Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 3
Aladdin's moeder haalde de lamp en zeide tot haar zoon: "Daar heb je ze, ze is echter vuil. Ik zal haar eerst wat oppoetsen, dan zal ze nog wel wat meer waard zijn." Zij nam water en fijn zand om haar blank te maken, maar nauwelijks was zij begonnen de lamp te wrijven, toen oogenblikkelijk in tegenwoordigheid van haar zoon een afschuwelijke geest van reusachtige grootte voor haar verscheen en met donderende stem tot haar sprak: "Wat wilt gij? Ik ben bereid, u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als de andere slaven der lamp."
Aladdin's moeder was niet in staat te antwoorden. Haar oogen konden de afschuwelijke en verschrikkelijke gestalte van den geest niet verdragen en zij was al bij zijn eerste woorden van angst in onmacht gevallen.
Aladdin daarentegen, die reeds in het hol een dergelijke verschijning gezien had, raapte snel, zonder den tijd of de bezinning te verliezen, de lamp op, en antwoordde in plaats van zijn moeder op vasten toon:
"Ik heb honger, breng mij wat te eten."
De geest verdween, maar kwam in een oogenblik weer terug met een groote zilveren schaal op het hoofd, waarin zich twaalf gedekte schotels van hetzelfde metaal, vol met de uitgezochtste spijzen, benevens zes brooden van het fijnste meel bevonden, en twee flesschen met den kostelijksten wijn, benevens twee zilveren drinkschalen in de hand. Hij plaatste alles te zamen op de sofa en verdween terstond.
Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin's moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in 't gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar 't zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, 't zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in 't kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.
"Lieve moeder", zeide Aladdin tot haar, "er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken en tevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten."
Aladdin's moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.
"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben."
Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.
Onder den maaltijd kon Aladdin's moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.
Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op 't uur van 't middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneer zij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.
Toen Aladdin's moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: "Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult."
Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.
Aladdin's moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.
"Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?" vroeg zij. "Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan den vinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u 't gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken."
"Wat!" riep Aladdin's moeder, "dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd."
"Met uw verlof, lieve moeder", antwoordde Aladdin, "zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toeval ons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk 'n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!" Daar Aladdin's opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.
"Lieve zoon", zeide zij tot hem, "je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal."
Den volgenden dag, na 't avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.
De koopman, een sluwe en doortrapte kerel, onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel 't best zou weten wat 't ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin's openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam 't geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin's volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.
Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.
Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor den eersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.
Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.
Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reeds eenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: "Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp."
Aladdin antwoordde hem: "Ik heb honger; breng mij te eten." De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.
Aladdin's moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.
Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.
"Mijn zoon", zeide hij toen tot Aladdin, "ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leege handen terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen."
In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op 't eerste gezicht al zag, dat hij van 't fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.
"Ha! die schurk!" riep de goudsmid uit. "Mijn zoon", voegde hij erbij, "wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft."
De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.
"Daar heb je", zeide hij, "het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk."
Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo'n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar 't gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.
In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels der voornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in 't vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.
Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer [4], de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn. [5]
Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.
Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.
Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn tot nog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.
Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.
Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijn moeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.
Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in 't minst tevreden gesteld te hebben.
Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenover hem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.
"Lieve moeder", zeide hij tot haar, "ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.