Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)
Part 10
Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning aangenaam verrast was, antwoordde: "Geest, red mij ten tweeden male het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen, of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde teruggebracht."--"Wat gij hier verlangt", antwoordde de geest, "staat niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u daarvoor tot den slaaf van de lamp."--"Als dat zoo is," zei Aladdin, "dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij onder de vensters van prinses Bedroelboedoer." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad, stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had, overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van den berg in.
Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom, waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke vreugde, dat hij nu weer de hoop kon voeden, er heer en meester van te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.
Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na, waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar, zijn vijand, herinnerd.
Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was, sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was; zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was, zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. De prinses, die deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich afspiegelde. "Om geen tijd te verliezen", zei de prinses tot hem, "heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom hier." Na deze woorden sloot zij het venster weder.
De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden, eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij zich neder, en Aladdin sprak: "Prinses, vóor wij over iets anders spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf, als om uw vereerden vader, den sultan, en in 't bijzonder om mijns zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik, voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op de kroonlijst gezet heb."
"Ach, dierbare gemaal", antwoordde de prinses, "ik heb wel al gedacht, dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben."--"Prinses," hernam Aladdin, "geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn kant, want ik had de lamp zorgvuldiger moeten bewaren. Laat ons er nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is."
Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land bevonden had, 't zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.
"Prinses", onderbrak Aladdin haar, "ge hebt mij den schurk duidelijk genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar hij haar verborgen heeft."--"Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn boezem verstopt", hernam de prinses, "dat kan ik vast zeggen, daar hij haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft, om zich er tegen mij op te verhoovaardigen."
"Geliefde mijns harten", zei Aladdin hierop, "vergeef mij, als ik u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan 't hart ligt, bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u behandeld heeft."--"Sinds ik hier ben", antwoordde de prinses, "heeft hij zich maar eens per dag aan mij vertoond, en ik ben overtuigd, dat het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken, die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij, dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten, zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid, mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven."
"Prinses", onderbrak haar Aladdin, "ik koester het vertrouwen, dat gij niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden, om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt, om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit, verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen, en geef 't bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet lang laat wachten." De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou opwachten en snel openen.
Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman, die naar 't veld ging.
Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liep Aladdin snel om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen, ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman, of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman, die uit Aladdin's kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk voor hem geopend, en zoo ging hij naar boven in de kamer van prinses Bedroelboedoer. "Liefste", zoo sprak hij haar aan, "hoewel gij zulk een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden, en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden u ooit weder te zien. "Volg alzoo mijn raad", voer Aladdin voort, "tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen, stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder, zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen. Hij zal dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen; want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet."
Daarop antwoordde de prinses: "Ik beken dat het mij een groote overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan afhangt." Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo bijzonder goed staat, in 't bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was die de oude lamp tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij had durven hopen, besloot zij Aladdin's wensch te volvoeren. Zoodra hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel, liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het rijkste en bij haar voornemen 't best passende staatsiegewaad uit. Haar gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen, waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben, indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden, die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.
Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen, ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.
De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer bekoorlijkheid, wees hem met de hand de eereplaats die hij zou innemen, en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid, die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.
Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord, en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot hem: "Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen, als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud, zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat gij mij van Aladdin's lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd, dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heele verdere leven om hem te weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen, den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn."
De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk prinses Bedroelboedoer's gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had, zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen, als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken anderen op de heele aarde overtrof. "Als mijn prinses het mij wil vergunnen", voegde hij erbij, "dan wil ik er twee flesschen van halen en oogenblikkelijk weer terug zijn."--"Het zou mij leed doen, als ik u zooveel moeite veroorzaakte", zei de prinses, "gij zoudt wel iemand kunnen sturen".--"Neen", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "ik moet noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen."--"Als dat zoo is", zei de prinses, "ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel."
De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette, en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem: "Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen; maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen zullen smaken, als wij tezamen wat praten." De toovenaar beschouwde deze keus der prinses als een nieuwe gunst.
Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot hem: "Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo kostelijken wijn gedronken."--"Bekoorlijke prinses", antwoordde hij, "terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de hand hield, "mijn wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid."--"Drink op mijn gezondheid", zei de prinses, "dan zult gij zelf zien dat ik hem beoordeelen kan." Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag dan den beker aan, en zei: "Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik mijn heele leven nog zoo'n voortreffelijken wijn niet gedronken heb."
Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken, en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.
Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den Afrikaanschen toovenaar: "Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders gezondheid." Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in ontvangst te nemen.
De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde, dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met den beker in de hand: "Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver in de kunst, de liefde met alle mogelijke voorkomendheden te kruiden, als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist, voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt."
Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar verveelde, viel hem in de rede en zei: "Laat ons nu drinken, later kunt gij verder spreken." Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond, raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.
De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar in elkaar gezakt was.
Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol vreugde met open armen tegemoet snelde, hield hij haar terug en zei: "Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat, terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt."