Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 10
Omgeven door een zonnig landschap, zit de H. Maagd op een troon. Haar lokken zijn goudblond en haar kleed is hemelsblauw; op haar schoot zit het Christuskind, terwijl twee zwevende engelen een gouden kroon boven haar hoofd houden. Rechts van den troon staat de H. Dominicus, die het gebruik van het rozenkransgebed invoerde; links ziet men nog andere engelen, die de gestalten, die rondom geknield liggen, met kransen van levende rozen bekronen. Aan de voeten van Maria zit een engel met een mandoline; op den voorgrond knielen Paus Julius II en keizer Maximiliaan I, gehuld in ruime, purperen mantels; de eerste wordt door het kind Jezus; de andere door de Maagd Maria met een krans van rozen gekroond. Ook andere bekende personen komen op het schilderij voor, o.a. meester Hieronymus van Augsburg, de bouwmeester van het Duitsche handelshuis te Venetië; op den achtergrond rechts heeft Dürer zijn boezemvriend, Wilibald Pirkheimer, vereeuwigd en naast hem schilderde hij zijn eigen gestalte.
Welk een groot aantal figuren en toch zulk een eenheid van groepeering; welk een grootheid en ernst lag over het geheel verspreid en toch hoe vrij was alles behandeld en hoeveel leven sprak er uit! En dat alles werd nog overtroffen door den gloed en de pracht van het coloriet! Dürers vijanden hadden durven zeggen: "Ternauwernood kan hij teekenen, maar schilderen kan hij in het geheel niet"--nu moesten zij verstommen: dit meesterstuk sloot allen spot den mond. De opgewondenheid nam daardoor nog toe en in geheel Venetië sprak men in die dagen over niets anders dan over meester Dürer en zijn grootsche schepping.--
Toen de toevloed van nieuwsgierigen voorbij was, trad op zekeren namiddag, terwijl Dürer bij den Markies Proschi een feestmaal bijwoonde, een aanzienlijke vrouw, door een bediende begeleid, de werkplaats bij de Rialtobrug binnen. Zij nam plaats tegen over het altaarstuk en bleef langen, langen tijd in diep, eerbiedig zwijgen verzonken, alsof de werkplaats een kerk ware, waar de priester de mis bediende. Haar handen waren gevouwen en haar oogen stonden vol tranen.
Eindelijk stond zij op en verliet de gewijde plaats: "Dat was een zalig oogenblik," fluisterde zij terwijl zij haar oogen afwischte. Het was Signora Bella.
HOOFDSTUK XVIII.
BEDWELMENDE WIEROOK.
Op een stillen, somberen Novembermorgen voeren eenige gondels het "Canale grande" af. In pronkgewaad gehuld, alsof men op weg naar een feest was, deed de groep kunstenaars, die Dürer te Venetië om zich had verzameld, hem uitgeleide op zijn reis naar Bologna.
Het was zijn hartewensch geweest, Rome, die stad der steden, het paradijs der kunst, te zien, en het scheen, dat deze wensch zou worden vervuld, daar het bericht kwam, dat Keizer Maximiliaan een bedevaart naar Rome wilde ondernemen, waarbij hij zich wilde aansluiten. Doch dit voornemen van den keizer kwam niet tot uitvoering en Dürer moest zijn plan opgeven. Ook was hij zoo gaarne naar Mantua gegaan, om zijn leermeester Mantegna te bezoeken. Zoo gauw zijn altaarstuk klaar was, wilde hij daarheen gaan, toen op den dertienden September het bericht kwam, dat de grijsaard was gestorven. Nu besloot hij naar Bologna te gaan, omdat hij wist daar gelegenheid te hebben om nog meer te leeren en vooral de geheimen der perspectief te doorgronden. Niet dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar het was hem te doen om zekere practische voordeelen tot vergemakkelijking der mechanische constructie, waarop de kunstenaars van Bologna bijzonder trotsch waren, en die zij angstvallig geheim hielden.
Hij nam zijn weg over Ferrara. Tot zijn groote verbazing werd Dürer aan de poort der stad door een groot aantal der aanzienlijkste inwoners opgewacht en begroet. Ricardo Sbroglio, die uitstekende geleerde, ontrolde een blad perkament en droeg een lang gedicht voor, vol uitbundigen lof over den Duitschen meester, die zijn wangen voelde gloeien en niet wist, waarheen hij zijn oogen moest wenden. Wel was hij in Venetië reeds aan overmatige loftuigingen gewend, maar hier was het toch nog erger. Natuurlijk liet men hem niet dadelijk vertrekken; hij moest een geheelen dag blijven en men bood hem een gastmaal aan in het stadhuis.
Den volgenden dag deed men hem in optocht uitgeleide en een der edelen liet er zich niet afbrengen hem te vergezellen en met hem Bologna binnen te rijden.
Toen zij de stad naderden, bemerkte Dürer, dat men ook daar op de hoogte van zijn komst was. Aan de poort stond eveneens een groote menschenmassa en toen hij dichter bij kwam, zag hij van de met groen en bloemen versierde stadspoort bonte vlaggen wapperen.
In de voorste rij van de verzamelde menigte stonden de, in Bologna woonachtige, kunstenaars. Dürers gelaat teekende blijdschap, toen hij aan de spits der schilders een bekend gezicht zag en nog wel het gezicht van een stadgenoot, Christoffel Scheurl, den Duitschen thesaurier aan de universiteit van Bologna. Het huis, waarin hij was geboren, stond in Neurenberg "onder de veste" schuin tegenover Dürers huis. Hij was drie jaar jonger dan deze en behoorde tot diens vurigste bewonderaars.
Nu had er een hartelijke begroeting plaats, waarna de kunstenaars en edelen aan de beurt kwamen; zij voerden Dürer in triomf mee naar de markt en noodigden hem uit de gildekamer der schilders binnen te gaan, waar de eigenlijke ontvangst zou plaats hebben. Het deed Dürer goed, die gezichten, waarop zooveel welgemeende hartelijkheid en oprechte bewondering te lezen stond, om zich heen te zien.
Op een wenk van den ouden Francesco Raibolini trad een jonge man vooruit, ook een schilder, Luca Pacioli geheeten: een statige gestalte met schitterende oogen en lange, golvende, ravenzwarte haren. Hij sprak Dürer aldus aan: "Heil wedervaart heden onze stad Bologna, nu zij zulk een gast binnen haar muren mag zien, een man met een stralenkrans van roem en eer gesierd, en die, waar hij ook komt, triomfen viert en iedereen bewondering afdwingt. Wij buigen ons ootmoedig voor u, Meester Albrecht Dürer, den grootsten schilder der wereld, die is gekomen op een hoogte, die niemand ooit heeft bereikt, of immer zal bereiken. Bologna heeft Venetië haar hoogen gast benijd--nu is dit niet meer noodig, nu de meester der meesters het niet beneden zich heeft geacht ook Bologna's poort binnen te komen--en het sterven zal ons gemakkelijker vallen, nu wij hem, naar wien ons hart zoo lang heeft verlangd, hebben mogen aanschouwen. Wees welkom, Meester Dürer, wees duizendmaal welkom in onze goede stad!"
Op deze woorden volgde een diepe stilte: Dürer, in verwarring gebracht door dien bombast en overdreven lof, welke dien te Ferrara nog overtrof, wist zoo dadelijk niet wat te antwoorden. Gelukkig kwam de oude Raibolini hem te hulp, doordat hij op hem toetrad en hem op vaderlijke wijze de hand drukte, zeggende:
"Pacioli heeft in ons aller naam gesproken, laten wij u nu ieder afzonderlijk de hand mogen drukken als zegel op hetgeen hij heeft gezegd."
Ook de anderen traden op hem toe en nu werd Dürer weer zich zelf, en kon hij hen danken op Duitsche manier, dat is op rustige, bedaarde wijze, die om het ongewone daarvan op zijn bewonderaars een diepen indruk maakte en hun bewezen, hoe bescheiden die door hen zoo hoog geroemden en vergooden kunstenaar was.
Meester Dürer bleef verscheidene weken in de stad, waar men het niet moede werd, hem voortdurend te huldigen, totdat hij onder Pacioli's leiding zooveel had geleerd als hij begeerde. Daarop nam hij afscheid en keerde naar Venetië terug.
Nu eerst brak voor hem de tijd aan, dat hij zich vrij kon bewegen en den drang van zijn genie volgen, want nu hij zijn opdracht had vervuld en de Bartolomeuskapel met zijn altaarstuk prijkte, kon hij schilderen, wat hij wilde. En naar hartelust hanteerde hij nu penseel en graveerstift, terwijl zijn geldbuidel dagelijks meer werd gevuld. Met gerustheid kon hij zich aan zijn lust tot scheppen en aan het gezellig samenzijn met Venetiaansche kunstbroeders overgeven, want de berichten van zijn gezin waren steeds gunstig. Door zijn vriend Pirkheimer vernam hij, dat de pest reeds sinds lang had opgehouden haar offers te eischen en dat al de zijnen goed gezond waren. Dit en nog andere berichten verblijdden hem zeer.
Op deze wijze ging de laatste tijd van het jaar voorbij.
Toen men evenwel het nieuwe jaar was ingetreden, werd zijn verlangen naar de zijnen hem te machtig en besloot hij te vertrekken, niettegenstaande de pogingen der Signoria, die hem door het aanbieden van een jaargeld van tweehonderd dukaten, trachtte over te halen, te Venetië te blijven. Doch Dürer weigerde, hoe zwaar het hem ook viel, te scheiden van de stad, waar men hem op de handen had gedragen en van dit land, waar de zon zooveel helderder scheen en de kleuren zooveel meer gloed bezaten dan in het koude noorden. De vriendschap, die men in deze dagen hem in dubbele mate bewees, maakte hem het scheiden nog moeilijker. Daarom verblijdde het hem te hooren, dat de handelsreizigers, bij wie hij zich op de terugreis wilde aansluiten, 's morgens vroeg op weg gingen, want hij hoopte, dat het afscheid daardoor in alle stilte zou plaats hebben. Maar daarin zag hij zich teleurgesteld; het was bekend geworden op welk uur hij van plan was heen te gaan, en zoo moest hij zich laten welgevallen, dat een groote menigte vrienden en vereerders hem uitgeleide deed tot ver buiten de poort der stad.
Het kostte hem moeite om bij de laatste groeten en handdrukken zijn aandoening te bedwingen en toen hij op grooten afstand nog eenmaal het hoofd omwendde naar de stad Venetië, die juist schitterde in het purper en goud der opgaande zon, was hij zich niet langer meester en er blonk een traan in zijn oog.
HOOFDSTUK XIX.
OP HET TOPPUNT VAN ROEM.
Langen tijd na zijn terugkomst ging Albrecht Dürer zijn weg als in een droom. Alles was hem zoo vreemd geworden en met den arbeid kon hij niet op streek komen. Na het verblijf in het zonnige Zuiden, waar hij langer dan een jaar had vertoefd, weder verplaatst in het land van sneeuw en grijze luchten, moest hij tijd hebben om zich daar weer in te leven.
Het wederzien der zijnen had zijn hart goed gedaan en hem uitermate verheugd; vooral was zijn jongste broeder Hans een reden tot blijdschap geweest. De knaap had bij den ouden Wolgemut veel geleerd en het bewijs geleverd, dat er een uitstekend kunstenaar in hem stak, van wien men kon verwachten, dat hij onder de leiding van zijn ouderen broeder zich nog verder zou ontwikkelen en hem een goede hulp worden. De leegte, die den teruggekeerde in den vreemde voelde, werd hier in zijn tehuis aangevuld, doch den kunstenaar ontbrak iets; aan zijn scheppingskracht ontbraken de ware drang en bezieling.
In Maart kreeg hij weer een opdracht van zijn vroegeren begunstiger, den keurvorst Frederik van Saksen, die een nieuwe paneelschildering van hem begeerde, voorstellende hetzelfde onderwerp, dat Dürer eenige jaren geleden in houtsneden had behandeld; de marteling der tienduizend onder Koning Sapores van Hongarije. Dürer maakte daarvoor een ontwerp en teekende de schets, maar hij voelde, dat de echte bezieling hem ontbrak en stelde de uitvoering telkens weer uit.
Ook de ontwakende lente was niet in staat om hem te bezielen, en in het midden aan den zomer bleek het wat het was, dat hem in dien toestand had gebracht. Op zekeren morgen kon hij het bed niet verlaten, omdat hij door hevige hoofdpijn werd gekweld. Terstond liet zijn bezorgde vrouw den dokter halen, en deze wist langen tijd niet welke ziekte hem aan zijn leger kluisterde en waaruit zij voortkwam; de medicijnen, die hij klaar maakte, bleven zonder eenige uitwerking op de koorts, die reeds terstond in hevige mate was opgekomen en naar niets wilde luisteren. De zieke nam verontrustend in krachten af, omdat hij niets wilde eten, doch voortdurend begeerde te drinken.
Pirkheimer, die van zijn reis voor stadsbelangen was teruggekeerd, ontstelde toen hij zijn vriend in dezen toestand terug zag en zorgde er voor, dat er een tweede geneesheer werd geraadpleegd, in wien hij bijzonder veel vertrouwen had.
En werkelijk, het gelukte dezen arts de koorts te bedwingen, zoodat de kranke na eenige dagen kalm werd en kon slapen--zelfs begeerde hij voor het eerst weer iets te eten, en zijn huisgenooten herademden na deze lange, bange dagen. Toch ging er nog een geheele week voorbij, voordat de zieke het bed mocht verlaten en hij voelde zich toen nog zoo zwak, dat hij nauwelijks een voet kon verzetten.
Wat was dat edel, schoonbesneden gelaat smal en bleek geworden, en hoe doorschijnend waren die vermagerde handen. Het kostte Vrouwe Agnes moeite haar tranen te bedwingen, toen zij hem zoo in zijn stoel zag zitten en haar hart voelde zich met innige, warme liefde getrokken tot hem, wien zij haar teederste zorgen wijdde.
Deze trouwe toewijding deed den kranke goed en hij dankte God in stilte voor deze ster in den donkeren nacht. Zijn krachten namen merkbaar toe en tegen het eind van Augustus was hij in zooverre hersteld, dat hij weer aan den arbeid kon gaan.
Naar lichaam en geest gesterkt, ging toch het werk slechts langzaam van stapel.
Misschien was 't het onderwerp, dat hem niet genoeg wist te bezielen, want een terechtstelling van vele duizenden op de afschuwelijkste wijze was ook weinig verkwikkelijk! Het kwam er op aan door de wonderen der kunst het afgrijselijke hiervan te bedekken; en zie, hoemeer moeite de kunstenaar zich gaf, om dit doel te bereiken, des te grooter werden ook zijn bezieling en scheppingskracht. Toch ging de arbeid langzaam voort, omdat hij dikwijls ander schilder- of teekenwerk onder handen nam; en toen hij de laatste hand er aan legde, was er bijna een jaar voorbijgegaan.
De schepper van dit kunstwerk voelde zich bevredigd en verheugde zich in den lof der kenners, die vooral de handigheid bewonderden, waarmee de kunstenaar het oog tot de afzonderlijke groepen wist te trekken, zoodat het vreeselijke van het geheel niet te veel de aandacht trok. Op den voorgrond ziet men den koning met zijn gevolg in turksche kleederdracht. Op het tweede plan staan palen opgericht, waaraan de heiligen zijn gebonden; rechts daarvan gaan een menigte ontkleede gevangenen een hoogte op, van waar de martelaars in den afgrond, vol spiezen en stokken, worden geworpen. Links worstelen een aantal bloedgetuigen aan het kruishout met den dood en daarnaast legt een ander zijn hoofd op een blok, terwijl daar om heen een groote schare, waaronder ook een bisschop, op hetzelfde lot wacht.
Terwijl nu iedereen het tentoongestelde stuk bewonderde, had Dürer reeds een ander groot schilderij in zijn geest voorbereid, waartoe hij zich nu met hart en ziel aan het werk zette. Hij had een bestelling uit Frankfort gekregen om voor het altaar van den H. Thomas in de kerk der Dominicanen een schilderij te leveren.
Den man, die het had besteld, had hij in Neurenberg persoonlijk leeren kennen; het was de rijke lakenwever Jacob Heller, iemand, die uit bijzonderen angst voor zijn zieleheil er op uit was om door allerlei goede werken den duur van het verblijf in het vagevuur te verkorten. Voor 130 Rijnsche guldens zou Dürer dit aan de kerk beloofde altaarstuk schilderen. Dadelijk, nadat hij het voor den keurvorst bestemde schilderij had voltooid, ging Dürer aan den arbeid. Het zou een vleugelaltaarstuk worden: het middelste paneel, dat ook het voornaamste was, moest de hemelvaart van Maria voorstellen, de rechtervleugel den marteldood van Jacobus en de linker dien van de H. Catharina.
Dürer was nog niet ver er mee gevolgd, toen hij zich verplicht voelde om aan Heller, die reeds op spoed begon aan te dringen, te schrijven, dat de schilderij zooveel tijd en zorg vereischte, dat hij op een prijsverhooging tot 200 gulden, moest aandringen. Doch hij beloofde daarbij, dat geen vreemde hand iets aan het middenstuk zou schilderen. Heller, die hierin zijn koopmansgeest niet verloochende, was hierover erg ontsticht; maar toen Dürer hem antwoordde, dat hij het schilderij wilde houden, omdat hem honderd gulden meer daarvoor was geboden, sloeg hij een anderen toon aan.
Niettegenstaande deze onaangenaamheden ging het werk goed en vlug van de hand, en de bekwaamheid, die Hans bij zijn medewerking aan de zijvleugels aan den dag legde, droeg er niet weinig toe bij om zijn opgewektheid in dit kunstwerk te vermeerderen.
De winter ging voorbij; de lente kwam en tegen Paschen was het middenste zoover gevorderd, dat er weinig meer aan ontbrak, en nu reeds baarde het alom in de stad groot opzien. Dürer werd meermalen door nieuwsgierigen gestoord; vele raadsheeren kwamen om hem hun oprechte hulde aan te bieden en ook de vreemdelingen, die te Neurenberg kwamen, verzuimden niet om hem op te zoeken. Sommigen boden hem groote sommen en wilden met alle geweld het schilderij bemachtigen, waardoor duidelijker dan ooit bleek, hoe hoog de Neurenberger meester ook in den vreemde stond aangeschreven. Op den derden Paaschdag verzamelde zich in alle kerken der stad het volk om de mis van den Heiligen Geest te hooren; na het einde van het koorgezang vermaanden de priesters de menigte tot bidden en werd God aangeroepen om Zijn zegen te geven over hetgeen op het raadhuis zou geschieden, opdat daar tot regenten zouden worden gekozen mannen, die aan wijsheid en verstand ook godsvrucht paarden.
Na het einde van den dienst werd de klok van het raadhuis geluid en kwamen de raadsheeren bijeen voor hun gewichtige taak, waarvan de uitslag den volgenden dag aan de burgerij zou worden meegedeeld.
Bij het vallen van den avond ging Albrecht Dürer, gekleed in zijn kostbaren, met marterbont omzoomden mantel, met zijn vrouw, die eveneens in feestgewaad was gehuld, uit in de richting van de Thiergärtnerpoort, om daar het groote huis, over welks aankoop Dürer met den eigenaar in onderhandeling was, nog eens nauwkeurig te gaan opnemen. Het was het hoekhuis in de Zistelstraat met het front naar het oosten.
Op het oogenblik dat het echtpaar naar buiten trad, kwam de heer Imhoff, het hoofd van een der aanzienlijkste Neurenbergsche families, haastig op hen toegeloopen en stak hun beide handen toe. Zijn gelaat, dat gewoonlijk zulk een ernstige en barsche uitdrukking had, zag er nu bijzonder gelukkig en tevreden uit.
"Wees gegroet, waarde Meester en ook gij, geachte Vrouwe! Ziet, met welk een gouden gloed de zon den hemel kleurt, als wilde zij een schoonen dag met een schoon besluit kronen. Zij ziet er zoo tevreden uit, alsof zij zich verblijdt over de stad Neurenberg, die zich heden van een eereschuld heeft gekweten. Houdt u maar goed." Daarop ging hij verder.
Dürer zag hem verbaasd na en mompelde voor zich heen: "Wat scheelt dien man? Wat kan er toch gebeurd zijn?"
Terwijl zij daar nog stonden, kwam er weder een heer met groote stappen op hen aan; het was Wilibald Pirkheimer. Ook zijn gelaat had een vreemde expressie, ook zijn oogen schitterden en op zijn vriend losstormend, trok hij hem mee naar binnen in het voorhuis en viel hem om den hals met de woorden: "Geluk gewenscht, heer collega!"
Nu werd Dürers verwarring nog grooter: "Wat is er toch gebeurd? Eerst doet de heer Imhoff zoo wonderlijk en zegt onbegrijpelijke dingen en nu doet gij nog veel dwazer! Kunt gij, beiden, dan geen goed verstaanbare taal meer spreken?"
Vroolijk klopte Pirkheimer zijn vriend op den schouder. "Alles op zijn tijd, zegt koning Salomo. Laten wij vandaag maar eens dwaas zijn, morgen is het weer tijd om verstandig te praten. Houdt u maar goed!"
Met deze woorden ging ook hij verder.
Dürer bleef nog een oogenblik met zijn vrouw in het voorhuis, alsof hij nog een derden dwaas verwachtte; daarop gingen zij samen uit en vergaten spoedig dit wonderlijke geval, toen zij aan het doel van hun wandeling dachten.
"Ik verheug mij hartelijk op den dag, waarop wij onze nieuwe woning zullen kunnen betrekken," sprak Dürer. "Want hoewel wij meer ruimte hebben gekregen sinds vader is heengegaan, is het oude huis toch wel wat klein. God zij gedankt, dat Hij ons zoo heeft gezegend, voornamelijk door hetgeen ik in het buitenland heb verdiend, dat ik twee jaar geleden, de schuld, die op ons huis rustte, heb kunnen aflossen!"
"Ja, het was wel klein, ons oude huis," zei Vrouwe Agnes, "maar het waren toch gelukkige jaren, die wij daarin doorbrachten. Moge de Heer ons even rijkelijk zegenen in onze nieuwe woning!"--
Het was een statig gebouw, het huis op den hoek der Zistelstraat, met den voorgevel naar het ruime plein gericht. De vorige eigenaar, de sterrekundige Bernhard Walter was gestorven en nu wilden zijn erfgenamen het huis verkoopen en de opbrengst onder elkaar verdeelen.
Dürer werd het voorloopig eens met den zaakgelastigde, nadat hij het huis nog eens nauwkeurig had bezichtigd en keerde daarna met zijn vrouw in de beste stemming huiswaarts. Den volgenden morgen werd de uitslag van de raadsverkiezing openbaar gemaakt. Kort daarop begaven zich de beide heeren, die de hoogste betrekking in den raad bekleedden naar de woning van Albrecht Dürer, juist op het oogenblik, dat hij naar zijn werkplaats was gegaan. Zij kwamen om den meester, die nu eensklaps vermoedde, wat er den vorigen dag was gebeurd, mee te deelen, dat de stad Neurenberg niet wilde, dat men haar kon verwijten een harer burgers de eer te onthouden, die hem toekwam en dat men daarom meester Dürer, wiens roem wijd en zijd was verbreid, tot raadslid had verkozen.
Blozend als een jonkvrouw stond daar de meester, die op deze wijze werd gehuldigd en hij vond in zijn verwarring slechts enkele onsamenhangende woorden van dank. Maar toen de heeren weg waren, viel Agnes, die alles had gehoord, haar echtgenoot om den hals, drukte hem tegen zich aan en omhelsde hem met tranen in de oogen, terwijl zij fluisterde:
"Uw vreugde is mijn vreugde, uw eer is mijn eer!"
Albrecht Dürers hart begeerde geen ijdele eer, maar de vriendschap en hartelijkheid, die men hem zoo duidelijk met deze verkiezing had bewezen, deden hem goed en waren een nieuwe spoorslag voor zijn scheppend genie. Het schilderij, voor Frankfort bestemd, naderde zijn voltooiing; nog eenmaal werd zijn arbeid onderbroken door de verhuizing in Juni naar het huis bij de Thiergärtnerpoort--toen was het klaar en kon Dürer zijn monogram er onder zetten.
Hij voelde zich gelukkig door deze nieuwe schepping, die hem innig lief was en waarvan hij met moeite scheidde. Bezield met teedere bezorgdheid voor zijn werk, zette hij zich neder om een brief er bij te schrijven:
"Mijn eerbiedige groetenis, zeer waarde en hooggeachte Heer Heller!
"Nu is de geduldsproef, waartoe ik u heb moeten dwingen, geëindigd en ontvangt gij het door u bestelde schilderij. Het doet mij genoegen, dat Frankfort de plaats van bestemming is; er is geen plaats in Duitschland, waar ik het liever zou zien. Het is geschilderd met de beste verven, die ik heb kunnen bemachtigen, en is met goede ultramarijn over- en opgeschilderd, wel vijf of zesmaal, en toen het klaar was, heb ik het nog tweemaal overgeschilderd, opdat het lang goed zou blijven. Indien gij het goed rein houdt, ben ik overtuigd, dat het vijfhonderd jaar kleur houdt, want het is op andere wijze, dan waarop men het gewoonlijk doet, geschilderd. Zorg er dus voor, dat het schoon wordt gehouden, dat men het niet aanraakt en het niet met wij water besprenkelt. Over twee of drie jaar kom ik zelf, om het op bijzondere wijze te vernissen, dat verzekert haar duur nog wel honderd jaar langer. Ik verzoek u dringend, dat gij niemand toestaat om het te vernissen, want het zou mij zeer spijten, dat een werk, waaraan ik langer dan een jaar heb gearbeid, daardoor werd bedorven. En wees zelf bij de plaatsing tegenwoordig, opdat het stuk niet worde beschadigd, terwijl ik u vriendelijk verzoek er voortdurend op te blijven letten." [21]