Al de Kinderliederen

Chapter 4

Chapter 44,152 wordsPublic domain

Vroeg op, vroeg op, in alle ding, Dat maakt een' domme tot een' wijze, Dat maakt aanzienlijk van gering, Dat maakt een' jongling van een' grijze, Een' grijsaard van een' jongeling.

Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt, Vroeg op, gij maagden en gij knapen! Dan kunt gij, als ge moede zijt, Met een geruste ziel gaan slapen, Hetzij voor eens of voor altijd.

MORGENLIED.

Komt de dag en wijkt de nacht, Waak dan op tot frissche kracht, Klaar van oogen en verstand, Blank van hart en rein van hand.

Roep, met vromen kinderzin, Dan des Vaders zegen in; Hij, die van zijn' Hemeltroon D'arbeid krachten geeft en loon.

En bedenk, als--zwaar of ligt, Gij uw taak en werk verrigt: Dat geen Eeuwigheid hergeeft 't Uur, hier ongebruikt doorleefd.

LEEUWRIK.

Wat zijt gij vroeg al in de weêr, Wat vliegt gij juichend af en aan! Hoe vroeg of ik ook op moog' staan, Gij, leeuwrik! wint het ieder keer! Wat jaagt zoo gaauw u 't leger uit, En wat beduidt uw blij geluid?

--Wel, kind! als in de heldre lucht Het ochtendlicht zijn stralen giet, Dan houdt mijn bed mij langer niet En 'k stijg omhoog met snelle vlugt; En, zwevend naar des hemels boog, Rijst ook mijn lied tot God omhoog.

Geloof me, ik weet het, lieve kind! Hem gaat het daaglijks zeker goed, Die 't eerst het morgenlicht begroet En met Gods lof den dag begint... Al blijft dat lied ook laag bij de aard', Gods Englen dragen 't Hemelwaart.--

HANDJES WASSCHEN.

Wie zijn handjes schoon wil wasschen, Moet ze wasschen met elkaâr; 't Baat je niet, probeer het maar, Om met een voor een te plassen: Als ge niet ze zamen wrijft, Wed ik, dat er vuil aan blijft.

Wascht ge dan zoo de een door de ander', Leer er uit: dat, vroeg of laat, 't In de wereld ook zoo gaat: Helpen moeten wij elkander!-- Wie maar werken wil voor loon, Krijgt zijn handen nimmer schoon.

ZAMEN.

Roggebrood en wittebrood Dat 'hoort op elkander! Eet ge 't een vóór 't ander, Och! gij brengt u zelv' in nood! Roggebrood moet óók gegeten; Is er 't wittebrood doorheen, Dan, gij dient het maar te weten, Eet ge 't roggebrood alléén.

Rust en werk--en werk en rust 'Hooren bij elkander! Doet gij 't een vóór 't ander, Och! gij maakt u last van lust! Ieders taak moet afgeweven: Wie te gaauw te rusten tracht, Loopt gevaar zijn heele leven, Dat hem nooit weêr rust verwacht.

DAUW.

Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat! 't Is of ze huilden van den nacht! Zie eens! daar ligt een heele vracht Van druppeltjes op ieder blad: Zeg, moeder!--wàt ze schelen zou? Kan het ook wezen van de koû?

--Ja, liefje! zeker weet ik 't niet, Wat of de bloempjes deren kan; Maar, moet ik 't zeggen, kleine man, 't Zijn ook geen traantjes, die gij ziet; Die druppels doen de bloempjes goed... 't Is dauw, die 't plantje laaft en voedt.

Zoo zal 't u nog wel dikwijls gaan! Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt, Wat heil op ons wordt uitgestort In menig', schijnbaar droeven, traan En hoe die dauw, in ons gemoed, De Hemelbloemen groeijen doet.

HEBT GIJ 'T GEHOORD?

Zeg, kindren! hebt gij 't al gehoord? De Lente is weêr verschenen! Zij joeg den boozen Winter voort, En grommend trok hij henen.

Nu strooit ze bloempjes hier en daar En leert de vogels kwelen, En roept de kinders bij elkaâr Om lustig weêr te spelen.

Kijk! hoe de beestjes ginds en hier Nu zingen en nu springen;-- Me dunkt, we moesten voor plêzier Nu ook een liedje zingen:--

o Lieve Lente! wees gegroet En leer ons, als we u prijzen Voor 't goede, dat men aan ons doet, Den Schepper dank bewijzen!

AL TE VROEG.

De zon scheen koestrend op het kruid, De Lente was gekomen, En alle knopjes liepen uit, Als waar' er niets te schromen; Ze dachten, dat de Wintervorst Bij zonneschijn niet keeren dorst.

Maar toen de zon ter ruste lag, Toen kwam, met sneeuw beladen, De Winter eensklaps voor den dag, En knakte steng en bladen; En al de bloempjes wit en rood Die waren 's morgens ziek of dood.

Het leed woont meestal naast de vreugd, De koû naast lentedagen; En wie het spoedigst zich verheugt, Moet vaak het langste klagen; Vertrouw dus, als ik bidden mag, Vertrouw geen' eersten lentedag.

EEN PRIJS.

De lieve Mei staat voor de deur, Wij roepen al: kom binnen! Zij geeft ons bloempjes zacht van kleur En zoet van geur, En opgeruimde zinnen; Want wie van 't jaar zijn best hier deê, Dien brengt ze alligt een prijsje meê,-- Kom binnen!

Dat ware ook wel een stoute gast, Die roepen dorst: blijf buiten! 'k Wed, hij had wis niet opgepast, En dacht wel vast: 'k Moet naar mijn' prijs toch fluiten! Doch was er onder ons zoo'n guit..... De Mei er in, en hij er uit: Blijf buiten!

Maar neen! dat loopt wel geen gevaar; Hoor, ieder roept: kom binnen! En, prijs òf niet, wij toonen maar, Wat wij van 't jaar Aan knapheid mogten winnen: Kom, lieve Mei! en hoor het lied, Dat dankbaar uit ons harte vliet: Kom binnen!

VERGEET-MIJ-NIETJE.

Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet! Hoe komt het toch, als aan de vliet Mijn oog u ziet, Dat ik van alle lieve menschen, Als gij, niet vragen durf en wenschen: "Vergeet mij niet!"

Och, bloempje-lief, ik weet het wel!... Maar 'k bidje, zoo ik 't u vertel, Vergeet het snel... Ik zou op véle, véle dagen Met angst en schaamte moeten vragen: "Vergeet mij wel!"

Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet! 'k Beloof 't u--als weêr aan de vliet Mijn oog u ziet, Dat ik van alle lieve menschen, Als gij, durf vragen en durf wenschen: "Vergeet mij niet!"

VLASBLOEMETJE.

"Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras, Blaauw bloemetje van 't groene vlas! De zon rees pas ter middaghoogte; Van morgen stondt ge in volle praal, En nu reeds zijt ge dor en vaal En zaâmgeschrompeld van de droogte; Kijk! onbewimpeld zeg ik 't maar, Als Ik zoo'n aardig bloempje waar', Dan bloeide ik vast het heele jaar!"

--Ja! dat is allerliefst bedacht, Als men maar leeft voor pret en pracht, En niet tot werken en tot winnen; De mooije bloempjes, die ge ziet, Die zijn bij mij 't voornaamste niet.... Ik maak de draadjes voor uw linnen En oliezaden tot gerijf.... En als ik nu maar bloeijen blijf, Dan krijg je ligt geen hemd aan 't lijf.

Wanneer de winter komt in 't land, Dan zult gij menig ijdle plant Vertreden op den mesthoop vinden; Maar ik, al ben ik tweemaal dood, Dan leef ik nog voor klein en groot, Want linnen wordt papier, mêvrinden! Daarop leest ieder dan de leer: "Och bloei wat minder, werk wat meer... Van nut zijn, is de kostlijkste eer!"--

MAANDROZEN.

Dat is groeijen uit den treuren, Dat is bloeijen, altijd klaar! Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren, Nieuwe bloemen, nieuwe geuren, Of er nooit een einde aan waar'.

Staat het windeken in 't zuijen, Maandroos bloeit in volle pracht; Plundren haar de hagelbuijen.... Eer ze er iets van laat verluijen, Bloeit ze weêr in volle kracht.

Altijd bloemen, altijd geuren, Altijd knoppen, altijd meer.... Maandroos! mogt het ons gebeuren, Onder juichen, onder treuren, Zóó te bloeijen, God ter eer!

EEN WOUD-BLOEMPJE.

Eenzaam bloempjen in het bosch, Diep verscholen onder 't mos, Niemand slaat uw bloeijen gade; Maar gij bloeit toch evenzeer God ter eer, En gij dankt voor zijn genade Hem, der Schepping wijzen Heer!

Als een bij, in 't woud verdwaald, Op uw knopjes nederdaalt, Sluit ge uw kelkjes wijder open; En gij denkt in uw gemoed, Hoe uw zoet 't Moêgevlogen, moêgekropen Diertje nu verkwikken moet!

o Dan juicht gij, dat Gods hand U zoo eenzaam heeft geplant, Om uw laafnis dáár te geven, Waar de bij op 't doornig pad, Moede en mat, Zeker van gebrek zou sneven, Als zij geen verkwikking had.--

Vrome! die, in nedrigheid, Heil op 't eenzaam pad verspreidt, In uw lot en stand tevreden... Ruil ze niet voor ijdlen schijn, Bloemelijn!-- Zalig hij, die, hierbeneden, 't Eenzaam bloempje in 't woud mag zijn!

GEBROKEN.

Dat ruikertje staat mooi genoeg, 't Staat allerliefst.... o maagdelijn! Maar weet ge wel, dat morgen vroeg De geur en kleur verwelkt zal zijn? Och! dat gij niet méér meêlij hadt Met zooveel kostlijk bloesemblad!

Zoo 't bloempje op stam gebleven was, Het waar' misschien tot vrucht gegroeid, En zelfs met water in een glas Had het nog dagen lang gebloeid; Maar nu--een uur of wat--hoe kort! En 't arme bloempjen is verdord.

Zoo is 't ook met des levens vreugd!.... Wie al te veel op eens begeert, Die ziet al spoedig, lieve jeugd! Hoe gaauw 't verflenst is en verteerd! Verlangt gij, dat er vrucht van koom?... Zoo breek de bloem niet van den boom.

KORENBLOEMEN.

Blaauwe bloemetjes in 't koren! Aardig staat gij tusschen 't graan; Maar een plekje gaat verloren, Waar een rijke halm kon staan. Lieflijk sieraad moogt ge wezen; Maar, zoo ge al te welig groeit, Zou ik (en met reden) vreezen, Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.

Als de landman in de voren Kostbre korrels heeft gezaaid, En, in plaats van voedzaam koren, Niet dan blaauwe bloempjes maait, Zal hij 't land onvruchtbaar noemen, Dat zoo schralen oogst hem gaf-- En hij snijdt met regt uw bloemen Als verdervend onkruid af.

Daarom, bloemetjes in 't koren, Weest een siersel, niet een last! 't Best van d'akker gaat verloren, Waar gij al te welig wast. Wilt ook ons de leering geven: "Nut moet vóór genoegen gaan, En 't vermaak in ieders leven Zij eene enkle bloem in 't graan!"

KORENÄREN.

Korentje, dat er zoo weelderig wast! Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig? 'k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig, Schoon er hun lengte niet half bij u past; Toch staat ge lekker in 't kleijige land, En 't is daar ginder meest allemaal zand.

'k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt, Dat hij niet eens u tot schoven laat binden; Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden, D'akker en 't oogsten en dorschen onwaard'; Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf, Mooglijk uw halmen in 't vuur gooit bij 't kaf.

't Vette der aarde, dat was u gegund, Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven; Niet, om alleen voor u zelf maar te leven, En om te groeijen zoo hoog als ge kunt; Niet, om te worden tot nutteloos stroo, Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.

Korentje, dat er zoo weelderig wast! Mogten toch velen uit dorpen en steden Met me dat paadje langs je akker betreden, Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past: Ik voor het minste, dat staat bij me vast, Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.

DE KROMME BOOM.

Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid! 't Is haast, alsof gij om wilt zakken; En hoe verward zijn al uw takken, Alsof gij nooit nog waart gesnoeid; 't Is waar (ik zeg het zonder schroom) Ik vind je leelijk, kromme boom!

--Ja, kind! het is zoo als gij zegt, Ik moet mij zelv' óók leelijk vinden: Had ik mij vroeger laten binden, Dan was ik nu niet krom, maar regt; 'k Was dan misschien een pronk van 't woud... Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.

Nog gistren ('k hoorde 't met verdriet) Zeî tuinman: "Waart ge jong gebogen, Dan stondt gij als een lust der oogen; Nu zijt ge brandhout, anders niet!" Gij vindt mij leelijk, lieve kind!.... Zorg, dat geen mensch 't ook U eens vind'.--

DE WIJNRANK.

Gij, arme wijnrank! lig je daar Zoo vuil te slingren langs den grond? Wat zijn uw druifjes klein en naar, Onrijp, en zeker ongezond! Kom, als ik je aan de schutting bond, Dan raakte je misschien weêr klaar.

--Neen! 'k vrees, mijn kind! 't is nu te laat.... Wanneer dat iemand had gedaan, Toen 'k jong en sterk was--en in staat Om frisch mijn ranken uit te slaan, Dan zou ik nu vol vruchten staan, Zoo zoet en geurig als muskaat.

Och! 't gaat me als menig' armen man, Die niet in tijds geholpen wordt: Die hulp komt later soms--maar dan Schiet moed en lust en kracht te kort.... Steun dus de wijnrank eer zij dort, En d'Arme, wen 't nog baten kan.--

BLOEMEN EN VOGELS.

De kleine bloempjes op de heide, De kleine vogels in het nest, Zij hebben 't óók niet altoos best, Maar worden dan toch groot op 't lest... De Heer des Hemels zorgt voor beide; En dikwijls waakt een vrome hand Voor vogelijn en heideplant.

Dàn kunnen ze onbekommerd groeijen En krachten putten uit den nood: Des vogels lied juicht: "God is groot"!... De plant geeft bloesems, wit en rood, En zoete geuren onder 't bloeijen; En beide danken God den Heer, En wie hen kweekte, Hem ter eer.

Gij knapen, meisjes, dartle kleenen! Gij wilde vogels, plantjes teêr! Ook u beschermt des Hemels Heer; Zijn Geest daalt in de harten neêr, Opdat ze u hulp en schuts verleenen. o Zingt en bloeit dan Hem ter eer, Gij wilde vogels--plantjes teêr!

HAANTJE.

Haantje, haantje, koekeloer! Wat een stappen, Wat een grappen Maak je, voor een handje voêr! 'k Denk, als Ik zoo'n spuls moest maken, Eer ik wat te bikken had, Eer ik aan den kost kon raken.... Dat ik liever nooit weêr at.

--Dwaze knaap, onnoozle bloed! Al dat praten Zoudt ge laten, Waren je ouders niet zoo goed; 'k Zal, als te avond of te morgen Ook Uw disch niet is gedekt, En ge eens voor u zelv' moet zorgen, Zien, wat voor gezigt gij trekt.

Als gij de ouders eens verliest, Die u geven Om te leven, Zal het blijken wat gij kiest; 'k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen! Zoo ge ondankbaar blijft en traag, Nog wel àndre kromme sprongen Voor het vullen van uw maag.--

DE MIEREN.

Wilt gij in uw jonge jaren Wijsheid gâren, Komt dan, kinders, komt dan hier! Ziet die rappe, kleine mier Slaven, draven, gâren, sparen, Of ze 't deed voor haar plêzier.... Jongens! wat een aardig dier!

Zoo te werken, zoo te zwoegen, Is genoegen Om te zien en om te doen: Voorraad, in het goed saizoen, Voor den winter zaâm te voegen, Als er vruchten zijn noch groen.... Kinders! 'k raad je 't ook te doen.

Luije meisjes, luije knapen! Gapen, slapen..... Doet gij 't in uw' jonger' tijd, 'k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.-- Leert ge dus geen voorraad rapen, 'k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt) Dommer dan de mieren zijt.

ZOET EN BITTER.

De bij gaart uit den zoeten knop En uit het bittre kruid De reinste en beste sappen op En puurt er zuivren honig uit: 'k Hoop niet, dat iemand dommer zij, Mijn kind! dan zulk een kleine bij!

De goede God gaf u verstand, En kloekheid van gemoed, Een scherpziend oog, een rappe hand, Een fijn gehoor, een' vluggen voet.... En wat de bij, onwetend, kan, Daar weet Gij doel en oorzaak van.

Dus--ziet gij 't aardig diertjen aan, En hoe 't zijn taak verrigt, Zorg dan om niet beschaamd te staan, Maar doe, met dubblen lust, Uw' pligt; En vindt ge zoet of bitter kruid, Och, puur er steeds den honig uit!

HET DOODE MUGJE.

Dood is het mugje!.... met uw hand Hebt gij 't, o knaapje! doodgeslagen; Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant! Hoe of 't u zelven zou behagen, Wanneer nu eens een olifant U 't zelfde deed, met snuit of tand?

Ja, zie! nu doet het u verdriet; Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-even Dat arme beest niet leven liet. Voor ditmaal zij het u vergeven!-- Maar doe dan ook een' ander' niet Wat gij niet wilt, dat u geschied'.

GLIMWORM.

Gij mooije glimworm, die in 't woud Des nachts zoo helder blinkt door 't hout, Alsof het sappig groen der bladen Met diamanten is beladen, Och! zeg me eens (zoo ik 't weten mag) Waarom glim je ook niet over dag? Als Ik zoo prachtig licht kon geven, Dan deed ik 't vast mijn heele leven, En niet alleen, dat waar' gewis, Als 't donker is.

--Wel, kind! ik zeg 't je met plêzier; En, ben ik maar een simpel dier, Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen... Wanneer de warme zonnestralen Een stroom van licht, een stroom van goud Doen vloeijen over veld en woud, Zou 'k vreezen heel verwaand te 'lijken Als ik mijn' zwakken glans liet kijken; En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag Toch niemand 't zag.

Och! denk om mij, mijn lieve kind! Als gij bij andren u bevindt, Die, als een zon, met warme stralen Van liefheid, deugd of kennis pralen; Hoû dan bescheiden 't mondje toe En wacht, gelijk ik zelf het doe, Tot gij, wanneer die andren zwijgen, In ootmoed ook een beurt kunt krijgen.... Slechts als ge er nut of vreugd door sticht, Geef dan uw licht.--

ZWAANTJE.

Zwaantje, met uw witte pluimen, Met uw vlerken groot en wijd! 'k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt, Als ge 't water zoo doet schuimen! Al de vogels klein en teêr Jaagt gij weg van beek en vlieten, En de schuchtre vischjes schieten Haastig in de diepte neêr.

Mooi, dat zijt ge boven velen, Slank en statig buiten kijf; Kostbaar dons bedekt uw lijf; Maar, wat kan dat andren schelen? Zie dien kleinen nachtegaal, Graauw en pover in de veêren,-- Maar wat kan hij kwinkeleren.... Zwaanlief! hè! dat 's meer dan praal?

Zwaantje! wilt gij nedrig wezen, 'k Wed, dat gij, door heel de streek, Als het siersel van de beek Wordt bewonderd en geprezen: Maar blijft gij zoo trotsch en fier, 'k Zeg dan, als ik u hoor gagglen En op ganzenpoot zie wagglen.... Och, 't is toch een ak'lig dier!

OOIJEVAAR.

Ooijevaar, lepelaar! 'k Zit zoo graag naar u te kijken, Als gij (dragend dat ge zweet) Door de heldre lucht komt strijken-- En van rust noch poozen weet, Voor' uw nest, geheel gereed, Hoog in d'eikenboom mag prijken.

Ooijevaar, lepelaar! Als ge dan nog vele weken Zoo geduldig de eijers broedt, En--als 't jong er uit komt breken, 't Met zoo trouwe liefde voedt, Zie, dan vind ik u zóó goed, Dat ik 't haast niet uit kan spreken!

--Lieve vrind, aardig kind! 'k Dank u voor uw vriendlijkheden! Maar, hebt gij weleens bedacht, Wat Uw Ouders voor U deden Sinds men u ter wereld bragt, En hoe ze altijd, dag en nacht, Nòg hun moeite aan u besteden?

Lieve vrind, aardig kind! Breng het telkens u te binnen: Ik zorg weinig maanden maar, Zie!.... doch de ouders, die u minnen, Zorgen reeds zoo ménig jaar.... Dàt is liefde en trouw, voorwaar! Die 't van mijne ver nog winnen!--

EEN MIDDAGSLAAPJE.

Wie rusten wil in 't groene woud, Wie rusten wil met lusten, Hij kieze een plekje, digt in 't hout En vlijê zich tot rusten; Een peluwtje van mollig mos, Een kussentje van varen En een gordijn van blâren..... Geeft zoeten middagslaap in 't bosch.

De hemel van het ledekant Blinkt prachtig-blaauw door 't loover, De heesters slingren om den rand, De bloesem hangt er over; Het koeltje fluistert met de vliet, De dartle vlinders spelen, De nachtegalen kwelen.... Is 't niet een lieflijk wiegelied?

En 't best is: dat het groene woud Met koelte en rust u lavend, Van u geen zilver vraagt of goud, Al slaapt gij tot den avend; 't Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?... De slaapsteê is voor allen! En is ze u goed bevallen, Dan krijgt gij 't avondgoud nog toe!

DOEN EN LATEN.

Wat ge doet of niet en doet, Flinke jongens, knappe meiden! Laat Voorzigtigheid den Spoed Zachtjes bij de hand geleiden; Maar denkt altijd, dat gij 't Kwaad Haast wel nooit te langzaam laat.

Wat ge laat of niet en laat, Knappe deerens, flinke knapen! Haastig geef Voorzigtig raad, Niet, bij ondeugd, in te slapen; Och! denkt altijd, dat gij 't Goed Haast wel nooit te langzaam doet.

Wat ge laat of wat ge doet, Flinke jongens, knappe meiden! Zij niet sneller dan het moet: Doch, wil iemand u verleiden Tot iets boos--zegt dàn, met spoed: "'k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!"

ZWEMMEN.

Wilt ge koeling voor den gloed Van de felle Zomerzon? In het vocht van de bron, In den stroom, in den vloed... Knapen!--in de frissche wellen Voelt ge uw kracht zich weêr herstellen, Als het nat U omspat!

Duik omlaag en spring omhoog, Klief den stroom met forsche spier, Wend en keer, zwenk en zwier.... Als een pijl van den boog Knapen! moogt ge voorwaarts schieten; 't Zal u kracht in de aders gieten, Als het nat U omspat.

Blijv' de bloodaard aan het strand, Blijv' de lafaard op den dijk, Waterland, Waterland, Gij zijt ons Koninkrijk! Uit het diepste van de stroomen Is Oud-Neêrlands kracht gekomen; Haal dien schat Weêr uit 't nat!

REGTOP.

Regtop van lijf, regtop van ziel, Dat is een stand naar mijn behagen. 't Zij, dat ge een' staatsierok moogt dragen, 't Zij, dat ge een' buis draagt of een kiel... Regtop van lijf, regtop van ziel!

En buig' men ooit zijn hoofd of knie, 't Zij dan alleen voor God, den Heere! Voor elk, wien men als braver eere, Voor ieder, dien men wijzer zie.... Voor die slechts buig' men hoofd of knie.

Maar anders--regt van lijf en ziel, In vreugd of leed, door heel ons leven! Niet links, niet regts, maar 't hoofd geheven, Wat of er buig', wat of er kniel'.... Dat 's Nederlandsch, naar lijf en ziel!

DE LANGSTE DAG.

Almanak, Leugenzak! Och, 't is klaar, Je fopt ons maar; Slechts één langste dag in 't jaar? Als men mij om raad woû vragen, Maakte ik honderd langste dagen.--

Wie het eerst ten bedde uit was, Maakt den langsten dag; Wie het knapst en vlijtig was, Maakt den langsten dag; Wie de liefste en braafste was, Maakt den langsten dag.

Dat kan je immers alle dagen, Driemaal honderd zestig keer, Ja, al was het vijfmaal meer, Zonder d'Almanak te vragen:

Deedt gij 't flink en met verstand, Ware 't ook maar honderd malen, Laat ons dan in koor herhalen, Vrolijk dansend hand aan hand:

Almanak, Leugenzak! Och, 't is klaar, Je fopt ons maar; Slechts één langste dag in 't jaar? Als men ons om raad wil vragen. Zijn er honderd langste dagen!

MEDICIJN.

Weet ge 't?--bitter in den mond Is voor 't kranke hart gezond! Ril niet voor dat leelijk drankje; Slik het kloek en handig door, Laat geen' druppel gaan te loor; 'k Wed, ten laatste zeg je: dank je!

Weet ge 't?--bitter voor 't gemoed Is der kranke ziele goed! Moog' ook 't slikken moeilijk wezen, Als ge beter weêr zult zijn, Dankt gij voor die medicijn, Die zoo goed u heeft genezen!

VOORZIGTIG.

Kindren, brandt je bekje niet! Beter is 't wat hard geblazen, Kleine bazen! En een beetje meer geduld, Dan te krijgen door uw schuld Hier een blaar en daar een' bult.

Kindren, brandt je handjes niet! Beter is 't niets aan te raken, Kleine snaken! Dan te merken naderhand, Tot uw schaê en tot uw schand', Dat ge uw pootjes hebt gebrand.

Kindren, brandt je hartjes niet! Dat zou 'k nog het ergste vinden, Kleine vrinden! Dat geeft vlekken, bruin en zwart, Dat geeft plekken, ruw en hard, Dat geeft eeuw'ge rouw en smart.

SMAKELIJK ETEN.

Wie 't lekkerst eet en altijd graag..... Dàt weet ik en ter dege:-- Die daaglijks van zijn volle maag Iets afhoudt voor een leêge!

Het beste middel tot aptijt, Dat 'k ooit nog heb geweten, Dat is: een' man, die honger lijdt, Eens smaaklijk te zien eten!

Of gij dus weinig hebt of veel.... Mogt gij regt smullen willen, Laat dan het halfjen of een deel Der armren honger stillen.

MATIG.

Al te veel is ongezond! Lieverts, zult gij 't niet vergeten? Watertandt uw kleine mond Bij een' schotel lekker eten, Hangt de tak tot aan den grond, Moogt ge plukken naar behagen.... Denkt er om, gij, grage magen! Al te veel is ongezond.

Nu zal Moeders vriendlijk oog U nog wel met zorg bewaken (Welk een trek uw hart bewoog) Dat gij 't niet te bont zult maken; Maar, wanneer gij grooter zijt, En niet jong hebt willen leeren Maat te houden in 't begeeren, Raakt ge lust en welvaart kwijt.

Al te veel is ongezond! Zie, dat geldt voor alle zaken, Die eens op dit wereldrond U begeerig zullen maken: Waakt dan over oog en mond, Waakt dan over hart en zinnen, En brengt telkens u te binnen: Al te veel is ongezond!

VAN EEN AAPJE.