Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 7
Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. "Geest", zei Aladdin tot hem, "ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft." Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hief hem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. "Ja", antwoordde Aladdin, "ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ook voor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je."
Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin's moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.
Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.
Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, des sultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af--ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk--naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.
Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo'n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in 't bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, haren bezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In 't bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.
Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.
Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding, zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in 't bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.
Hierop nam Aladdin het woord en sprak: "Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door 't een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien."
"Mijn zoon", antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, "gij zoudt mij onrecht doen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten."
Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de lucht van het geschal der hobo's en pauken; tegelijkertijd voerde de sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen voortdurend op Aladdin gevestigd hield--want het deed hem buitengewoon veel genoegen, hem aan te zien--bracht het gesprek op verschillende onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den aanvang van hem gekregen had.
Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne en zinrijke opmerkingen, waarmede de jongeling het gesprek kruidde, niet genoeg konden bewonderen.
Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en de bruiloft nog heden vieren wilde. "Heer", antwoordde Aladdin, "hoe ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde." "Mijn zoon", zei de sultan, "kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht, die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te meten." Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.
Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet, waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het bijvalgeroep der massa's, die hem alle mogelijke heil en zegen wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten aan. "Geest", sprak Aladdin, "ik heb alle reden je stiptheid te roemen; je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres, gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen, of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn, zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten, robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens, voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, en een behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses, hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga, en kom terug als je alles hebt gereed gebracht."
De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. "Heer", sprak hij, "uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden zijt." Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond hij rijkdom, schoonheid en pracht; daarbij nog bedienden en slaven, allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen, die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen, en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten, die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.
Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen, lagen opgehoopt.
Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal tot zaal en in 't bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen, zei hij tot den geest:
"Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben, opdat zij daarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan komt."--"Ik kom in een oogwenk terug", sprak de geest en verdween. Een poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld, zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort van des sultans paleis geopend werd.
De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar nu Aladdin's prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad, waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht; maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier, die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde, was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. "Vizier", antwoordde de sultan, "waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je weet zoo goed als ik, dat het 't paleis is, dat Aladdin naar ik hem in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter, heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan doen. Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder doorloopt, als je van tooverij spreekt." Intusschen werd het tijd ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.
Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op, om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam, onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat zij kwam om de eer te hebben de prinses 's avonds naar haar paleis te begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen dag aan den sultan had voorgesteld.
Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin's moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, en in een oogenblik weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten, draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering, daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis aanschouwden, waar zij daags te voren noch den grond hadden zien leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin's moeder werd in het paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag, ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met de schoonste juweelen van Aladdin's geschenk sierden, deed zij voor Aladdins' moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan, die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin's moeder had reeds meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken, dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien, was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.
Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken, maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin's moeder en achter haar honderd slavinnen in de prachtigste kleeding. Verschillende muziekkorpsen, die van de aankomst van Aladdin's moeder onafgebroken tot nu toe gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan, die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen, verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht op de heerlijkste manier verhielp.
In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin's paleis hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk, vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele stad en nog wijd in den omtrek.
Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin's moeder had haar reeds haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was, aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo mooi, dat zij geheel betooverd werd.