Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 6

Chapter 63,798 wordsPublic domain

"Lieve dochter", sprak hij tot haar, "het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe."

Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.

"Vizier," zeide hij tot hem, "heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?"

Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. "Ik twijfel niet", zeide hij ten laatste "dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is."

De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.

"Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader", antwoordde de zoon. "Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling, die ik in 't bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultan te verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt."

Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.

Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.

Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis had zien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.

Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.

Aladdin's moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: "Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord."

De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin's moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.

Aladdin's moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.

"Groote koning", antwoordde zij, "ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren."

De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin's moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.

De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.

"Heer", antwoordde hij hem, "ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft."

De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin's moeder en zeide na even nagedacht te hebben tot haar:

"Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op 't prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord."

Aladdin's moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. "Waarachtig", zeide zij, "waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn."

Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: "Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aan een huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder 't oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen."

Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. "Mijn zoon", sprak zij ten slotte, "hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd", ging zij lachend voort, "ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten."

"Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt", antwoordde Aladdin, "en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen 't mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan."

Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar. Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.

Aladdin sprak tot hem: "De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit." De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.

Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven, zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.

Toen Aladdin's moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveel menschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.

"Lieve moeder", sprak hij tot haar, "wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden."

Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.

Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin's woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid, de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo'n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.

Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: "Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is."

Zoo kwam de eerste slaaf aan 't hoofd van den geheelen stoet op 't tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen, die Aladdin's geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin's afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.

Ondertusschen naderde Aladdin's moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: "Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, 'twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen."

De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin's moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertig gouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin's moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.

"Welnu, vizier", zeide hij luid tot hem, "wat denk je van hem, wie 't ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?"

Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij 't toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin's geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: "Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen." De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen te kennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.

De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin's moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: "Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen."

Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin's moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.

Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijn verhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin's moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.

"Mijn zoon", zeide zij tot hem, "ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen."