Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 11

Chapter 113,865 wordsPublic domain

Geheel Frankfort verdrong zich naar de Dominicanerkerk, toen het in de stad bekend werd, dat de schilderij, die door Jacob Heller was geschonken, was aangekomen en op het altaar van den H. Thomas prijkte! Iedereen was vol geestdrift, vooral de gever zelf, die bij den bedongen prijs nog een kostbaar gouden sieraad voor Vrouwe Agnes voegde. Dürer had in zijn "leven van Maria," hetzelfde onderwerp behandeld, maar welk een ontzettend groot verschil tusschen de kleine, zwarte houtsnede en het groote, van kleuren schitterende altaarstuk! In Italië verkondigde het Rozenkransfeest des meesters roem, maar op vaderlandschen bodem sprak dit tweede werk nog luider, want de schilderij te Frankfort overtrof die van Venetië door de levendige actie van alle figuren en de groote zuiverheid der teekening.

In een kring staan de apostelen geschaard om het geopende graf van Maria, met een uitgestrekt, heerlijk landschap op den achtergrond. Johannes in het wit gekleed, buigt zich over de groeve, waarin hij staart. Rondom het graf staan sommige der apostelen, andere liggen geknield en allen heffen het gelaat hemelwaarts. De met groote zorg afgewerkte schilderachtige drapeering hunner gewaden, wedijvert in schoonheid met de fijn gevoelde kleurschakeering, die elk oog, ook het minst ontwikkelde, in verrukking moet brengen. Boven in de wolken des hemels zweeft Maria, die ten hemel vaart; zij heeft een blauw gewaad aan en een witte sluier omgeeft haar. Aan weerszijden houden God, de Vader, en Christus, de Zoon, de kroon des levens boven haar hoofd. God is voorgesteld als een vriendelijke grijsaard in goud en geelbruin kleed en Christus in purper gewaad als een overwinnaar en als de Rechter der wereld. Boven deze groep verschijnt in hellen lichtglans de H. Geest in den vorm eener duif, terwijl rondom een koor van engelen hun halleluja's met harpspel begeleiden.

Dit is het middenstuk van het altaarschilderij, het hoofdmotief van het geheel. De twee zijvleugels, het martelaarschap van Jacobus en van de H. Catherina voorstellend, en met de beeltenissen van den gever Jacob Heller en van zijn vrouw Catherina von Mehlen versierd, stonden, hoe voortreffelijk ook van teekening, in de uitvoering achter bij het middenvak. Zij waren dan ook slechts als bijwerk bedoeld, maar juist daardoor waren zij geschikt om het effect van het voornaamste gedeelte te verhoogen.

Terwijl geheel Frankfort nog in verrukking was over het meesterstuk van den Neurenberger kunstenaar en hem luide prees, was diens hand alweer bezig aan een nieuw, groot werk. Een Neurenbergsche burger had hem een altaarschilderij besteld voor de kapel van het door hem opgerichte Twaalfbroedershuis. En met waar genot greep Dürer deze gelegenheid aan om zijn geboorteplaats metterdaad zijn dank te bewijzen voor de eer hem aangedaan, om hem tot raadslid te verkiezen en nu een kunstwerk te scheppen, dat al de vorige nog zou overtreffen.

Wel had hij zich voorgenomen geen groote paneelschilderingen meer te leveren, omdat de geringe sommen, die men er voor betaalde, tijd en moeite niet beloonden en hij daardoor weldra in geldelijke moeilijkheden zou komen; daarom was hij van plan in het vervolg voornamelijk zijn kunst in houtsneden, kopergravuren en etsen te geven, op welk gebied hij nieuwe vorderingen en ontdekkingen had gemaakt. Maar het was hem, om den genoemden reden, onmogelijk de opdracht van meester Mattheus Landauer te weigeren en daarom besloot hij zijn minder omvangrijken arbeid voor de avonduren te houden, hoewel dat bij het walmende kaarslicht zeer inspannend moest zijn. Door den vurigen wensch om zijn geboorteplaats het beste, wat hij had, te geven, kreeg zijn geest nieuwe gedachten en ontving zijn genie nieuwe openbaringen. En had hij reeds zijn uiterste zorg aan het Frankfortsche schilderij besteed, hier steeg die tot in het overdrevene.

Reeds de vorm van het werk was nieuw. Het was geen vleugelaltaarstuk, maar een enkel paneel met een lijst, die de kunstenaar zelf had ontworpen en gemodelleerd. Dit bouwkunstig prachtwerk was uit hout gesneden en op zich zelf een meesterstuk. Op het vak in het ronde bovenstuk der lijst zit de Heiland, als Rechter der wereld, tusschen Johannes en Maria, terwijl op de beide hoeken twee engelen de bazuinen van het jongste gericht blazen. Daaronder op de fries ziet men het oordeel der wereld afgebeeld, de scheiding tusschen boozen en goeden. Dit bovenstuk wordt gedragen door twee Corinthische zuilen, met bewonderenswaardige fijnheid uitgevoerd.

Dürer had voor de schilderij, die in deze heerlijke omlijsting zou worden gevat, hetzelfde onderwerp gekozen als Rafael terzelfde tijd te Rome, namelijk: de aanbidding der H. Drievuldigheid. Doch welk een verschil tusschen zijn opvatting en die van den Italiaan! Rafael schilderde voor de aanzienlijken en geleerden; Dürer voor allen, die met een beangst en verslagen hart troost bij den Heer zoeken; hij beoogde niet aesthetisch genot, maar wilde door zijn werk het gebroken hart genezen en bemoedigen en leverde dus dat, wat een waar altaarstuk moet zijn: een prediking in kleuren, een troost voor vermoeiden en belasten.

En hoe goed was hem nu zijn prediking gelukt! Er lag een gouden gloed, als ochtendzonneschijn in Mei op de schepping, over het geheel verspreid. Alles schijnt bovenaardsch, het is alsof men niet met tastbare verf te doen heeft, maar alsof het een hemelsch luchtbeeld is. En de groepeering van het geheel! Het oog wordt niet getrokken door afzonderlijke deelen, maar het kan het geheel met één blik omvatten, zooveel harmonie is er in de rangschikking, zooveel eenheid in de stemming, die er in ligt uitgesproken! En nu de wemelende menigte der zaligen des hemels, die de H. Drievuldigheid aanbidden, evenals de Christengemeente op aarde, van den paus en den keizer af tot den landman met zijn dorschvleugel toe--hoe weerspiegelt op al die verschillende gezichten dit eene gevoel, dat aller hart bezielt, de jubel van het schepsel over de teweeggebrachte verlossing! En eindelijk, hoe eigenaardig is de opvatting en het weergeven van het goddelijk geheim der Drievuldigheid: God, de vader, boven wiens hoofd de H. Geest in de gestalte van een duif zweeft in stralenden glans, houdt naar beneden de groote, zalige verborgenheid; het bloedende en stervende Lam Gods aan het kruis genageld!

Deze schilderij maakte een overweldigenden indruk. Behalve de stadgenooten kwamen ook vele vreemdelingen om dit hooggeprezen wonder van menschelijke kunst met eigen oogen te zien, en met diepgevoelde voldoening en vrome dankbaarheid jegens God, die hem deze heerlijke gave had verleend, zag de meester op het gelaat der beschouwers dat wat hij had begeerd te voorschijn te roepen, weerspiegeld: vroomheid en aanbidding.

HOOFDSTUK XX.

SCHILDER EN DICHTER.

"Wie was dat toch, die van morgen vroeg zoo lang bij u in de werkplaats is geweest?" vraagde Vrouwe Agnes op zekeren dag aan haar echtgenoot. "Hij zag er zoo voornaam uit."

"Ja, daarin hebt gij gelijk," antwoordde Dürer, "het was Ulrich Fugger, een man uit een der oudste en rijkste families van Augsburg. Hij is eerst naar de Allerheiligenkapel gegaan om het schilderij te zien en daarna is hij bij mij gekomen om te vragen, of ik voor hem ook zulk een stuk wil schilderen."

Vrouwe Agnes kon haar ontsteltenis niet verbergen en vraagde snel: "En hebt gij het beloofd? Gij kunt zoo moeilijk iemand iets weigeren."

Glimlachend legde Dürer zijn hand op haar arm. "Wees niet bezorgd; dezen keer is uw man niet zwak geweest. Die heer uit Augsburg heeft getracht mij te vangen, door mij den grootst mogelijken lof toe te zwaaien, maar ik heb dapper weerstand geboden, want ik ben vast besloten geen groote paneelschilderingen meer te maken, daar zij slecht worden betaald en mij dikwijls ook nog ergernis en verdriet berokkenen."

"Heeft Bisschop Johan van Breslau nu eindelijk zijn schuld afgedaan?" vraagde Catherina, de zuster van Vrouwe Agnes, die er bij tegenwoordig was. "Ik herinner mij, dat gij u beklaagdet, omdat hij steeds uitstelde het mooie schilderij van Maria, dat hij bij u kocht, te betalen."

"Eindelijk, na drie jaar," antwoordde Dürer, "is hij er toe overgegaan om mij te betalen en het zou toen zeker nog niet zijn gebeurd, als zijn geheimschrijver, Johannes Hessus, een Neurenberger, mij niet had geholpen. Hij schreef mij, dat de bisschop zich volstrekt niet meer herinnerde voor welken prijs wij het eens waren geworden. En daarom wil ik met die aanzienlijke heeren niets meer te maken hebben en mij weer meer gaan bekommeren om het volk, waaraan ik mij in de laatste jaren te weinig heb laten gelegen liggen. Met dat doel voor oogen wil ik mijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes op nieuw uitgeven; en ook andere houtsneden en kopergravuren, waarvan ik het meerendeel reeds sinds lang klaar heb, met nieuwe platen vermeerderen, zooals het leven van Maria, en de groote en kleine Passie, de eerste op koper gegraveerd en de laatste als houtsneden. Het leven van Maria telt nu twintig teekeningen; de groote Passie twaalf en de kleine zevenendertig. Daarmee geloof ik het Duitsche volk beter van dienst te kunnen zijn dan met mijn groote altaarschilderijen en het is tegelijkertijd voordeeliger voor het onderhoud van mijn gezin.--Maar nu heb ik nog een bijzonder plan in mijn hoofd: ik wilde de teekeningen niet als losse bladen uitgeven, maar bij elkaar gebonden in een boek en voorzien van bijschriften, opdat de minst ontwikkelde hun beteekenis en doel zouden kunnen begrijpen. Mijn goede vriend, Pater Chelidonius van de Benedictijnen is mij daarin behulpzaam en heeft mooie versregels daarvoor gemaakt, die bij elke teekening van de groote en kleine Passie zullen worden gedrukt. Op die wijze zullen het meditatieboeken worden ter bevordering van het zieleheil.--En nog iets anders wil ik u vertellen, beste Catherina, als gij het ten minste niet reeds door Agnes hebt gehoord: Anton Koburger, mijn peter, zal mij helpen aan een drukpers, die ik in mijn eigen huis wil opstellen, dan kan ik mijn werk zelf afdrukken. Hans en een der gezellen kunnen mij daarbij helpen, dan kunnen zij zich ook in die kunst oefenen."

Er werd op de deur geklopt en er trad een monnik binnen in de kleederdracht der Benedictijnen.

"Lupus in fabula!" riep Dürer vroolijk en hij reikte zijn vriend de hand.

"Daar juist sprak ik van u en nu staat gij in levende lijve voor mij! Wees hartelijk welkom!"

De pater zette zich aan de tafel en haalde een rol papier uit zijn pij te voorschijn:

"Zie eens, Meester, of gij over mijn werk tevreden zijt. Het eerste boekje is nu klaar; aan het andere wilde ik niet beginnen, voordat ik uw oordeel had gehoord."

Dürer nam het papier en las eenige oogenblikken in stilte, daarop reikte hij over de tafel den monnik de hand. "Gij hebt mij begrepen, zoo heb ik het bedoeld. Ga maar op deze wijze voort, dan zullen mijn teekeningen ingang vinden bij het volk en goed worden begrepen.--Gij zijt een uitstekend poëet, beste Chelidonius! Ik zal uw verzen aan mijn vriend Pirkheimer laten lezen, hij zal zeker daarmee zijn ingenomen."

De meid bracht op een wenk van Vrouwe Agnes een kan wijn binnen en de vrouw des huizes vulde de kleine, tinnen kroezen met het druivensap. Toen kwamen allen in de beste stemming, vooral meester Dürer, die het gezelschap aangenaam onderhield met te vertellen, wat hem in Venetië was overkomen. Maar eensklaps liet hij dit onderwerp varen en zich tot den monnik keerend, zei hij: "Ook ik ben eenige jaren geleden begonnen mij in uw kunst te oefenen en heb het gewaagd versregels aan elkaar te lijmen."

Verbaasd keek de pater hem aan. "Zijn dan de Muzen zoo mild geweest om u alle gaven in den schoot te werpen?"

Dürer moest lachen. "Wees niet te voorbarig met uw lof; ik ben al genoeg bestraft, omdat ik mij op vreemd terrein heb gewaagd, vooral door mijn vriend Pirkheimer. 't Is nu twee jaar geleden, dat ik mijn eerste rijmpjes heb gemaakt. Het waren slechts twee regels en ik had goed geteld, de eene had evenveel lettergrepen als de andere, en daarom dacht ik, dat het goed was, het versje was als volgt:

Gij aller englen spiegel en Verlosser van de zonden. Om mij hebt gij zulk bitter lijden en den dood gevonden.

"Toen ik dit aan mijn vriend Pirkheimer liet zien, lachte hij mij uit en zei, dat elke regel niet meer dan vier voeten of acht lettergrepen mocht hebben. Daaraan gedachtig, ging ik dadelijk weer aan het werk en rijmde achttien regels bij elkaar, waarin ik God vraagde om de acht gaven der wijsheid.

"Het begon zoo:

Bidt om der wijsheid gaven acht, God geen naarstig bidder veracht. Met recht wordt een man wijs genoemd, Die niet op geld of armoe roemt.

"En zoo ging het door. Nu meende ik zeker te kunnen zijn van de goedkeuring van den hooggeleerden heer Pirkheimer, maar ik vergiste mij: hij begon weer dadelijk te spotten en te vitten. Ik dacht dat hij mij die kunst misgunde en ging daarom naar den heer Lazarus Spengler, den Secretaris der stad, daar hoopte ik een zachter en rechtvaardiger oordeel te vinden. Maar ook die verwachting werd bedrogen, want hij wroette in mijn verzen als een everzwijn in een wijnberg en zond mij de totaal veranderde verzen weer terug met een spotdicht er bij, waarvan ik mij het begin nog heel goed herinner:

Ofschoon men vaak door vele lieden De vreemdste dingen ziet geschieden, Waarover men verbaasd moet staan, Zoo wil ik u iets zeggen gaan, Dat uwe lachlust op zal wekken En u tot groot vermaak zal strekken. En daarom zeg ik: luister dan! Gij, allen, kent gewis een man Met langen baard en krullend haar, Een nooit volprezen kunstenaar Met teekenstift en met penseel, Aan roem en eer heeft hij ruim deel, In ieders achting hoog gerezen! En daar hij schrijven kan en lezen, Is hij zich waarlijk gaan verbeelden: In woord en rijm iets af te beelden Speelt hij ook, als een dichter, klaar, Nu rijmt hij verzen bij elkaar. Maar hoe hij rijmt, het gaat niet vlot! En 'k vrees gewis, dat aan het slot Hem wacht des schoenenmakerslot.

"En dan wordt er verder verhaald van een schoenmaker, die een schilderij bekijkt, dat door een schilder in de zon was geplaatst om te drogen en die tot den kunstenaar zegt, dat de schoenen die hij heeft geschilderd niet goed zijn. Daarop verbetert de schilder de fout, die hem wordt aangewezen en zet het stuk weer in de zon. Nu waagt de schoenmaker in zijn overmoed ook aanmerkingen op de plooien in de kleederen te maken--maar daarover wordt de schilder boos en vraagt, of hij zich verbeeldt ook kleermaker te zijn en hij roept hem toe: schoenmaker, blijf bij uw leest! En na dit verhaal besluit de heer Spengler zijn gedicht aldus:

Ik zeg daarom tot dezen man, Die zoo voortreflijk schildren kan: Laat mij u raden, blijf daarbij, Dan ducht gij geene spotternij."

"Hoe onaardig van hem; ik had zoo iets in het geheel niet van den heer Spengler verwacht," riep Catherina uit en juist wilde Vrouwe Agnes in den zelfden geest lucht geven aan haar verontwaardiging, toen Dürer, hartelijk lachende, vervolgde:

"Wees maar niet boos op hem, ik heb het hem betaald gezet, want terstond heb ik de pen weer opgenomen en hem het volgende hekeldicht gezonden:

't Is wetenswaardig wel gewis, Dat in Neurenberg een schrijver is, Die zich zelf vindt een kranig man, Omdat hij missiven schrijven kan.

"En daarop heb ik hem ruim zijn deel gegeven en hem bij een notaris vergeleken, die maar één enkel formulier voor zijn akten er op nahoudt en zich daardoor de spotternij der menschen op den hals heeft gehaald. Daarna heb ik hem nog meer getrotseerd en gezegd, dat ik niet alleen verzen wilde schrijven, maar mij ook met de artsenijkunde zou gaan bemoeien en tegelijkertijd heb ik allerlei recepten van schilderspreperaten voor hem opgeschreven en ben op deze wijze geëindigd:

En al lacht die schrijver nog zoo luid, Met dichten scheid ik toch niet uit; Dat zegt die gebaarde, langharige schilder Tot den spotlustigen schrijver."

Er was wel een beetje angst in de vragende blikken, die zich daarop op den spreker richten en Catherina vraagde haastig: "En hoe heeft de heer Spengler die woorden opgenomen?"

"Juist zooals zij waren bedoeld," antwoordde Dürer glimlachend: "als een grap en we zijn altijd goede vrienden gebleven. Pirkheimer is later ook tot andere gedachten gekomen; toen hij zag, dat het mij ernst was om mij op de dichtkunst toe te leggen, heeft hij mij geholpen om den vorm mijner verzen mooier en sierlijker te maken. En nu zal ik u ook maar vertellen, dat ik een heele verzameling verzen, die niemand ooit heeft gelezen, in mijn cassette heb, maar die weldra het licht zullen zien tegelijk met de teekeningen, die ik er bij heb gemaakt tot nut en leering van het volk."

Men drong er op aan, dat Dürer ze voor den dag zou halen, maar hij bleef weigeren. "Hebt een weinig geduld--als ik mijn drukpers heb en zelf drukker ben geworden, dan moogt gij zoowel de dichtregels als de platen zien."--En werkelijk werden de rijmspreuken met de daarbij behoorende houtsneden na eenigen tijd uitgegeven--het waren vlugschriften, die veel goeds stichtten.

Maar het volk ontving met nog meer vreugde de andere teekeningen, die Dürer op zijn drukpers had afgedrukt en de wereld ingezonden; vooral oefende de groote en de kleine Passie een machtigen invloed uit en predikten de lijdensgeschiedenis op betere wijze dan eenig priester het van den kansel deed.

HOOFDSTUK XXI.

KUNSTENAAR EN KEIZER.

Op een Januaridag van het jaar 1512 heerschte er groote bedrijvigheid in Pirkheimers huis. De meiden en de kok waren druk bezig in de keuken en de heerlijke geur, die zich van daar uit verspreidde, verried, dat er uitgezochte spijzen werden toebereid. Evenveel drukte heerschte er in den wijnkelder, terwijl vier bedienden in de groote zaal de tafel dekten. De heer des huizes was weder voornemens eenige gasten aan den maaltijd te vereenigen, een gewoonte, die hij had aangenomen sinds zijn vrouw was overleden en hij zich eenzaam en verlaten gevoelde.

Gewoonlijk was het aantal genoodigden niet groot, maar daarom des te meer uitgezocht. Hij verzamelde aan zijn tafel mannen, die hoog stonden op geestelijk gebied en met wie deze wetenschappelijk uitstekend ontwikkelde, fijngevoelende en voor het schoone bezielde man, naar hartelust kon redeneeren.

Meester Dürer was altijd de eerste, die een uitnoodiging kreeg, want de vriendschapsbanden, die de beide mannen vereenigden, waren met de jaren nog vaster geworden. Het was opmerkenswaardig, dat Pirkheimer, die door zijn trots, zijn onverbiddelijkheid en heftigheid zich vele vijanden maakte en zich in den raad nooit bijzonder bemind had weten te maken, ja, zich zelfs de haat van velen op den hals had gehaald, met Albrecht Dürer steeds in de hartelijkste verhouding leefde; nooit zweefde er een wolkje aan den hemel hunner vriendschap.

Pirkheimer stond voor het venster te wachten op den bediende, dien hij naar de Tiergärtnerstraat had gezonden om zijn vriend dringend te verzoeken, de weigering op zijn uitnoodiging in te trekken. Het was de eerste maal dat Dürer zich had laten verontschuldigen.

Eindelijk kwam de knecht terug, doch hij bracht hetzelfde antwoord mede: Meester Dürer was zoo overstelpt met werk, dat hij zich het genoegen om te komen moest ontzeggen.

Pirkheimer vernam met leedwezen deze boodschap en hij had nu maar half pleizier in den maaltijd.

Dürer had het werkelijk overdruk. De raad had hem de eervolle opdracht gedaan, om de zaal, waar de rijkskleinoodiën. gedurende de tentoonstelling te zien waren, te versieren met twee levensgroote portretten van Karel den Groote en van Keizer Sigismund, den souverein, die Neurenberg had uitverkoren tot bewaarplaats dezer schatten.

Reeds lang was Dürer bezig aan de voorbereidende studies voor deze schilderijen, toen in het begin van het jaar 1512 het bericht kwam, dat keizer Maximiliaan van plan was in het voorjaar zijn intocht te Neurenberg te houden, en eenigen tijd binnen de muren zijner trouwe Rijksstad te vertoeven.

Om nu tegen dien tijd klaar te kunnen zijn, werkte Dürer van den vroegen morgen tot den laten avond en met zooveel haast, dat zijn vrouw zich ongerust over hem maakte, want zijn wangen werden steeds bleeker, spijs en drank smaakten hem niet en een zenuwachtige onrust beletten hem 's nachts het slapen.

In het laatst van Januari was het portret van Keizer Sigismund een goed eind op streek, maar toch nog niet geheel af. Hij had het gelaat, om het zoo getrouw mogelijk naar waarheid weer te geven, naar een wapenzegel geschilderd, wat evenwel niet voordeelig voor het portret was, want de lange, spitse neus was niet bepaald bekoorlijk te noemen. Voor 't overige was Keizer Sigismund ook slechts als bijfiguur bedoeld en eischte daarom een minder zorgvuldige uitvoering; al zijn krachten wilde de kunstenaar besteden aan het hoofdfiguur, den grooten Karel, wiens gestalte nog slechts in schets was ontworpen en waaraan Sebaldus Beham, zijn nieuwe gezel, hem volstrekt niet behulpzaam mocht zijn.

Daar kwam op eens het bericht, dat de keizer reeds den 4den Februari zou komen en dus was alle haast en overijling te vergeefs geweest en teleurgesteld legde Dürer de penseelen terzijde om zich en zijn huis voor de komst des keizers gereed te maken, want zelfs in het kleinste straatje werden de woningen feestelijk versierd. Het was inderdaad verwonderlijk, hoe op eenmaal te midden van de sneeuw de straten in groenen voorjaarsdos pronkten, waartoe men het Lorenzer- en Sebalderwoud had geplunderd.

Natuurlijk waren die straten, waarlangs de keizer zijn intocht zou houden, het fraaist versierd: van de Spittlerpoort door de Smidstraat naar het plein, waarop de St. Jacobskerk stond, vandaar naar de Koornmarkt en over de Vleeschbrug naar de Heerenmarkt, en dan over de Visch- en Zoutmarkt naar de Veste. De poort was geheel met dennengroen versierd en van het bovenste gedeelte wapperden bonte vlaggen en wimpels en daarmee wedijverden alle huizen en kerken, langs welker steile gevels het groen zich als klimop naar boven slingerde. Het schoonst van alles was de eerepoort bij de Veste, op welker gevel sierlijke godenbeelden het keizerlijke wapen vasthielden, waarboven de keizerlijke vlag met den adelaar zich trotsch verhief.

Van hier tot aan de Spittlerpoort hadden de gilden in vol ornaat en de vertegenwoordigers der aanzienlijke families post gevat, terwijl al de leden van den raad voor de poort den keizer opwachtten.

Om negen uur in den morgen zag men in de verte de voorhoede van den keizerlijken stoet aangekomen en dadelijk begonnen al de klokken te luiden en weerklonk het geknal der donderbussen en het geschal der trompetten van de stadshoornblazers om aan het volk in de stad te verkondigen: Hij is in aantocht!

Maar nadat de voorste ruiters de poort waren binnengereden, duurde het nog geruimen tijd, voordat de keizerlijke Heer zelf verscheen. Daar kwam hij! Een zwarte hengst droeg de hoog opgerichte gestalte, een echt ridderfiguur,--zijn oogen zagen trotsch om zich heen, doch zijn mond glimlachte minzaam.

Bij de poort hield hij zijn paard in om den welkomstgroet van den raad te ontvangen, daarop bewoog zich de stoet, na enkele woorden van dank, onder het eindeloos gejubel van het volk, dat zich gedeeltelijk ook plaats had verschaft op de daken, door de verschillende straten naar de Veste, waar Zijn Majesteit verblijf zou houden.

's Middags verscheen Keizer Maximiliaan met zijn gevolg op het raadhuis, waar in de groote zaal een feestmaal was gereed gemaakt, en het behaagde hem daar te blijven tot laat in den avond.