Aladdin en de wonderlamp (Verhaal uit de duizend en een nacht)

Part 1

Chapter 14,018 wordsPublic domain

WERELD BIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

ALADDIN EN DE WONDERLAMP (VERHAAL UIT DE DUIZEND EN EEN NACHT)

IN HET NEDERLANDSCH VERTAALD DOOR J. W. GERHARD, MET 24 ILLUSTRATIES VAN SIDNEY H. HEATH

UITGEGEVEN VOOR DE MIJ. VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR DOOR G. SCHREUDERS AMSTERDAM

ALADDIN EN DE WONDERLAMP.

In een zeer rijke en groote hoofdstad van China, welker naam ik mij op 't oogenblik niet herinner, leefde een kleermaker, Moestafa genaamd, die zich van andere menschenkinderen door niets anders onderscheidde dan door zijn beroep. Deze kleermaker Moestafa was zeer arm, en zijn arbeid bracht hem nauwelijks zooveel op, dat hij, zijn vrouw en een zoon, dien God hun geschonken had, daarvan leven konden.

De opvoeding van dezen zoon, die Aladdin [1] heette, was zeer verwaarloosd geworden, zoodat hij allerhande slechte neigingen aangenomen had. Hij was boosaardig, eigenzinnig en ongehoorzaam jegens vader en moeder. Nauwelijks was hij den kinderschoenen ontwassen, of zijn ouders konden hem niet meer in huis houden. Hij ging reeds 's morgens vroeg de deur uit, en deed den ganschen dag niets, dan op straten en pleinen met kleine dagdieven spelen, die jonger waren dan hij.

Toen hij den leeftijd bereikt had, dat hij een handwerk moest leeren, nam zijn vader, die niet in staat was, hem een ander te laten leeren dan het zijne, hem bij zich op het werk, en begon hem in het hanteeren van den naald te onderrichten. Maar alles was vergeefsch: noch goede woorden, noch bedreigingen van den vader vermochten den wispelturigen zin van den zoon te veranderen. Hij kon het niet zoover brengen, dat hij zijn gedachten bijeen hield en vlijtig en aanhoudend aan den arbeid bleef, zooals hij het wenschte. Nauwelijks had Moestafa hem den rug toegekeerd, of Aladdin snapte weg en liet zich den heelen dag niet meer zien. De vader tuchtigde hem, maar Aladdin was onverbeterlijk, en Moestafa moest hem ten laatste tot zijn groote droefheid maar aan zijn lichtzinnig leven overlaten. Dit veroorzaakte hem groot harteleed, en de kommer daarover, dat hij zijn zoon niet tot zijn plicht terugroepen kon, bezorgde hem een hardnekkige ziekte, waaraan hij na eenige maanden stierf.

Daar Aladdin's moeder zag, dat haar zoon niet van plan was, zijns vaders ambacht te leeren, zoo sloot zij de werkplaats, en maakte al het gereedschap te gelde, om zoowel daarvan als van het weinige, dat zij met boomwolspinnen verdiende, met haar zoon te kunnen leven.

Aladdin, die thans niet meer door vrees voor zijn vader binnen de perken gehouden werd, bekommerde zich zoo weinig om zijn moeder, dat hij zelfs de onbeschaamdheid had, haar bij de geringste vermaningen te dreigen, en werd voortdurend lichtzinniger. Hij zocht nog meer dan vroeger jongelieden van zijn leeftijd op, en speelde met hen voortdurend nog hartstochtelijker dan tot nu toe. Dezen levenswandel zette hij tot in zijn vijftiende jaar voort, zonder voor iets anders zin te hebben, en zonder te bedenken, wat eens uit hem worden moest.

Op zekeren dag, toen hij als naar gewoonte met een troepje schooljongens op een vrije plaats speelde, ging er een vreemdeling voorbij die staan bleef en naar hem keek. Deze vreemde was een beroemd toovenaar, en de geschiedschrijvers, die dit verhaal voor ons opgeschreven hebben, noemen hem den Afrikaanschen toovenaar. Wij willen hem eveneens met dezen naam aanduiden, en des te liever, daar hij werkelijk uit Afrika geboortig en eerst sedert twee dagen hier aangekomen was.

't Zij nu, dat de Afrikaansche toovenaar, die veel van de gelaatkunde afwist, in Aladdin's gezicht iets opmerkte, dat tot uitvoering van het plan, 'twelk hem hierheen gevoerd had, zeer dienstig leek, 't zij dat hij een anderen grond mocht hebben, genoeg, hij won inlichtingen in, zonder dat het iemand opviel, naar zijne familie, zijn stand en zijn neigingen. Toen hij van alles, wat hij wenschte, behoorlijk op de hoogte was, ging hij op het jongemensch toe, nam hem eenige passen van zijn kameraden af terzijde, en vroeg hem: "Mijn zoon, is jouw vader niet de kleermaker Moestafa?"

"Ja, beste heer," antwoordde Aladdin, "maar hij is reeds lang dood."

Bij deze woorden viel de Afrikaansche toovenaar Aladdin om den hals, omarmde hem en kuste hem al zuchtend herhaalde malen met tranen in de oogen. Aladdin zag deze tranen en vroeg, waarom hij weende.

"Ach mijn zoon," riep de Afrikaansche toovenaar, "hoe zou ik mij kunnen goed houden? Ik ben je oom, en uw vader was mijn geliefde broeder. Ik ben reeds vele jaren op reis, en in het oogenblik, dat ik hier kom, vol hoop, hem terug te zien en door mijn terugkomst te verblijden, zeg je mij, dat hij dood is! Ik verzeker je, dat het mij bitter leed doet, mij beroofd te zien van den troost, dien ik verwachtte. Wat mijn droefheid alleen nog een weinig verzachten kan, is, dat ik, voor zoover ik mij herinner, zijn trekken op jouw gezicht terugvind, en ik zie, dat ik mij niet vergist heb, toen ik mij tot je wendde."

Hij vroeg hierop Aladdin, terwijl hij zijn beurs te voorschijn trok, waar zijn moeder woonde. Aladdin lichtte hem terstond in en de Afrikaansche toovenaar gaf hem tegelijk een handvol klein geld met de woorden: "Mijn jongen, ga spoedig naar je moeder, groet haar van mij en zeg haar, dat ik, voor zoover de tijd het mij veroorlooft, haar morgen bezoeken zal, om mij den troost te verschaffen, de plek te zien, waar mijn lieve broeder zoo lang geleefd en zijn dagen geëindigd heeft."

Zoodra de Afrikaansche toovenaar den neef, dien hij zich zooeven zelf bezorgd had, verlaten had, liep Aladdin, vol vreugde over het ontvangen geld, dat zijn oom hem geschonken had, naar zijn moeder.

"Moedertje", zeide hij bij 't binnentreden, "zeg mij asjeblieft, of ik een oom heb."

"Neen, mijn jongen," antwoordde de moeder, "je hebt geen oom, noch van je vaders kant noch van mijn kant."

"En toch", ging Aladdin voort, "heb ik zooeven een man gezien, die zich voor mijn oom van vaders zijde uitgaf en verzekerde, dat hij een broer van vader was. Hij heeft zelfs geweend en mij omhelsd, toen ik hem vertelde, dat mijn vader dood was. Ten bewijze, dat ik de waarheid spreek," voegde hij er bij, terwijl hij het ontvangen geld toonde, "zie eens, wat hij mij geschonken heeft. Hij heeft mij bovendien opgedragen, u uit zijn naam te groeten en u te zeggen, dat hij, wanneer hij tijd heeft, morgen bij u zijn opwachting zal maken, om het huis te zien, waar vader geleefd heeft en waar hij gestorven is."

"Mijn zoon", antwoordde de moeder, "het is waar, je vader had een broeder, maar die is reeds lang dood en ik heb hem nooit hooren zeggen, dat hij nog een anderen had."

Daarmee werd het gesprek over den Afrikaanschen toovenaar afgebroken.

Den volgenden dag naderde deze Aladdin voor de tweede maal, toen hij op een ander plein in de stad met andere kinderen speelde. Hij omarmde hem, als daags te voren, en drukte hem twee goudstukken in de hand, met de woorden: "Mijn zoon, breng dit aan je moeder, zeg haar, dat ik haar vanavond zal komen bezoeken, en zij moet daarvoor iets koopen voor het avondmaal, opdat wij te zamen eten kunnen. Maar zeg mij nu eerst, hoe ik het huis vinden kan."

Aladdin duidde 't hem uit, en de Afrikaansche toovenaar liet hem gaan.

Aladdin bracht de twee goudstukken aan zijn moeder, en zeide haar, wat zijn oom van plan was te doen. Zij vertrok, om het geld te besteden, kwam met goeden mondvoorraad terug, en daar het haar aan een groot deel van 't noodige tafelgereedschap ontbrak, leende zij dat bij hare buurvrouwen. Zij besteedde den heelen dag aan de voorbereiding van het maal en 's avonds, toen alles gereed was, zeide zij tot Aladdin: "Mijn zoon, je oom weet wellicht ons huis niet te vinden, ga hem tegemoet, en breng hem hierheen, wanneer je hem ziet."

Ofschoon Aladdin den Afrikaanschen toovenaar het huis had uitgeduid, wilde hij zich toch juist verwijderen, toen men aan de deur klopte. Aladdin opende en herkende den Afrikaan, die met verscheidene wijnflesschen en vruchten van allerlei soort binnentrad.

Nadat de Afrikaansche toovenaar dit alles aan Aladdin overhandigd had, begroette hij zijn moeder en verzocht haar, hem de plek op de sofa te wijzen, waar zijn broer gewoonlijk zat. Zij wees hem dien. Nu wierp hij zich terstond op den grond neer, kuste de plek verscheidene malen en riep met tranen in de oogen uit: "Arme broeder, hoe ongelukkig voor mij, dat ik niet tijdig genoeg gekomen ben, om je voor je dood nog eenmaal te omarmen!"

Hoe Aladdin's moeder hem daarom ook verzocht, hij wilde toch niet op deze plaats gaan zitten.

"Neen", zeide hij, "ik zal wel oppassen, maar veroorloof mij, dat ik daar tegenover plaats neem, opdat ik, wanneer mij ook al het genoegen ontzegd is, hem persoonlijk als vader uwer mij zoo dierbare familie te zien, mij ten minste inbeelden kan, dat hij daar nog zit."

Aladdin's moeder drong nu niet verder bij hem aan, maar liet hem plaats nemen, waar hij wilde.

Toen de Afrikaansche toovenaar plaats genomen had, waar 't hem behaagde, ving hij een gesprek met Aladdin's moeder aan.

"Lieve zuster", zeide hij tot haar, "verwonder je niet, dat je mij gedurende al den tijd, dat je met mijn broeder, zaliger gedachtenis, gehuwd was, nooit gezien hebt. Het is nu al veertig jaar geleden, dat ik dit land, dat zoowel mijn geboortegrond als die van mijn zaligen broeder is, heb verlaten. Sedert heb ik reizen gedaan naar Indië, Perzië, Arabië, Syrië en Egypte, mij in de mooiste steden dezer landen opgehouden, en ben toen naar Afrika vertrokken, waar ik langen tijd verbleef. Daar het echter den mensch aangeboren is, zijn geboortegrond, zoowel als zijn ouders en gezellen der jeugd ook in de verste gewesten nooit uit 't geheugen te verliezen, zoo heeft ook mij een zoo geweldig verlangen aangegrepen, mijn vaderland weder te zien en mijn geliefden broeder te omarmen, thans, nu ik nog kracht en moed voor zoo'n verren tocht in mij voelde, dat ik zonder verder uitstel mijn toebereidselen nam, en mij op weg begaf. Ik zeg je niets van den duur der reis, noch van de hindernissen, die mij in den weg kwamen, noch van de vermoeienissen en ontberingen, die ik te overwinnen had, eer ik hier aankwam. Ik zeg je alleen, dat mij op al mijn reizen niets zoo diep gekrenkt en bedroefd heeft, als het bericht van den dood eens broeders, dien ik steeds met echt broederlijke vriendschap bemind had. Ik ontdekte eenige trekken van hem op het gezicht van mijn neef, jouw zoon, en dit maakte, dat ik hem uit alle overige kinderen, waarmee hij speelde, herkende. Hij heeft je wellicht verteld, hoezeer het treurige bericht van den dood mijns broeders mij aangreep. Doch, wat God doet, is welgedaan; ik troost mij, hem in zijn zoon terug te vinden, die zoo'n opvallende gelijkenis met hem heeft."

Toen de Afrikaansche toovenaar zag, dat Aladdin's moeder bij de herinnering aan haar man geroerd werd en opnieuw zich bedroefde, brak hij het gesprek af, wendde zich tot Aladdin, en vroeg hem naar zijn naam.

"Ik heet Aladdin", antwoordde deze.

"Welnu, Aladdin", ging de toovenaar voort, "wat voert gij uit? Versta je ook een ambacht?"

Bij deze vraag sloeg Aladdin zijn oogen neer en werd verlegen. Zijn moeder echter nam nu het woord en zeide, "Aladdin is een deugniet. Zijn vader heeft, zoolang hij leefde, al 't mogelijke gedaan, om hem zijn ambacht te leeren; maar hij kon zijn doel niet bereiken, en sedert hij dood is, zwerft die jongen, ondanks al mijn dagelijksche vermaningen, den ganschen dag op de straten rond en speelt met kinderen, zooals gij gezien hebt, zonder te bedenken, dat hij geen kind meer is; wanneer gij hem derhalve niet beschaamd en hij zich uwe vermaning niet ten nutte maakt, dan geef ik alle hoop op, dat er nog ooit iets goeds uit hem wordt. Hij weet, dat zijn vader geen vermogen heeft nagelaten, en ziet zelf, dat ik met den heelen dag boomwol spinnen nauwelijks het brood voor ons beiden verdienen kan. Ik ben besloten, de volgende dagen eens de deur voor hem gesloten te houden en hem weg te zenden; dan moet hij zijn onderhoud maar ergens anders zoeken."

Toen Aladdin's moeder onder vele tranen aldus gesproken had, zeide de Afrikaansche toovenaar tot den jongen: "Dat is niet goed, mijn neef; gij moet er aan denken, je zelf voort te helpen en je levensonderhoud te verdienen. Er zijn immers zoovele beroepen in de wereld; denk er eens over, of er niet één onder is, waarvoor je meer neiging gevoelt, dan voor de andere. Wellicht bevalt alleen dat van je vader je niet en zou je meer plezier in een ander vinden; verberg mij je wenschen hieromtrent niet, ik wil immers alleen je eigen best."

Toen hij zag, dat Aladdin niets antwoordde, ging hij voort: "Bevalt het je soms heelemaal niet, een handwerk te leeren en wil je een aanzienlijk man worden, zoo wil ik voor je een winkel met kostbare stoffen en fijne linnen goederen inrichten; je kunt dan deze waren verkoopen, met het geld, dat je daarvoor ontvangt, weer den inkoop van nieuwe waren bestrijden en op deze wijze een behoorlijk bestaan vinden. Vraag jezelf nu af, en zeg mij openhartig, wat je denkt. Je zult mij steeds bereid vinden, mijn belofte na te komen."

Dit aanbod streelde Aladdin zeer; elk handwerk verfoeide hij, en des te meer, wijl hij opgemerkt had, dat zulke winkels, waarvan zijn oom gesproken had, steeds aardig en sterk bezocht en de kooplieden goed gekleed en zeer geacht waren.

Hij verklaarde daarom den Afrikaanschen toovenaar, dat zijn neiging meer naar deze zijde gericht was, dan naar elke andere, en dat hij hem zijn heele leven lang dankbaar zou zijn voor de weldaad, die hij hem bewijzen wilde.

"Daar dit beroep je aanstaat", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "zal ik je morgen meenemen, en je zoo fraai en rijk laten kleeden, als het een der eerste kooplieden in deze stad betaamt; overmorgen willen wij er dan aan denken, zulk een winkel te huren, als ik in gedachten heb."

Aladdin's moeder, die nog maar niet geloofd had, dat de Afrikaansche toovenaar de broeder van haar man was, twijfelde er na zulke schitterende beloften niet meer aan. Zij bedankte hem voor zijn goede gezindheid, en nadat zij Aladdin vermaand had, zich de weldaden, die zijn oom hem in 't vooruitzicht stelde, waardig te toonen, diende zij het avondmaal op. Het gesprek tijdens den ganschen maaltijd liep steeds over hetzelfde onderwerp, totdat eindelijk de toovenaar zei, dat de nacht al ver verstreken was. Hij nam afscheid van moeder en zoon en ging naar huis.

Den volgenden morgen verzuimde de Afrikaansche toovenaar niet, volgens afspraak weer een bezoek bij de weduwe des kleermakers Moestafa te brengen. Hij nam Aladdin met zich mede naar een grooten koopman, die alleen gemaakte kleeren van alle mogelijke stoffen en voor menschen van elken leeftijd en stand verkocht. Hij liet zich verscheidene hiervan toonen, die voor Aladdin pasten, en nadat hij had uitgezocht, wat hem het beste beviel en de andere, die niet zoo mooi waren, als hij wenschte, op zij geschoven had, zei hij tot Aladdin: "Beste neef, kies nu uit al deze kleeren dat uit, wat je het beste bevalt." Aladdin, die over de mildheid zijns nieuwen ooms heelemaal verrukt was, koos er een uit, en de toovenaar kocht het met alles, wat erbij behoorde, tegen bare betaling, zonder af te dingen.

Toen Aladdin zich van het hoofd tot de voeten zoo prachtig gekleed zag, bedankte hij zijn oom met de grootste hartelijkheid en de toovenaar beloofde hem, hem ook voor 't vervolg niet te verlaten, maar hem steeds bij zich te houden. Werkelijk bracht hij hem nu in de drukste buurten der stad, vooral in die, waar de winkels der rijkste kooplieden waren, en in de straat waarin de winkels met de mooiste stoffen en het fijnste linnengoed zich bevonden, zeide hij tot Aladdin: "Wijl je spoedig ook zulk een koopman zult zijn, als deze hier, is het goed dat je hen bezoekt, opdat ze je leeren kennen." Hij wees hem ook de prachtigste en grootste moskeeën en bracht hem in de "Chan" [2] waar de vreemde kooplieden woonden, en naar alle plaatsen in het paleis van den Sultan, waar men vrijen toegang had. Eindelijk nadat zij te zamen de schoonste deelen der stad doorkruist hadden, kwamen zij in de "Chan", waar de toovenaar woonde. Daar waren eenige kooplieden met wie hij sedert zijn aankomst kennis gemaakt had, en die hij opzettelijk uitgenoodigd had, om hen goed te onthalen en hen zijn zoogenaamden neef voor te stellen.

Het gastmaal eindigde eerst in den laten avond. Aladdin wilde van zijn oom afscheid nemen, om naar huis terug te keeren, maar de Afrikaansche toovenaar wilde hem niet alleen laten gaan, en geleidde hem zelf tot zijne moeder terug. Toen deze haar zoon in zulke prachtige kleeren zag, was zij buiten zich zelven van vreugde, en hield maar niet op, zegeningen over het hoofd des toovenaars af te smeeken, die voor haar zoon zooveel geld uitgegeven had.

"Grootmoedige zwager", zeide zij tot hem, "ik weet niet hoezeer ik u voor uw goedheid danken zal, maar dat weet ik, dat mijn zoon de weldaden, die gij hem bewijst, niet verdient, en hij zou ze volkomen onwaardig zijn, zoo hij niet dankbaar ware, en de goede bedoelingen welke gij met hem hebt, hem een zoo schitterende zaak te geven, niet beantwoordde. Ik voor mijn persoon," voegde zij er bij, "dank u van ganscher harte en wensch u een lang leven om getuige te zijn van de dankbaarheid van mijn zoon, die haar niet beter aan den dag kan leggen, dan wanneer hij zich door uw goede raadgevingen leiden laat".

"Aladdin is een goede jongen," antwoordde de Afrikaansche toovenaar; "hij luistert naar mij en ik geloof, dat wij iets flinks van hem maken kunnen. Het doet mij slechts leed, dat ik al niet morgen mijn belofte houden kan. Het is immers Vrijdag, waarop alle winkels gesloten zijn, en men er niet aan behoeft te denken, er een te huren en van waren te voorzien; want de kooplieden denken op dezen dag slechts aan allerlei genietingen. Daarom zullen wij de zaak tot Zaterdag moeten uitstellen. Overigens zal ik hem morgen weer meenemen en in de tuinen laten wandelen, waar men gewoonlijk de groote wereld aantreft. Hij heeft wellicht nog geen begrip van de genoegens, die men daar geniet; tot nu toe was hij steeds nog maar met kinderen te zamen, thans moet hij ook volwassen menschen zien".

De Afrikaansche toovenaar nam eindelijk afscheid van moeder en zoon en vertrok. Aladdin echter, die reeds zoo uitermate blij was met zijn mooie kleederen, verheugde zich bij voorbaat in de heerlijke wandeling in de omgeving der stad. Inderdaad was hij nog nimmer buiten de poort geweest en had hij nog nimmer de omstreken gezien, die bijzonder mooi en bekoorlijk waren.

Den anderen morgen stond Aladdin zeer vroeg op en kleedde zich aan, om klaar te zijn als zijn oom hem zou komen afhalen. Nadat hij, zooals hij dacht, lang gewacht had, opende hij eindelijk vol ongeduld de deur en ging naar buiten om te zien of hij er nog niet aankwam. Zoodra hij hem bemerkte, zeide hij het aan zijn moeder, nam afscheid van haar, sloot de deur en snelde hem tegemoet.

De Afrikaansche toovenaar verwelkomde Aladdin allervriendelijkst.

"Komaan, mijn beste jongen", zei hij met een lachend gezicht tot hem, "vandaag zal ik je mooie dingen laten zien".

Hij voerde hem een poort uit, voorbij groote en mooie huizen, of liever langs prachtige paleizen, waarvan elk een zeer mooien tuin had, waarin men vrij mocht rondwandelen. Bij elk paleis dat zij voorbij kwamen vroeg hij Aladdin, of het hem beviel, en Aladdin, die hem gewoonlijk vóór was, zeide, zoodra hij weer een ander zag: "Oh! lieve oom! dit is nog veel prachtiger dan alle vorige!"

Ondertusschen gingen zij steeds verder en de listige toovenaar, die dit slechts deed, om het plan, dat hij in zijn hoofd had, te kunnen uitvoeren, trad eindelijk een dezer tuinen in. Hij zette zich neer naast een groot bekken, waarin door een bronzen leeuwenmuil kristal-helder water stroomde, en hij hield zich vermoeid, opdat Aladdin eveneens zou gaan uitrusten.

"Beste neef", zeide hij tot hem, "je zult wel even vermoeid zijn als ik; laat ons hier wat gaan uitrusten, om nieuwe krachten te verzamelen; wij zullen daarna met nieuwen moed onze wandeling kunnen voortzetten."

Toen zij zich gezet hadden, haalde de Afrikaansche toovenaar uit een doos, die aan zijn gordel bevestigd was, koeken en allerlei soorten van vruchten, die hij als mondvoorraad meegenomen had, en spreidde alles op den rand van het bassin uit. Hij deelde een koek met Aladdin, en uit de meegebrachte vruchten liet hij hem naar welgevallen kiezen. Tijdens dit kleine maal maande hij zijn zoogenaamden neef aan, zich los te maken van den omgang met kinderen, daarentegen zich aan te sluiten bij wijze en verstandige mannen, naar dezen te luisteren en uit hunne gesprekken leering te putten. "Spoedig", zei hij tot Aladdin, "zul je een man zijn, gelijk zij, en je kunt je er niet vroeg genoeg aan gewennen, naar hun voorbeeld verstandig te redeneeren."

Toen zij den kleinen maaltijd geëindigd hadden, stonden zij op en zetten hun wandeling dwars door de tuinen voort, die van elkaar slechts door smalle greppels gescheiden waren, welke de grens vormden, zonder nochtans de verbinding te belemmeren. Het wederzijdsch vertrouwen, dat de bewoners dezer stad jegens elkaar hadden, deed hen alle verdere voorzorgsmaatregelen om booswillige benadeelingen te voorkomen, als onnoodig beschouwen. Ongemerkt voerde de Afrikaansche toovenaar Aladdin tamelijk ver buiten de tuinen en doorwandelde met hem de vlakte, die hen langzamerhand in de nabijheid der bergen voerde.

Aladdin, die in zijn leven nog nooit zoo'n verren weg afgelegd had, voelde zich door dezen marsch zeer vermoeid en zeide tegen den Afrikaanschen toovenaar: "Waarheen gaan wij dan, lieve oom? Wij hebben de tuinen reeds ver achter ons gelaten en ik zie niets meer dan bergen. Wanneer wij nog langer zoo voortgaan, weet ik niet, of ik nog kracht genoeg zal hebben, om naar de stad terug te keeren."

"Verlies den moed maar niet", antwoordde de valsche oom; "ik wil je nog een anderen tuin laten zien, die alle, welke je tot nu toe gezien hebt, verre overtreft; hij is slechts een paar schreden hier vandaan, en wanneer wij eenmaal daar zijn, dan zul je zelf zeggen, dat het je erg gespeten zou hebben, als je hem niet gezien had, na er zoo dicht bij te zijn gekomen." Aladdin liet zich overreden, en de toovenaar voerde hem nog zeer ver, terwijl hij hem met allerlei aardige verhalen onderhield, om hem den weg minder vervelend en de vermoeidheid dragelijker te maken.

Eindelijk kwamen zij tusschen twee bergen van middelmatige hoogte, die tamelijk gelijk en slechts door een smal dal gescheiden waren. Dit was 't merkwaardige oord, waarheen de Afrikaansche toovenaar Aladdin had willen brengen, om een groot plan met hem uit te voeren, ter wille waarvan hij van het uiterste eindje van Afrika naar China gereisd was.

"Hier zijn we, waar wij wezen moeten", zeide hij tot Aladdin; "ik zal je hier buitengewone dingen toonen, die alle overige stervelingen onbekend zijn. Wanneer je ze gezien zult hebben, zul je er mij dankbaar voor zijn, dat ik je tot getuige van zoovele wonderdingen gemaakt heb, die behalve jij nog nooit iemand gezien heeft. Terwijl ik nu met het staal vuur maak, leg je hier zooveel droge takjes op elkaar, als je slechts vinden kunt, opdat wij een vuur kunnen aanmaken."

Er lag hier zooveel droog hout, dat Aladdin weldra een meer dan voldoenden hoop ervan bijeen had, terwijl de toovenaar een zwavelstokje aanstak. Hij maakte daarmee het vuur aan, en op het oogenblik, dat het hout opvlamde, wierp de toovenaar er allerlei reukwerken op, die hij reeds gereed had gehouden. Een dikke rook steeg omhoog, dien hij nu eens dezen, dan weer genen kant uitwendde, terwijl hij allerlei tooverwoorden uitsprak, waarvan Aladdin niets verstond.