Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 2

Chapter 24,098 wordsPublic domain

Plotseling dreunde de aarde een beetje, opende zich voor den toovenaar en Aladdin, en liet een steen te voorschijn komen, die omstreeks anderhalve voet in 't vierkant, ongeveer een voet dik was, en waterpas lag, met een in het midden vastgemaakten bronzen ring, om hem daaraan op te tillen. Aladdin schrok hevig van alles, wat voor zijn oogen gebeurde, en wilde op de vlucht gaan. Maar hij was voor deze geheimzinnige handeling noodwendig en daarom hield de toovenaar hem vast, schold hem duchtig uit en gaf hem een zoo harde oorvijg, dat hij op den grond viel; het scheelde weinig, of hij had hem de voorste tanden uitgeslagen en zijn mond bloedde hevig. Sidderend en met tranen in de oogen riep de arme Aladdin: "Maar oom, wat heb ik dan gedaan, dat gij mij zoo gruwzaam slaat?"

"Ik heb er mijn redenen voor", antwoordde de toovenaar. "Ik ben je oom, die thans je vader's plaats bij je inneemt, en je mag mij in niets tegenspreken. Maar", voegde hij er op wat zachteren toon bij, "je behoeft niet bang te zijn, mijn zoon; ik verlang alleen, dat je mij stipt gehoorzaamt, indien je je de groote voordeelen die ik je schenken wil, wilt waardig maken en ze gebruiken".

Deze mooie beloften van den toovenaar stelden den verschrikten en vertoornden Aladdin een beetje gerust, en toen de toovenaar hem weer heel goed geluimd zag, ging hij voort: "Je hebt gezien, wat ik vermag door de kracht van mijn reukwerk en de woorden, die ik sprak. Verneem nu, dat hier onder dezen steen een schat verborgen ligt, die voor jou bestemd is, en je eenmaal rijker zal maken, dan de grootste koningen der aarde. Dit is zoo zeker waar, dat het geen mensch op de gansche wereld buiten jou geoorloofd is, dezen steen aan te raken, of op te tillen, om hier binnen te komen. Ja, ik zelf mag hem ook niet aanraken of ook zelfs een voet in dit schatgewelf zetten, wanneer het geopend zal zijn. Derhalve moet gij precies en punt voor punt doen, wat ik zeg, zonder iets te verzuimen. Deze zaak is zoowel voor jou als voor mij van groot belang."

Aladdin, immer nog vol verwondering over alles wat hij zag, en den toovenaar van een schat hoorende spreken, die hem voor altijd gelukkig maken zou, vergat alles wat er was voorgevallen.

"Welnu, lieve oom", zeide hij tot den toovenaar, terwijl hij opstond, "wat moet ik doen? Beveel slechts, ik ben bereid te gehoorzamen."

"Het verheugt mij zeer, lieve kind", zeide de Afrikaansche toovenaar, terwijl hij hem omarmde, "dat gij hiertoe besloten zijt. Kom hier, grijp dezen ring en til den steen in de hoogte."

"Maar oom", antwoordde Aladdin, "ik ben te zwak, om hem op te tillen; gij moet mij daarbij helpen."

"Neen", sprak de Afrikaansche toovenaar, "jij hebt mijn hulp niet noodig en wij zouden beiden niets uitrichten, wanneer ik je hielp; jij moet hem heelemaal alleen opheffen. Spreek slechts den naam van je vader en van je grootvader uit, als je den ring in de hand neemt, en til hem in de hoogte; je zult zien, dat hij zonder moeite zal meegeven!"

Aladdin deed, zooals de toovenaar hem gezegd had, hief den steen met gemak op en legde hem terzijde.

Toen de steen weggenomen was, zag hij een drie tot vier voet diep hol met een kleine deur en een trap, om nog verder af te dalen.

"Mijn zoon", sprak thans de Afrikaansche toovenaar tot Aladdin, "let nu goed op alles wat ik je ga zeggen. Daal in dit hol af en wanneer je beneden op de laatste trede gekomen bent, dan zul je een open deur zien, die je in een groote gewelfde ruimte zal voeren, welke in drie groote, op elkaar volgende zalen verdeeld is. In elk daarvan zal je rechts en links vier bronzen vazen, zoo groot als tobben, vol goud en zilver zien staan; maar zorg er wel voor, er niets van aan te raken. Eer je de eerste zaal binnentreedt, til je je mantel op en sluit hem eng om je lichaam. Wanneer je daar binnen bent, ga dan zonder je op te houden, recht door naar de tweede, en vandaar, eveneens zonder stil te staan, naar de derde zaal. Pas voor alles op, niet te dicht bij de wanden te komen, of ze zelfs met je kleeren aan te raken; want in dat geval zou je op de plaats dood blijven. Daarom heb ik je gezegd, je mantel dicht tegen je aan te drukken. Aan het einde der derde zaal is een deur, die je in een met prachtige en rijk beladen vruchtboomen beplanten tuin voeren zal. Ga dan steeds rechtuit, en dwars door den tuin zal een weg je naar een trap van vijftig treden voeren, langs welke je op een terras klimmen kunt. Zoodra je boven op het terras gekomen bent, zul je een nis voor je zien en daarin een brandende lamp. Neem deze lamp op, blusch haar uit, gooi de pit benevens de brandbare vloeistof op den grond, stop haar dan tusschen je kleeren op de borst, en breng ze mij. Vrees niet, je kleeren daardoor vuil te maken, want de vloeistof is geen olie, en de lamp zal terstond droog zijn, zoodra je haar leeggegoten hebt. Heb je trek in de vruchten in den tuin, dan kun je er gerust van nemen zooveel ge lust; dit is je niet verboden."

Zoo sprekende, trok de Afrikaansche toovenaar een ring van zijn vinger, en stak hem aan den vinger van Aladdin.

"Dit", zeide hij, "is uw voorbehoedmiddel tegen alle ongeluk, dat je zou kunnen treffen, indien gij slechts stipt alle voorschriften in acht neemt. En ga nu, mijn zoon", voegde hij er bij, "daal onbevreesd den trap af. Dan hebben wij beiden voor ons gansche leven geld als water."

Aladdin sprong met lichten voet het hol in en ging den trap af. Hij vond de drie zalen, die hem de Afrikaansche toovenaar beschreven had, en ging er uiterst behoedzaam doorheen, wijl hij anders vreesde te moeten sterven, indien hij niet precies deed, wat hem was voorgeschreven. Zonder uit te rusten, ging hij den tuin door, klom naar het terras op, nam de brandende lamp uit de nis, gooide de pit en de brandbare vloeistof op den grond, en toen hij haar droog zag, zooals de toovenaar hem gezegd had, verborg hij haar op zijn borst en daalde den trap weer af. In den tuin verwijlde hij bij 't aanschouwen der vruchten, die hij voorheen slechts in 't voorbijgaan gezien had. De boomen in dezen tuin droegen alle zeer buitengewone vruchten, en wel ieder weer van een andere soort. Men zag er witte, helglinsterende en als kristal doorzichtige; roode, deels donker, deels hel; groene, blauwe, violette, gele, en zoo van alle mogelijke kleuren. De witte waren parelen, de helglinsterende en doorzichtige diamanten, de donkerroode robijnen, de groene smaragden, de blauwe turkooizen, de violette amethysten, de gele saffieren enz. En deze vruchten waren alle zoo groot en volkomen, dat men op de gansche wereld niets dergelijks gezien heeft. Aladdin, die hare waarde niet kende was om den aanblik dezer vruchten, die niet naar zijn smaak waren, weinig verheugd; vijgen, druiven en andere edele fruitsoorten, die in China inheemsch zijn, waren hem liever geweest. Hij had echter ook nog niet den leeftijd bereikt, dat men van zulke zaken veel verstand heeft, en zoo verbeeldde hij zich, dat deze vruchten slechts geschilderde glazen waren, en verder geen waarde hadden. Trots dat alles wekte de verscheidenheid der mooie kleuren en de buitengewone grootte en schoonheid van elke vrucht, de begeerte bij hem op, van iedere soort eenige te plukken. Hij nam daarom van elke kleur verscheidene, vulde daarmee zijn beide zakken en twee heel nieuwe tasschen, die de toovenaar tegelijk met de kleeren, die hij hem geschonken had, gekocht had, opdat hij niets anders dan nieuwe zaken hebben zou; en daar de beide tasschen geen plaats meer vonden in zijn zakken, die reeds geheel vol waren, maakte hij ze aan zijn gordel vast, aan elke zijde één. Ook stopte hij nog enkele vruchten in de vouwen van zijn gordel, die van blauwe zijde en dubbel gevoerd was; en borg voorts nog ettelijke op zijn borst tusschen zijn kleed en het hemd.

Nadat hij zich zoo, zonder het te weten, met rijkdommen beladen had, keerde Aladdin snel door de drie zalen weer terug, om den Afrikaanschen toovenaar niet te lang te laten wachten; hij ging met dezelfde behoedzaamheid als de eerste maal, klom weer op, waar hij eerst was afgedaald en vertoonde zich aan den ingang van het hol, waar de Afrikaan hem met ongeduld wachtte. Zoodra Aladdin hem zag, riep hij hem toe: "Lieve oom, ik bid u, geef mij een hand, en help mij eruit."

"Mijn zoon", antwoordde hem de Afrikaansche toovenaar, "geef mij eerst de lamp; ze kan je hinderlijk zijn."

"O neen, beste oom, ze hindert mij volstrekt niet", zeide Aladdin; "ik zal ze u geven, zoodra ik boven ben."

De Afrikaansche toovenaar stond er op, dat Aladdin hem eerst de lamp zou overhandigen, eer hij hem uit het hol hielp, en Aladdin, die de lamp met alle vruchten, die hij bij zich gestoken had, verpakt had, weigerde volstrekt, ze hem te geven, eer hij uit het hol was. Toen geraakte de Afrikaansche toovenaar, van ergernis over de weerspannigheid van den jongen Aladdin in een vreeselijke woede, wierp eenig reukwerk op het vuur, dat hij zorgvuldig onderhouden had, en nauwelijks had hij twee tooverwoorden gesproken, of de steen, die als deksel voor de opening van het hol diende ging van zelf, benevens de aarde daarover, op zijn vorige plaats terug, zoodat alles weer in denzelfden toestand kwam als vóor de aankomst van den Afrikaanschen toovenaar en Aladdin.

De Afrikaansche toovenaar was inderdaad geen broeder van den kleermaker Moestafa, waarvoor hij zich uitgegeven had, en derhalve ook niet Aladdin's oom. Hij was werkelijk geboortig uit Afrika, en daar Afrika een land is, waar men meer dan ergens anders op tooverij verzot is, zoo had hij zich van zijn jeugd af daarop toegelegd, en nadat hij zich ongeveer 40 jaar lang met tooneelkunsten, met de punteerkunst, [3] met reukoffers en met de lectuur van tooverboeken had bezig gehouden, was hij eindelijk tot de ontdekking gekomen, dat er in de wereld een tooverlamp was, welker bezit hem machtiger dan alle koningen der aarde maken zou, indien hij haar in zijn bezit kon brengen. Door een laatste proef met de punteerkunst had hij gevonden, dat deze lamp zich op een onderaardsche plaats midden in China bevond, en wel in de streek en met al de omstandigheden die ons reeds bekend zijn. In het vast geloof aan de waarheid zijner ontdekking was hij, zooals gezegd is, van het uiterste einde van Afrika gereisd en na een langen, moeitevollen tocht in de stad gekomen, welke in de nabijheid van zijn schat lag. Maar ofschoon de lamp zich zeer zeker op die bewuste plaats bevond, was 't hem toch niet veroorloofd, haar zelf te halen of persoonlijk in het onderaardsche verblijf te treden, waar zij te vinden was. Een ander moest er in afdalen, haar halen en hem overhandigen. Daarom had hij zich tot Aladdin gewend dien hij voor een onbeduidenden jonkman hield, zeer geschikt, hem den noodigen dienst te bewijzen; daarbij was hij vast besloten, zoodra hij de lamp in handen zou hebben, het laatste reeds genoemde reukoffer te doen, de twee tooverwoorden uit te spreken, die de reeds bovengenoemde werking zouden hebben, om zoo den armen Aladdin aan zijn hebzucht en zijn boosheid op te offeren, en geen getuige meer in hem achter te laten. De oorvijg dien hij Aladdin gaf, en het gezag dat hij zich op hem aangematigd had, moesten dezen er alleen aan gewennen hem te vreezen en hem stipt te gehoorzamen, opdat hij hem de beroemde tooverlamp terstond zou overhandigen, zoodra hij het verlangde.

Intusschen gebeurde juist het tegendeel van dat, wat hij beoogd had. Bovendien haastte de boosaardige zich alleen daarom zoo zeer, den armen Aladdin in het verderf te storten, wijl hij vreesde, wanneer hij nog langer met hem twistte, dat wellicht deze of gene het hooren kon, en zijne belangrijke geheimen openbaren.

Toen de Afrikaansche toovenaar zich in zijn stoutste en schoonste verwachtingen voor immer teleurgesteld zag, bleef hem niets anders over dan naar Afrika terug te keeren, 't geen hij dan denzelfden dag ook deed. Hij maakte een omweg om niet meer de stad aan te doen, welke hij met Aladdin verlaten had; want hij moest werkelijk vreezen, dat meerdere personen die hem met dezen jongen hadden zien heengaan, het nu vreemd zouden vinden, hem thans alleen terug te zien komen.

Naar alle waarschijnlijkheid was Aladdin verloren. Maar hij, die hem in 't verderf poogde te storten, had er niet aan gedacht, dat hij hem zelf een ring aan den vinger gestoken had, die tot zijn redding dienen kon.

En werkelijk werd Aladdin, door dezen ring, welks kracht hij niet kende, gered, en het is te verwonderen, dat dit verlies, te zamen met dat der lamp, den toovenaar niet in de grootste wanhoop gestort heeft; maar toovenaars zijn zoo zeer aan tegenspoeden en aan het niet verwezenlijken hunner wenschen gewoon, dat zij, zoo lang zij leven, niet ophouden zich te verblijden met luchtkasteelen en hersenschimmen.

Aladdin, die na zoovele liefkoozingen en geschenken op deze slechtheid van zijn zoogenaamden oom in 't geheel niet verdacht was, bevond zich in een ontsteltenis, die zich gemakkelijker denken, dan met woorden beschrijven laat. Toen hij zich zoo opeens levend begraven zag, riep hij duizendmaal zijn oom bij den naam en verklaarde, dat hij hem de lamp gaarne zou geven; maar zijn roepen was tevergeefs, hij kon niet meer gehoord worden en moest alzoo in zwarte duisternis blijven. Eindelijk, nadat hij zijn tranen gedroogd had, klom hij weer langs den trap van het hol naar omlaag, om in den tuin, waardoor hij reeds gekomen was, en in het heldere daglicht te geraken. Maar de muur, die zich voor hem door tooverij geopend had, had zich intusschen door een nieuwe tooverij weer gesloten en bijeen gevoegd. Hij poogde meermalen rechts en links vooruit te komen, zonder nochtans een deur te vinden. Nu begon hij opnieuw te huilen en te snikken en zette zich eindelijk op de treden van het hol neer, zonder hoop, ooit weer het daglicht te zien, maar integendeel met de treurige zekerheid uit de duisternis, waarin hij zich thans bevond, in die van een spoedigen dood over te gaan.

Twee dagen bleef Aladdin in dezen toestand zonder te eten of te drinken. Eindelijk op den derden dag, toen hij zijn dood als onvermijdelijk beschouwde, hief hij de gevouwen handen omhoog en riep met volle gelatenheid in Gods wil uit: "Er is geen kracht en geen macht dan bij God den allerhoogsten en grootsten!"

Terwijl hij zoo de handen gevouwen had, wreef hij, zonder er bij te denken, tegen den ring, dien hem de Afrikaansche toovenaar aan den vinger gestoken had en welks kracht hij nog niet kende. Weldra steeg voor hem een geest als uit de aarde, van ongehoorde grootte en schrikwekkend uiterlijk, die met zijn hoofd den bovenrand van 't hoogste gewelf aanraakte en sprak de volgende woorden tot Aladdin: "Wat wilt gij? Ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als de slaaf van al degenen, die den ring aan den vinger hebben, zoowel ik als de andere slaven van den ring."

Op elken anderen tijd en bij iedere andere gelegenheid zou Aladdin, die aan dergelijke verschijningen niet gewoon was, bij den aanblik eener zoo buitengewone gestalte door schrik zijn aangegrepen, zoodat hij de spraak verloren zou hebben. Thans echter, nu hij alleen aan het gevaar dacht, waarin hij zweefde, antwoordde hij zonder schroom: "Wie gij ook zijn moogt, verlos mij uit dit oord, indien het in uw macht staat." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de aarde opende zich, en hij bevond zich buiten het hol, juist op de plaats, waarheen de toovenaar hem gevoerd had.

Men zal het niet bevreemdend vinden, dat Aladdin, die zoolang in de diepste duisternis gebleven was, in het eerst het daglicht nauwelijks verdragen kon. Eerst langzamerhand gewende hij zich er aan, en toen hij rondkeek, was hij zeer verbaasd, geen opening in de aarde te zien; het was hem onbegrijpelijk, op welke wijze hij zoo ineens uit haren schoot te voorschijn was gekomen. Slechts aan de plek, waar het hout verbrand was geworden, herkende hij de plaats weer, waaronder het hol zich bevond. Toen hij zich hierop naar de stad toekeerde, zag hij haar te midden der haar omringende tuinen, en herkende ook den weg langs welken hem de Afrikaansche toovenaar hierheen gevoerd had. Hij wandelde dienzelfden weg weer terug en dankte God, dat hij zich nog eens op de aarde terugzag, nadat hij reeds de hoop opgegeven had, meer daarop terug te komen. Zoo bereikte hij de stad en sleepte zich met veel moeite voort tot aan zijn woning. Toen hij in de kamer zijner moeder trad, viel hij uit vreugde over het wederzien, verbonden met de door zijn driedaagsch vasten veroorzaakte zwakte, in een onmacht, die eenigen tijd duurde. Zijn moeder, die hem reeds als verloren of als dood beweend had, liet het thans, nu zij hem in dezen toestand zag, aan geen oppassen en aan geen middel ontbreken, om hem weder in 't leven terug te brengen. Eindelijk kwam hij weer bij, en zijn eerste woorden waren: "Lieve moeder, geef mij asjeblieft vóór alles wat eten; ik heb sedert drie dagen nog niets over de lippen gehad." Zijn moeder bracht hem, wat zij juist had, zette 't hem voor en zeide: "Beste jongen, eet niet te haastig, want het kan je schaden; eet heel langzaam en op je gemak, en neem je wel in acht, hoe hongerig je ook bent. Ik verlang niet eens, dat je al tegen mij zult spreken. Je hebt immers nog tijd genoeg, mij je lotgevallen te vertellen, wanneer je weer heelemaal hersteld bent. Na de groote droefheid, waarin ik sinds Vrijdag verkeerd heb, en na de onzeggelijke moeite, die ik mij gegeven heb, om onderzoek naar je te doen, toen het nacht werd en je niet naar huis kwam, ben ik volkomen tevreden, je maar weer te zien."

Aladdin volgde den raad zijner moeder, at langzaam en kalm, en dronk evenzoo. Toen hij klaar was zeide hij: "Lieve moeder, ik kon u eigenlijk bittere verwijten doen, dat ge mij zonder eenige bedenking aan een man toevertrouwd hebt, die het plan had, mij in 't verderf te storten, en op dit oogenblik er vast van overtuigd is, dat ik niet meer in leven ben, of tenminste elk oogenblik sterven kan; doch gij hebt geloofd, dat het mijn oom was, en ik geloofde dit ook. Hoe hadden wij ook anders kunnen denken van een man, die mij met liefkoozingen en geschenken overlaadde en mij zulke schitterende beloften deed. Gij moet echter weten, lieve moeder, dat hij een verrader, een booswicht, een schurk is. Hij heeft mij alleen daarom zooveel geschenken en beloften gegeven, wijl hij mij in 't verderf wilde storten, zonder dat gij noch ik in staat waren, de oorzaak te raden. Ik van mijn kant kan verzekeren, dat ik hem nimmer de minste reden gegeven heb, mij te mishandelen. U zult dit zelf kunnen beoordeelen uit 't juiste verhaal dat ik u thans van alles vertellen zal, wat van onze scheiding of tot de uitvoering van zijn heilloos plan voorgevallen is."

Aladdin begon zijn moeder te vertellen, wat er met hem sedert Vrijdag gebeurd was; waar de toovenaar hem afgehaald had, om de paleizen en tuinen buiten de stad met hem te bezien; verder, wat hem onderweg tot aan de plaats tusschen de twee bergen, waar de groote tooverij gebeuren zou, overkomen was, en hoe tengevolge van een reukwerk, dat in 't vuur geworpen werd en eenige tooverwoorden de aarde zich oogenblikkelijk geopend had, en de ingang van een hol zichtbaar geworden was, dat naar een onmetelijken schat gevoerd had. Ook de oorvijg vergat hij niet, en de manier, waarop de toovenaar, nadat hij weer wat kalm geworden was, hem door groote beloften en door de schenking van een ring overgehaald had, in het hol af te dalen. Daarna vertelde hij uitvoerig, wat hij op zijn heen- en terugweg in de drie groote zalen, in den tuin en op het terras gezien en hoe hij daar de lamp gehaald had. Tegelijkertijd haalde hij haar uit zijn boezem te voorschijn en toonde haar aan zijn moeder, benevens de doorzichtige en bontgekleurde vruchten, die hij op zijn terugweg in den tuin afgeplukt had. Ook gaf hij haar de twee volle buidels, waarom zij echter weinig gaf. En toch waren deze vruchten edelgesteenten, welker flonkerende glans bij het schijnsel der lamp, dat de kamer verlichtte, op hun groote waarde opmerkzaam had moeten maken; maar Aladdin's moeder had van dergelijke dingen even weinig verstand als haar zoon. Zij was in groote armoede opgegroeid en haar man was niet vermogend genoeg geweest, haar zulke kostbaarheden te schenken; ook bij haar buurvrouwen en vriendinnen had zij nooit zulke zaken gezien. Geen wonder alzoo, dat zij ze voor waardelooze dingen aanzag, die hoogstens daarvoor goed waren, de oogen te verlustigen door de verscheidenheid hunner kleuren; vandaar ook, dat Aladdin ze weglegde achter een der kussens van de sofa, waarop hij zat. Hij voltooide daarna het verhaal zijner avonturen, en zeide, hoe hij weer uit het hol had willen komen, hoe de toovenaar de lamp opgeëischt had, en hoe daarna, op zijn weigering door het reukwerk, dat de toovenaar in het nog brandende vuur geworpen had, en eenige daarbij gesproken woorden, de opening van het hol zich oogenblikkelijk weer gesloten had. Niet zonder tranen kon hij haar den ongelukkigen toestand schilderen, waarin hij zich bevonden had, toen hij zich in het fatale hol levend begraven zag, tot het oogenblik, dat hij tengevolge van de aanraking met den ring, welks eigenschappen hij nog niet gekend had, weer te voorschijn en om zoo te zeggen voor de tweede maal op de wereld gekomen was. Toen hij zijn vertelling geëindigd had, zeide hij tot zijn moeder: "Het overige behoef ik u niet te vertellen, het is u bekend. Gij ziet thans welke avonturen en gevaren ik sedert onze scheiding beleefd heb."

Aladdin's moeder had geduldig deze wonderbare en zeldzame, tevens echter voor een moeder, die haar zoon trots al zijn gebreken teeder liefheeft, zoo droevige geschiedenis aangehoord.

Alleen bij de roerendste gedeelten, waar de boosheid van den Afrikaanschen toovenaar zoo duidelijk aan 't daglicht kwam, kon zij haar afschuw niet verbergen. Thans echter, nu Aladdin geëindigd had, liet zij zich in duizend smaadwoorden tegen den bedrieger uit; zij noemde hem een verrader, een schurk, een onmensch, een sluipmoordenaar, leugenaar, toovenaar, een vijand en verderver van het menschelijk geslacht. "Ja, mijn zoon", voegde zij er bij, "het is een toovenaar, en de toovenaars zijn een ware pest der menschheid; zij hebben, dank zij hun toovenarijen en hekserijen, verkeer met de booze geesten. God zij geloofd, die verhoed heeft, dat zijn vreeselijke slechtheid haar doel bij je bereikte. Gij zijt hem voor de genade, die hij je bewezen heeft, grooten dank schuldig; je dood ware onvermijdelijk geweest, wanneer je je zijner niet herinnerd, en hem om hulp aangeroepen hadt." Zoo sprak zij nog veel meer, om haar afschuw over het verraad van den toovenaar uit te drukken. Eindelijk echter bemerkte zij, dat Aladdin, die sedert drie dagen niet geslapen had, de rust noodig behoefde; zij bracht hem daarom te bed en legde zich spoedig daarop eveneens neder.

Aladdin, die in het onderaardsch verblijf, waar hij moorddadigerwijze begraven geweest was, geen rust genoten had, sliep den ganschen nacht vast en ontwaakte den volgenden morgen eerst zeer laat. Hij stond op, en het eerste, dat hij tot zijn moeder zeide, was, dat hij honger had, en dat zij hem geen grooter genoegen kon doen, dan wanneer zij hem een ontbijt gaf.

"Ach, beste jongen", antwoordde zij, "ik heb ook geen enkelen hap brood; je hebt gisteravond 't weinige dat nog in huis was, opgegeten. Maar heb slechts even geduld, dan zal ik spoedig iets brengen. Ik heb wat boomwol gesponnen, dat wil ik verkoopen om brood en iets voor het middagmaal aan te schaffen."

"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "bewaar uw wol voor een anderen keer en geef mij de lamp, die ik gisteren meebracht. Ik wil haar verkoopen, en wellicht krijg ik er zooveel voor, dat wij ontbijt en middageten, en misschien nog zelfs iets voor den avond er voor koopen kunnen."