Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 8
"Dierbare prinses", zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad en haar vol eerbied begroette, "mocht ik het ongeluk hebben, u door mijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer bevalligheid, maar niet aan mij."--"Prins", antwoordde de prinses, "--want als zoodanig verschijnt gij voor mij--ik gehoorzaam den wil mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben." Aladdin was ten hoogste verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd, zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: "Prins, tot nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn, dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt mij, dat ik mij vergist heb."--"Prinses", antwoordde Aladdin, terwijl hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, "ik neem deze beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel, wat ik ervan te denken heb."
Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moeder zetten zich nu aan tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan, nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor uitgezocht had.
Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.
Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.
Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin met prinses Bedroelboedoer.
Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte, kwamen zijn kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen, achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal; hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval het ochtendmaal op te dragen. "Heer", sprak Aladdin, "ik smeek u, mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken." De sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.
Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij de versieringen daarvan, en in 't bijzonder de met de grootste en heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk staan bleef. Eindelijk sprak hij tot den grootvizier, die naast hem stond: "Is 't mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe niets geweten heb?" "Mijn heer en vorst", antwoordde de grootvizier, "gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe, een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel voltooid was." "Dat herinner ik mij heel goed", antwoordde de sultan, "maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen."
De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. "Vizier", sprak hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te wijken, "ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op deze plaats onvoltooid is gebleven." "Heer", antwoordde de grootvizier, "Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd, dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden."
Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven, trad intusschen weer binnen. "Mijn zoon", sprak de sultan, "dit is de bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd, of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad, aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?"--"Heer", antwoordde Aladdin, "het tralievenster is om geheel andere reden zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd, en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen, opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan."--"Als gij het met dit doel gedaan hebt", antwoordde de sultan, "dan ben ik u daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen geven". Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.
De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed, met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal met de prinses, zijn dochter, met Aladdin en met den grootvizier. De overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend, die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen, schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.
Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide zien. "Ik heb u laten komen", zei hij, "opdat gij dit venster zoudt voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn."
De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. "Heer, wij zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen; maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten, als voor een zoo omvangrijken arbeid noodig zijn."--"Ik heb er zelf eenige", zei de sultan, "en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis, dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt."
Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in 't bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het venster klaar.
Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten terug te geven.
Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen de geest. "Geest", sprak Aladdin, "ik had bevolen, een der vier en twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan de overige gelijk zoudt maken." De geest verdween en Aladdin ging uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.
Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en zei uit aller naam tot hem: "Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen, dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des grootviziers edelgesteenten terug te brengen." De sultan vroeg of Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.
De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: "Mijn zoon, ik kom zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal, als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten."
Aladdin verborg den waren grond, namelijk dat de sultan niet rijk genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien, antwoordde: "Heer, 't is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien, maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt."
De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden, maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had, dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden, in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem tusschen de oogen en op het voorhoofd. "Mijn zoon", zei hij vol verwondering tot hem, "wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen, des te meer bewonder ik u."
Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan en antwoordde: "Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken."
De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder Aladdin's begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hij met eigen oogen aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin's paleis een werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens herhalen, maar de sultan zei: "Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld, maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog steeds niet vergeten zijt."
De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer vanwaar hij Aladdin's paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.
Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer, dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen, en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis, of hij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had laten uitreiken.
Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer dan bij Aladdin's hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid de liefde van het geheele volk verworven had, en in 't algemeen meer bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat, die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht, hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met zulk een ijver in 't veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.
Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd, toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa, legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in 't oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij, dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.
Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen was, of het bloed steeg hem in 't gezicht. Vol woede sprak hij bij zichzelven: "Die ellendige kleermakerszoon heeft aldus het geheim en de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog langer zijn geluk laat." Hij had zijn besluit spoedig genomen, besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad, van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht, bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.
Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stad wandelde, trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten, en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte hem dien over.
Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men van Aladdin's paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had, trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis was, waarover men met zooveel roem sprak. "Vanwaar komt gij, mijn vriend?" vroeg hem de aangesprokene. "Gij zijt zeker pas sinds kort hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken." Men noemde Aladdin namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. "Ik zeg niet", ging de man voort, "dat het een der wonderen van de wereld is, maar ik beweer veel eer, dat het 't eenige wonderwerk op de wereld is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb."--"Vergeef mij mijn onwetendheid", sprak de Afrikaansche toovenaar, "ik ben gisteren hier aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij was doorgedrongen, toen ik afreisde. Daar ik wegens een dringende zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden, of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders, dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben, mij den weg te wijzen."
De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem met alle genoegen den weg naar Aladdin's paleis, en de Afrikaansche toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin's machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp, wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug, waar hij was afgestegen.
Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was, haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten, dat de lamp in Aladdin's paleis was, en was hij buiten zich zelven van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. "Ik moet haar in mijn bezit krijgen, die lamp", sprak hij, "en 't zal mij benieuwen, of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen."