neder aan den voet van het kruis.
Zoo had dus een godsdienstig juist gevoel meester Dürers hand bestuurd en hier en daar waren deze onbewuste gewaarwordingen ook in woorden voor den dag gekomen. Boven het eerste zijner rijmen, die hij in het jaar 1509 had gemaakt, stond geschreven: "Elke ziel, die het eeuwige leven heeft, wordt verkwikt door Jezus Christus, die twee naturen in één persoon vereenigt, de goddelijke en de menschelijke, hetgeen men alleen door de genade kan gelooven en door het natuurlijk verstand nimmer kan worden begrepen." Bij zijn Passie-gravuren had hij dit gevoegd: