Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 9
Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar kwam dit op de volgende wijze te weten.
Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had, waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin's paleis gezien had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had, wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: "Mijn nieuwsgierigheid strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb."--"Dat zal niet moeilijk wezen," antwoordde de eigenaar van de herberg, "want zoolang hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid; maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die acht dagen duren zal."
Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van den man en zei tot zichzelf: "Het oogenblik is gunstig, ik mag het niet laten voorbijgaan." Hierop ging hij den winkel van een koopman in lampen binnen, en zei tot hem: "Meester, ik wilde twaalf koperen lampen hebben; kunt ge mij die leveren?" De lampenkoopman antwoordde, dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur, dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.
Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin's paleis en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: "wie wil oude lampen tegen nieuwe ruilen?" Toen de kleine kinderen die op het plein speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. "Bij dezen man", zeiden zij, "moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden." De Afrikaansche toovenaar liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn waar aan te bieden en luid te roepen. "Wie wil oude lampen tegen nieuwe verruilen?" Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer, die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen, die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd, niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden om te zien wat al dat leven beduidde.
De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.
"Nu, dwaze meid", zei ze eindelijk, "zou je me niet zeggen, waarom je zoo lacht?"--"Meesteres", antwoordde de slavin, steeds lachende, "hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie, gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen, dat hij bijna niet voort kan komen."
Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: "Daar er van oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven, zonder iets toe te verlangen."
De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden, noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid opgemerkt. Behalve als hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd, worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.
Prinses Bedroelboedoer, die van de groote waarde der lamp niets afwist, en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet, en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden, haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: "Geef mij eene nieuwe voor deze lamp hier."
De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp, die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin's paleis van goud en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret over de domheid van den toovenaar.
De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder zich langer in de nabijheid van Aladdin's paleis op te houden, maakte hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten, d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.
Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had, ontsnapte hij door een weinig bezochte straat, en daar hij nu noch de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij eenige levensmiddelen inkocht.
Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter, want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had, rijkelijk schadeloos gesteld.
De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot één uur 's nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar. Op dit bevel verscheen de geest dadelijk. "Wat wilt gij?" vroeg hij; "ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp."--"Ik beveel u", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "dat gij oogenblikkelijk het paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst." Zonder iets te antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.
Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin's paleis te aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek, waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder, de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had, maar het thans niet meer te zien was; want het was hem onmogelijk te begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin, dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven, met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos verdwenen zou zijn. "Ik kan mij niet vergissen", zei hij tot zich zelf, "het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men daar toch een spoor van kunnen zien." Het ging zijn verstand te boven, te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten, terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd werd, zoodat hij niet wist wat te doen.
De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat Aladdin's paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachters hadden het niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: "Heer, de haast waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden."--"Ja", antwoordde de sultan, "er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd, dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin's paleis?"--"Aladdin's paleis?" hernam de grootvizier zeer verbaasd, "ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet licht van plaats."--"Kijk eens naar buiten", antwoordde de sultan, "en zeg mij dan, of gij het gezien hebt."
De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin's paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. "Nu, hebt gij Aladdin's paleis gezien?" vroeg deze.--"Heer", antwoordde de grootvizier, "gij herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis, welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen, slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen acht op slaan."
De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn, als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. "Waar is hij", riep hij, "die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan."--"Heer", antwoordde de grootvizier, "hij heeft voor eenige dagen afscheid van u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is, want hij alleen kan het weten."--"Dat zou veel te mild voor hem zijn", antwoordde de sultan: "Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat zij hem in ketenen voor mij voeren." De grootvizier bracht den ruiters het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad, op weg naar huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om hem dit te melden en naar huis te begeleiden.
Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en zei: "Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven."
Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch een zijner ruiters er iets van wisten.
Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei: "Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans, noch tegenover den staat." Men wierp hem dadelijk een dikken en langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam, zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder, Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand, werd hij de stad binnengeleid.
Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen, en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten, tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden, om het volk terug te houden.
Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.
De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien hij om den hals droeg af, spreidde terstond een leeren huid, die met het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard, beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen, terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om Aladdin het hoofd af te slaan.
Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf: "Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen hebben."--"Mijn paleis bestormd!" hernam de sultan, "wie durft zoo iets onderstaan?"--"Heer", antwoordde de grootvizier, "werp slechts een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen."
Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in de scheede te steken, Aladdin's blinddoek af te nemen en hem vrij te laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.
Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er gebeurde, gaven zij hun voornemen op. Zij daalden snel af, ten hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden, het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn, het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.
Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe: "Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is."--"Wat die is, schurk!" hernam de sultan; "weet gij het nog niet? Kom hierheen, dan zal ik ze je toonen."
Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. "Volg mij", sprak deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem: "Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle zijden en zeg mij wat ervan geworden is."
Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den sultan met geen enkel woord kon antwoorden.
De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: "Zeg mij toch, waar het paleis en mijn dochter zijn?" Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgen en zeide: "Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb."
"Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen", antwoordde de sultan. "Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd afslaan."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik bid u, geef mij veertig dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen mee moogt handelen."--"Ik geef u die veertig dagen", antwoordde de sultan; "maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade, en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden."
Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost in te spreken, of hem hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.
Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in 't bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten, maar overigens kwam hij tot geen besluit.
Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had, verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij door vertwijfeling overmand. "Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?" zei hij tot zich zelven. "In welke provincie, welk land, welk werelddeel zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter, ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden, en aan de bittere smart die aan mijn hart knaagt." Reeds had hij het besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden, dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield, en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar hem had ingesloten. "Wat wilt gij?" vroeg de geest; "ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring."