Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 5

Chapter 54,038 wordsPublic domain

Nadat Aladdin's moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder 't oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, "inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u te gaan en voor hem om de hand der prinses te vragen. Desniettemin heeft het mij 'n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven."

De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in 't minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.

Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: "Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!" Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in 't oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: "Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaakts vinden kan." De vizier was eveneens geheel betooverd.

"Welnu", ging de sultan voort, "wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?"

Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: "Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaarder geschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent."

Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin's moeder en zeide tegen haar: "Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug."

Aladdin's moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.

"Ach, lieve moeder!" riep hij haar tegemoet, "mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?"

Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:

"Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben."

Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: "uit 't heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. "Ik had daarop des te minder gerekend", ging zij voort, "als de grootvizier hem even te voren iets in 't oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen."

Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in de stad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.

"Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?" gaf deze haar ten antwoord; "weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal."

Aladdin's moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. "Ach!" riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, "alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van."

Aladdin schrok hevig en antwoordde: "Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?"

"Hedenavond nog", antwoordde zijn moeder, "trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis." Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dat hij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: "Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten."

Aladdin's moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo 'n grooten schrik op 't lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: "Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp."

"Luister", zei Aladdin, "je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik 't noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden, huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb 't zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt."

"Mijn gebieder", antwoordde de geest, "ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?"

"Voor 't oogenblik niet", antwoordde Aladdin en de geest verdween.

Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.

Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naar buiten ging, sloot de deur achter zich toe.

Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin's kamer bracht.

Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: "Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in 't geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor 't aanbreken van den dag weer terug."

Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van 't hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.

Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: "Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.--Wanneer ik", ging hij voort, "gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen."

De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin's woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden. De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.

Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op 't aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: "Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?"

"Ga", antwoordde Aladdin, "haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen."

De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.

Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maar namen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van 't eene oord naar 't andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.

Nauwelijks had de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.

De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar 's lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.

De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. "Ik wil nu zelf naar haar toegaan", voegde zij er bij, "en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving."

Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.

"Lieve dochter", zeide de sultane tot haar, "hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid."

Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.

"Ach, mijn zeer vereerde moeder", riep zij, "vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken." Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. 's Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.

"Dit alles", voegde zij erbij, "was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind."

De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.

"Lieve dochter", sprak zij tot haar, "je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken."

"Vereerenswaardige moeder", antwoordde de prinses, "ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u 't zelfde vertellen."

"Ik zal er hem naar vragen," antwoordde de sultane, "maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan je zooëven gesproken hebt." Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.

"Mijn lieve zoon", zeide de sultane tot hem, "zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in 't hoofd gehaald, als je vrouw?"

"Heerscheres", antwoordde de zoon van den grootvizier, "zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?"

"Ik ben al tevreden", zeide de sultane, "en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw."

De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.

Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.

De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin's bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.

De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.

De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: "Nu, mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?"

De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: "Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!"

De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: "Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel."

Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: "Wanneer gij ook maar in 't minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik."

De sultan deelde den diepen kommer, waarin de prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.