Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 11
Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had, sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. "Geest", zei Aladdin, "ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het vervoerd is." De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten; dit alles was het werk van een paar oogenblikken.
Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei tot haar: "Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne morgen volmaakt zullen zijn." Daar de prinses haar avondmaaltijd nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De prinses en Aladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.
Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen, zocht hij dat als 't ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen 's morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was, nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin's paleis weer op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart, dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel zeker Aladdin's paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu na langen kommer en treurigheid van zijn hart meester. Hij keerde ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin's paleis komen.
Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van 't paard stijgen. "Aladdin", sprak de sultan tot hem; "ik kan niet met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd."
Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer, die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China, in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan omhelsde zijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.
De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en sprak: "Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd, dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.
De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader, gehoor te geven. "Heer", sprak zij tot hem, "als ik u zoo onveranderd lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag; ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot, maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe onschuldig ook, zonder twijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld; ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige wijze." Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen, vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde, en hoe zij hem voor den grap Aladdin's lamp, waarvan zij de geheime kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had, dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming, en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin's komst had moeten verduren, en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was, doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden wijn had toegediend. "Omtrent het overige", voegde zij erbij, "moge Aladdin u inlichten."
Aladdin maakte zijn verhaal kort. "Toen men mij", zei hij, "de geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter, haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het paleis te rooven. Zoo heb ik 't dan gedaan gekregen dat het paleis weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is."
Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: "Mijn zoon, neem mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij liet verleiden, vergeven."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik heb niet de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan, wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen, die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is, dan zijn laatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft."
"Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt", antwoordde de sultan, "en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hier vandaan komt."
Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.
Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.
De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook de hulp van den ander noodig had.
Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen Aladdin's geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten, trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle afzonderlijke figuren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen, gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.
Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten, waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen, woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden, in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had, bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.
Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigen geschiedenissen bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn, nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.
"Wat", zei de aangesprokene tot hem, "gij hebt deze vrouw nog nooit gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten, haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen."
De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter, nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde, om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij haar 's avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijk bij groote hitte, wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.
Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime, de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur, trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel droeg en wekte haar.
Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde toestooten en zei tot haar: "Als ge schreeuwt, of slechts het minste gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op, en doe wat ik u zeggen zal."
Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en bevend op. "Vrees niet", sprak de toovenaar tot haar, "ik verlang alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne." Zij ruilden hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime's kleed had aangetrokken zei hij: "Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat de verf niet uitwischt." Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde, zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: "Vrees niets; ik zweer u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten." Fatime liet hem toen in haar cel treden, stak haar lamp aan, nam een penseel en een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk, nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei: "Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere." De toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag, dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.
Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin's paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen, sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.
Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijn gebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen, die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren, bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken; kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor- noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin's paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig vensters hooren kon.
De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en 't haar mede te deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn te bevrijden.
De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord, maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken, zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De prinses stemde toe en vaardigde dadelijk vier bedienden af met het bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.
Zoodra de bedienden de poort van Aladdin's paleis uitkwamen en op het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: "Heilige vrouw, de prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons."--"De prinses bewijst mij veel eer", antwoordde de zoogenaamde Fatime; "ik ben bereid te gehoorzamen." Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.
Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren, wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen, die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.
Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de prinses tot haar: "Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoone gebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder." De gewaande Fatime nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses weder het woord en zei: "Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen."
"Prinses", zei hierop de pseudo-Fatime, "ik bid u, verlang niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te wenden."--"Dat behoeft u niet te verontrusten", hernam de prinses, "ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even rustig houden als in uw afzondering."
De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin's paleis te komen, daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam het aan. "Prinses", sprak hij tot haar, "hoe vast ook het besluit van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven."
Op dit antwoord van den toovenaar stond de prinses op en zeide tot hem: "Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen, opdat gij er een kunt uitzoeken." Hij volgde prinses Bedroelboedoer en koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei, dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de prinses een plezier te doen.
De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te nemen, dat zij het hem toestond. "Goede vrouw", zeide zij tot hem, "het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo verbeterd] hebt."
De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na, zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. "Mijn goede moeder", zei de prinses tot haar, "ik ben zeer verheugd een heilige vrouw, als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?"