Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 4

Chapter 44,112 wordsPublic domain

"Het is", ging Aladdin voort, "in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u 't ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van den toestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken."

Aladdin's moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:

"Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen."

"Waarlijk mijn zoon," antwoordde de moeder zeer ernstig, "ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen."

"Door niemand anders dan door uzelf," antwoordde de zoon zonder bedenken.

"Door mij!" riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; "en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk 'n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen", voer zij voort, "dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken."

Aladdin's moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.

"Mijn zoon", zeide zij nogmaals tot hem, "ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter van een onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op 't hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheid smeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt."

Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: "Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.

"U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden. Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken."

Aladdin's moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om deze reden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.

Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: "U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal."

Ofschoon Aladdin's moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin's verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.

"Mijn zoon", sprak zij tot hem, "ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.

"Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt."

"Maar", liet zij erop volgen, "onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker de sultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn."

Aladdin's moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.

Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.

"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen--en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen--zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?"

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren, die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal."

Aladdin's moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: "In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen."

Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin's gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.

Aladdin's moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen en sneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terug naar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in 't ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.

Toen Aladdin's moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in 't eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: "Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op 't laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wilden spreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van 't lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk."

Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin's boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.

Den volgenden morgen ging Aladdin's moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.

Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: "Reeds sinds eenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?"

De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. "Heer", zeide hij, "het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is." De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: "Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren." De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.

Aladdin's moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.

De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin's moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. "Opdat je het niet vergeet", zeide hij tot den grootvizier, "daar staat weer de vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in 't reine brengen."

Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.

De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin's moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.

Aladdin's moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: "Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?"

Aladdin's moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: "Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen."

Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan te verwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.

Aladdin's moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.

"Groote koning", zeide zij, opnieuw het woord nemend, "ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in 't minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt."

"Wat het ook zijn mag", antwoordde de sultan, "ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!"