Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 12

Chapter 121,901 wordsPublic domain

De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: "Prinses, deze zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan, dat een enkel ding eraan ontbreekt."

"En wat dan, mijn goede moeder?" vroeg prinses Bedroelboedoer; "ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen."

"Prinses", antwoordde de valsche Fatime, "vergeef mij, dat ik zoo vrij ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen, dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben, en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn."

"Goede moeder", vroeg de prinses, "wat is dan die Rock voor een vogel, en hoe kan men er een ei van krijgen?"

"Prinses", antwoordde de gewaande Fatime, "het is een vogel van bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen verschaffen."

Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals zij meende, goeden raad, en sprak met haar nog over een menigte andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin kwam nog denzelfden dag 's avonds terug, toen de gewaande Fatime juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. "Dierbare prinses", sprak hij tot haar, "ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen."--"Het is maar een kleinigheid", antwoordde de prinses, "en de zaak hindert mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen, ofschoon het niets van beteekenis is."

"Ik had", ging de prinses voort, "evenals gij, tot nu toe steeds geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het koepelgewelf een Rock-ei hing?"

"Prinses", antwoordde Aladdin, "zoodra gij vindt, dat er nog een Rock-ei aan ontbreekt, dan vind ik het ook, en uit de haast waarmee ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is, wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen."

Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had, overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef haar. Dadelijk verscheen ook de geest. "Geest", sprak Aladdin hem aan, "er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt."

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den grond viel. "Wat, ellendeling!" zei de geest op een toon tot hem, die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen, "is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand, dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw paleis in de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven, dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees daarom wel op uw hoede." Met deze woorden verdween hij.

Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd, vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij voor haar een kamer had ingeruimd.

De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar: "Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult weigeren." Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter, die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter aarde stortte.

"Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?" riep de prinses vol angst, "gij hebt de heilige vrouw gedood!"--"Neen, geliefde prinses", antwoordde Aladdin met groote kalmte; "ik heb niet Fatime gedood, maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet", ging hij voort, terwijl hij hem onthulde, "heeft de echte Fatime geworgd en zich in hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in 't kort, hij was de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder." Aladdin vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet toen het lijk wegbrengen.

Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander en lieten een beroemde nakomelingschap achter.

Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die, van nederige afkomst zich tot de koninklijke waardigheid verheft, en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven, de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is, te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.

AANTEEKENINGEN

[1] In 't Arabisch beteekent dit: adel van den godsdienst.

[2] "Chan" is in Turksche landen de naam voor een groot hôtel, gewoonlijk voor kooplieden bestemd.

[3] Punteerkunst is een soort van waarzeggerij uit stippen of punten.

[4] In 't Arabisch: Maan der manen.

[5] Nog tegenwoordig is het den Perziërs verboden de vrouwen van den koning op straat aan te zien.

MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR WERELDBIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

PER NUMMER:

Ingenaaid 20 Ct. Gecartonneerd 30 Ct. In linnen band 40 Ct.

ABONNEMENT PER JAAR:

20 nummers, in carton f 5,20 20 nummers, in linnen f 7,50 30 nummers, in carton f 7,50 30 nummers, in linnen f 10,-

DE EERSTE NUMMERS VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK (TOT 1 JANUARI 1906).

No. 1 en 2. Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart, door E. Bekker en A. Deken. Met portret en gravures. Inleiding en aanteekeningen van Prof. dr. L. Knappert. No. 3. Martelaren van Rusland, door Jules Michelet, vertaling van S. J. Bouberg Wilson. No. 4. Steunpilaren der Maatschappij, door H. Ibsen, vertaling van F. Kapteyn, inleiding van L. Simons. No. 5 en 6. Inleiding tot de Nieuwe Ned. Dichtkunst (1880-1900), door Albert Verwey, met aanhaling uit de voornaamste werken. No. 7. Aladdin en de Wonderlamp (voor jongeren), door J. W. Gerhard, met 24 illustraties van Sidney H. Heath. No. 8. De Geest van Japan, door Okakura--Yoshisaburo, met inleiding van George Meredith, uit het Engelsch door J. K. Rensburg. No. 9. Het Gevloekte Kind (novelle), door Hon. de Balzac, vertaald en met een inleiding voorzien door C. en M. Scharten--Antink. No. 10 en 11. Herinneringen van een Witten Olifant, door Judith Gautier, met platen van Mucha. No. 12. Het Yellowstone Park, geysers en warme bronnen, door Prof. Hugo de Vries, met 4 fototypiën naar foto's van Prof. Hovey van New-York. No. 13. Iwan de Onnoozele, en andere schetsen, door Graaf Leo Tolstoy, uit het Russisch vertaald door J. Brandt. No. 14 en 15. De Waterkindertjes, van Charles Kingsley, bewerkt door M. v. Eeden-van Vloten, met 10 illustraties van G. v. d. Wall-Perné. No. 16. Ali Baba en de veertig Dieven (voor jongeren), door J. W. Gerhard, met 25 illustraties van H. Granville Fell. No. 17. Een Kerstlied, van Charles Dickens uit het Engelsch door J. Kuylman. No. 18. Boven de Kracht, van Bjornstjerne Björnson, vertaald door Marg. Meijboom. No. 19. Het Mierenboek of de Opvoeding van Opvoeders, door Salzmann, met een voorrede en aanteekeningen van Dr. J. H. Gunning.