Chapter 6
--Foolish boy, with stupid mind, All your chatter Is mere clatter; Now, you've parents, over-kind. Perhaps, one day, I may be able, To your house a turn to take, Unprovided see your table, What a figure you'll then make!
Soon your parents you may lose; Will you heedful, Then the needful, With wise care, judicious, choose? No, poor boy, with awkward faces, Should you, thankless, still remain, You will make but wry grimaces, And feel hunger's gnawing pain!--
VII.
THE LONGEST DAY.
De langste dag, III, blz. 146.
Almanack, Lying pack, Shuffling seer, Cheat, that's clear! But one longest day each year? If you my advice would take: You'll a hundred longest make.
He who first has left his bed, Has the longest day; He who learns with sharpest head, Has the longest day; He who 's well his lessons said, Has the longest day.
This you can do, were it daily; Three times hundred and three score, Were it even five days more! Then the year you'll spend right gaily,
This believe and understand: Do it but a hundred times, And you'll shout in merry rhymes, Gaily dancing hand in hand:
Almanack Lies alack; Shuffling seer! Cheat, that's clear! If you my advice will take: You'll a hundred longest make!
VIII.
CIRCLES IN THE WATER.
Kringetjes in 't Water, III, blz. 161.
Pebble-stone, so smooth and round, In the stream with gurgling sound, Down when dashing, Round a splashing, How the silv'ry pearls abound! Swift from casting hand you're sliding, Wriggling down away then gliding.
Where the pebble stone has been, In the water a circle is seen, Further flowing, Ever growing, Long observed by gazers keen; Ever showing by its bending, Where the stone fell swift descending.
Recollect, my lass, my lad, Thus it goes with good and bad; Hours don't tarry, Years will carry Long the marks of deeds, oft sad. Pointed out by conscience' finger, In the heart that spot doth linger!
V.
I.
Vroeg op, en vroeg naar bed te zijn, Dat is de beste medicijn.
II.
Bidt en dankt den Heer! Als gij slapen gaat; Als ge uit bed opstaat, Dankt en bidt hem weêr!
III.
Hoe langer of men slaapt, Hoe korter dat men leeft; Hoe wijder of men gaapt, Hoe minder dat men heeft.
IV.
Regt te wasschen En te plassen, Dat er, over 't heele lijf, Nergens vuil of smetje blijv'.... Zij, des ochtends, 't eerst bedrijf.
V.
Houd u heele leven lank Ziel en ligchaam even blank.
VI.
Een vuile hand, al draagt ze een gouden ring, Blijft toch altijd een leelijk, morsig ding.
VII.
Wees rein en keurig op uw kleêren: De vogels kent men aan hun veeren!
VIII.
Wie knap gekleed is, zal ik wèl ontvangen, Wie knap kan praten, zal ik weêr verlangen, Wie knap kan doen, daar zal 'k mijn hart aan hangen.
IX.
Lustig zij de dag begonnen: Goed begin is half gewonnen!
X.
Wanneer gij 's morgens aan het werk zult gaan, Denk eerst aan wat gij gistren hebt gedaan.
XI.
Wie langzaam denkt en handig doet Die maakt zijn zaakjes zeker goed.
XII.
Wanneer gij handelt zonder overleg, Zijt ge als een reiziger (geloof wat ik u zeg!) Die zonder reisgeld trok op weg.
XIII.
Al hadt ge, tot ontwikkling van Verstand, De beste Meesters van het Land, Uw geest moet willig zijn en vaardig in 't begrijpen: Al woudt ge een kei ook honderd jaren slijpen, Hij wordt toch nooit een diamant.
XIV.
Zal de hazelnoot u smaken, ('t Geldt ook nog voor andre zaken) Schuw dan niet, den bast te kraken.
XV.
Elk menschenwerk is onvolmaakt, Het hapert altijd hier of daar, Doch 't best is, dat we ons best maar doen, Alsòf het te volmaken waar'!
XVI.
Te laat! dat is een leelijk woord: Ik hoop, dat gij het nimmer hoort. Dan is het beter nog, te vroeg! Maar 't beste, dat is: tijds genoeg!
XVII.
Wie ieder raad te geven weet: Is voor zich zelv' soms 't minst gereed.
XVIII.
Gistren, is geheugensplaag, Morgen, maakt de handen traag; Daarom, doe uw werk: van Daag!
XIX.
Eet, wat gaar is, Drink, wat klaar is, Spreek, wat waar is!
XX.
Wie leven wil gezond, In geest- en ligchaamskracht, Die laat' niets onbedacht Of in- of uit zijn mond!
XXI.
Lekker in den mond, Voedzaam en gezond, Is de wèlverdiende beet, Die besproeid is met ons zweet.
XXII.
Begeer van kennis steeds het Beste; Zijt gij tevreê met wat er restte, Dan krijgt ge niets ten leste.
XXIII.
Eens gezien, is niet gezien, Tweemaal, is pas half gezien, Driemaal eerst, is goed gezien.
XXIV.
Wat ge graag gedaan mogt vinden, Vraag het magen niet of vrinden; Niemand doet uw zaken goed, Kindlief! zoo gij 't zelf niet doet.
XXV.
Een blij gelaat, een vroom gemoed, Een rappe hand, een vlugge voet, Is ieder kind een kostlijk goed.
XXVI.
't Is niet genoeg den weg te weten, Wanneer men ergens komen wil; Ook 't loopen moet gij niet vergeten.... Sta dus in 't goede nimmer stil!
XXVII.
Als men betalen moet of zorgen, Is de allerslechtste van de slechte borgen: Morgen!
XXVIII.
Leer te kunnen, wat gij doet, Leer te willen, wat gij moet.... Maar uw wil en daad zij goed!
XXIX
Laat gij iets na--of doet gij iet, Wat gij begeert dat niemand weet of ziet.... Zoo laat het niet--of doe het niet.
XXX.
Honderd handen, hoe ook in de weer, Doen niet half soms dat, wat ik begeer; Één verstandig hoofd doet meestal meer.
XXXI.
Wie niet sterk is, kan wijs zijn, Wie niet mooi is, kan lief zijn, Wie niet rijk is, kan braaf zijn.
XXXII.
Lange wegen leggen Tusschen doen en zeggen.
XXXIII.
Als ge in uw binnenkamer zijt En, eenzaam, meester van uw tijd, Zorg dat ge in goed gezelschap zijt.
XXXIV.
Gaauw zei tegen Goed ('t Was dom van den bloed!): Hoe komt het, dat ik u zoo zelden ontmoet?
XXXV.
Och! geloof me, en zeg het voort: Meestal is het nuttigst woord Dàt, wat men ongaarne hoort.
XXXVI.
Oortjes open, mondje toe, Dat maakt kindren vroom en vroê.
XXXVII.
Uw tong zij sleutel van 't gemoed!-- Maar daarom is het nog niet goed Dat gij 't voor Ieder opendoet.
XXXVIII.
Een woord te weinig heeft maar zelden nog berouwd; Een woord te veel heeft altijd kwaad gebrouwd.
XXXIX.
Een, die zijn tong niet houdt in band, En toch wil door de wereld komen, Is als een ruiter Onverstand, Die denkt te rijden zonder toomen: Geen twintig pas.... daar ligt de kwant!
XL.
Eén woord te onpas Is erger soms (schijn 't ook wat kras), Dan dat men stom geboren was.
XLI.
Een goede wil, een goede raad, Maak daarop niet te zeker staat, Maar houd u aan een goede daad.
XLII.
Soms zegt wel Ja het mondje, Maar 't hartje dat zegt Neen... Ik bid je, lieve kindren! Maakt ze tot één.
XLIII.
Weet ge, wat u met gemak Dubble winst verkrijgen doet? Langzaam in den zak, Haastig aan den hoed!
XLIV.
Veel geven, als men niets te geven heeft, En dan nog méér ontvangen, dan men geeft, Gij kunt het, rijk of arm--wees slechts beleefd!
XLV.
Wilt gij geholpen zijn, bedenkt het, jonge maats! Een goed en vriendlijk woord vindt steeds een goede plaats.
XLVI.
Wanneer een vreemdling u ontmoet, Kijk dan ten eerste naar zijn hoed.... Men kent een man vaak.... aan zijn groet.
XLVII.
De naarstigheid is grooter schat, Dan dat gij goud of zilver hadt.
XLVIII.
De naarstige hand, De sobere tand, Het nedrig verstand, Koopt anderluî land.
XLIX.
De Luiheid slentert zóó langs straat Dat de Armoe, schoon ze op krukken gaat, Haar inhaalt, eer ze er acht op slaat.
L.
De vogels krijgen wel den kost om niet, Ze ploegen, zaaijen, maaijen, oogsten niet, Maar zonder vliegen krijgen zij toch niet.
LI.
Een stuiver minder te verteren, Dan men door arbeid daaglijks wint, Doet kopergeld in goud verkeeren:-- Onthoud het wel mijn lieve kind!
LII.
Fortuin's regterhand Heet Verstand,-- Spaarzaamheid heet zijn linkerhand.
LIII.
Wie zich aan sparen heeft gewend, Al was het daags een enkle cent,-- Hij wordt een guldens Heer op 't end.
LIV.
Of ik een verkwister geev', Och 't gaat allemaal te loor.... Gooit ge water in een zeef, 't Loopt er door.
LV.
De zuinigheid weet beter raad Om goed te doen met middelmaat, Dan rijkdom weet met overdaad.
LVI.
Tien duizend druppels maken gaauw een plas; Tien duizend centen.... reken eens, hoe ras Of dat een som van Honderd Gulden was?
LVII.
Wie meer begeert, dan hij verkrijgen kan, Al was hij ook de rijkste man, Is armer, dan die weltevreden leeft Met wat hij heeft.
LVIII.
De beste rijkdom dien ik weet, Is brood, dat men in eeren eet.
LIX.
Niet hij is rijk, die meer dan andren heeft, Maar die aan armer liên van 't zijne geeft.
LX.
Tweemaal geeft, wie daadlijk geeft; Half slechts weigert, wie beleefd En met spoed geweigerd heeft.
LXI.
Wie op zijn' rijken buurman ziet Is arm, al heeft hij daaglijksch brood; Wie op zijn armen buurman ziet Is rijk, al zit hij in den nood.
LXII.
Wees met een kleine bron tevreê!-- Zeg mij? al hadt ge een 'heele zee, Verslaat ge uw' dorst er beter meê?
LXIII.
Veel kleine vischjes zwommen des Morgens in een' stroom, De Visscher zeî: 'k zal wachten tot er een grooter koom'... 't Werd Avond--en toen zwom er geen een meer in den stroom.
LXIV.
Een kleine haas sprong uit het kruid, Een grooter haas sprong hem vooruit, De Jager kwam tot geen besluit, Hij had ze beiden graag tot buit: En.... platzak kwam hij 't veld weer uit.
LXV.
Hoe velen gaan, och! bitter kruis! Om wol--en komen, per abuis, Zelf kaalgeschoren thuis.
LXVI.
Een enkle vogel in de hand Is meer, dan twintig op het land.
LXVII.
Wij wenschen dikwijls staat en schat, Maar denken niet: "waar wij iets winnen, Verliest alligt een ander wat!" Zeg! zoo het poesje vlerken had, Wat zou de leeuwrik dan beginnen?
LXVIII.
Schat in de beurs, is prachtig, Schat in het hoofd, is krachtig, Schat in het hart, waarachtig!
LXIX.
't Is wèl, te wezen rijk van goed, 't Is beter, uit oud-eerlijk bloed; Maar 't best is, edel van gemoed!
LXX.
Dartle jeugd, geeft oud geklag; Mistige ochtend, blijden dag!
LXXI.
Wees niet te dartel, lieve kleenen! Te hevig lagchen maakt aan 't weenen.
LXXII.
Het Venster uit--gij kwaad humeur! Weg is het.... Och! éér ik 't bespeur, Daar staat het alweêr in de Deur!
LXXIII.
Gaat er iets niet naar uw zin, Laat uw zin er dan naar gaan; Wie dàt kunstje leert verstaan, Maakt van elk verlies gewin.
LXXIV.
Wie niet het kwaad als Vijand haat Dien wordt het (eer hij 't weet of raadt) Tot Kennis, Gast en Kameraad.
LXXV.
Gij trekt een splinter uit uw Hand... En laat er toch, onnoosle kwant! Zoo velen in uw Hart nog en Verstand!
LXXVI.
De mot doorknaagt het beste kleed, De nijd het beste hart doorvreet:-- Wie dus zich graag voor schade hoed', Sluit' hart en kas voor dat gebroed.
LXXVII.
Wie met een kool of ander zwart Zijn buurmans huis smet--of zijn hart! Maakt ook zijn eigen handen zwart.
LXXVIII.
Ontvangen vreugd, is groot geneugt; Geschonken vreugd, is grooter vreugd; Gedeelde vreugd, is vreugd en deugd.
LXXIX.
Wie zien noch hooren wil Dien helpt geen hoorn of bril.
LXXX.
Al te goed, is buurmans gek, Al te mild, dat geeft gebrek, Al te wijs, dat koldert ras; 't Beste, dat is: net van pas!
LXXXI.
Wie altijd voor bedriegers vreest Bedriegt zich zelven 't allermeest.
LXXXII.
Berouw te hebben is een kostlijk ding; Maar 'k zeg toch, zoo 't aan mijn gevoelen hing, 't Niet nóódig hebben, is nog beter ding!
LXXXIII.
Waar iemand gaarne wezen woû Daar trekje 'em aan een haartje heen; Waar iemand heen moet ontevreên, Daar krijgje 'em met geen kabeltouw.
LXXXIV.
Plêzier, och! wilt het niet vergeten, Plêzier, mijn kind! is specerij.... En 'k bidje, lievert! zeg het mij, Wie enkel specerij kan eten?
LXXXV.
Verboden kost, in d'aanvang zoet, Smaakt op het laatst als enkel roet.
LXXXVI.
Al hebt ge lang de school begeven Neem dankbaar goede lessen aan: Wie wijs is, zal graag héél zijn leven Bij wijzer liên ter schole gaan.
LXXXVII.
Bemin wie U ten goede leîen Al grijpen ze wat straf uw hand; Maar o, mistrouw hen, die u vleien.... 't Is eigenbaat of onverstand!
LXXXVIII.
Staal, is steviger dan hout, Zilver, edeler dan staal, Goud, het duurst van allemaal.... Deugd, is kostlijker dan Goud!
LXXXIX.
Weet ge niet, dat ieder uur zijn plagen, Ieder uur zijn vreugde heeft? Daarom leer genieten en verdragen Kindren! zoo als God het geeft!
XC.
Denkt, Lieven! als zorg u het harte vervult,-- Geen beter remedie voor leed zonder schuld, Dan Geduld!
XCI.
De wortel heet tevredenheid, De takken heeten stevigheid, De bloesems heeten lieflijkheid, De vruchten heeten zaligheid: De heele boom heet Matigheid.
XCII.
Een diamant Viel in het zand.... Maar bleef toch steeds een Diamant.
XCIII.
Een windvlaag droeg een korrel zands omhoog Naar 's hemels boog.... Maar 't bleef toch Zand, ook daar omhoog.
XCIV.
Een leelijkert zag zich in spiegelglas En brak het ras.... Gelooft ge, dat de vent toen mooijer was?
XCV.
Wanneer gij rijdt op gladde baan En iemand struikelt u ter zij, Die hartlijk graag weer op wou staan, Rijd niet meêdoogenloos voorbij! En... bindt meteen Uw schaats wat aan.
XCVI.
Verborgen is het lot Dat ons op aarde wacht:-- Maar altijd ligt het in de hand van God!
XCVII.
Wat u de Heer Op aard moog' geven, Geef gij Hem eer In woord en leven.
XCVIII.
Och kon men aan het eind van 't leven Oprecht ons het getuignis geven: "'t Waar jammer, was hij weggebleven!"
XCIX.
Onze kennis hier vermeêren Voegt aan Jeugd zoowel als Grijsheid, Maar uw vreeze, Heer der Heeren, Is 't beginsel aller Wijsheid!
C.
Knap werkvolk zal zijn Meester niet beschamen..... Och, of we eens met dien lof voor 't oog des Heeren kwamen; Amen!
AANTEEKENINGEN
[1] Al de versjes, die zulk een sterretje vóór zich hebben, zijn hier voor de éérste maal gedrukt en stonden dus niet in de vroeger uitgegeven Bundels.
[2] Noen: middag.