Al de Kinderliederen

Chapter 3

Chapter 34,231 wordsPublic domain

En ik, die zoo veel goeds genieten mag, Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag, Niet denken aan den Gever van dat goed, Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...

Vergeef't, o Heer! en moog' mijn liefde en dank Uw goedheid prijzen heel mijn leven lank; En iedren dag zeg' biddend mijn gemoed: Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!

'T VIOOLTJE.

Viooltje, zacht van kleuren! Gij siert mijn' kleinen hof, Viooltje, zoet van geuren! Ik zing 'reis tot uw' lof; Als alle bloempjes rusten En sluimren in heur' knop, Dan snuif ik nog met lusten Uw lekkre geurtjes op.

En daarom steek uw kopje Gerust maar uit het gras, Zoo goed alsof-je een knopje Van roos of lelie was. Ei, waarom weg te schuilen, Mijn kleine hartedief! Zeg, waarom zou-je pruilen? Ik heb u net zoo lief!

Wie lieflijk is van wezen En nedrig van gemoed, (Dat heb ik laatst gelezen) Is dubbel schoon en goed: En daarom, zedig bloempje! Zing ik nu tot uw' lof, En prijs u als het roempje, Het roempje van mijn' hof.

BRANDNETELTJE.

Ai, ai, mijn heele handje brandt!.... Of heeft me een beest gebeten? Wel neen! dat is die booze plant, Hoe of ze wel mag heeten? Dat stoute kruid,-- Het zag er toch zoo aardig uit!

"Brandneteltje, me-lieve kind! Zoo is dat kruid geheeten, En waart ge niet zoo haastig, vrind! Het had u niet gebeten: Dat beetje pijn Dat leer-je nu voorzigtig zijn!"

"Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!), Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet, Want bitter kon 't u rouwen: Dus niets gewaagd, Of 't eerst aan wijzer luî gevraagd."

NIET PLUKKEN.

Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet, Ik meen, gij heet Vergeet Mij niet! Als 'k wist dat ik U plukken dorst, Ik zou u steken op mijn borst; Dan zag ik Den heelen dag uw kleurenpracht! En 'k droomde er van den heelen nacht; Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?

"Lief meisje! zoo ge 't heel graag deedt, Pluk voor plêzier Mij hier-- Doch weet, Als ge mij vaststeekt op uw borst, Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!... Zal 'k bloeijen Bij 't felle stralen van de zon, Dan moet het water van de bron Mijn worteltjes besproeijen!"

"Laat mij dus hier, bij 't frissche nat!... Maar wacht, mijn kind! Ik vind Nog wat! Graaf, om mijn worteltjes, een kluit Met aarde, heel voorzigtig, uit, En zet mij, Begoten, op een koele plek In 't vensterbank van uw vertrek, Dan leef 'k nog lang--wat wedt gij?"

Het meisje groef met zachte hand De wortels uit Van 't kruid Der plant, En liep naar huis, en zette haar In een regt beeldig vaasje daar Op 't plankje, Aan 't kleine raam--en week op week Bloeit daar 't Vergeet-mij-niet der beek En fluistert daaglijks: "'k Dank je!"

'T VERFLENSTE BLOEMPJE.

Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord, Uw blaadjes rimplen aan den steel; Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel! Zeg, bloemken! is 't aan water, dat het schort? Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet.... Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?

--Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed! 'k Word frisscher weêr bij iedren drop, En al mijn blaadjes luiken op: Och, 't is zoo naar, als men verwelken moet, Terwijl een weinig water uit de bron, Zoo 't iemand geven woû, ons helpen kon.

En 't doet u zelv' plêzier, zeg! doet het niet? Gij voelt uw hartje blijder slaan Nu dat ge mij hebt welgedaan: Och! denk om mij, als ge eens een' Arme ziet: Ligt helpt den stumpert uit zijn' diepen nood Één teugje water en één bete brood.--

VERWELKTE ROZEN.

Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort! Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden, 'k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,-- Nu zijn de meeste verlept en verdord; Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven, Niets dan de bottels is overgebleven.... Moeder! ik vond, dat het aardiger waar', Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!

--Liefje! 't heeft alles zijn beurt en zijn' dag. Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen, Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen? 'k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag! 't Is met de kindertjes net als de rozen: Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen, "Altijd te spelen, dat geeft geen profijt; Spelen en werken, 't heeft ieder zijn' tijd!"--

DE VLINDER.

Och! zou het waar zijn, dartel beest! Wat Grootmoê straks mij heeft verteld, Dat gij een rupsje zijt geweest (Gij, die nu rondzweeft over 't veld!) En kruipen moest langs tak en blad Of in een pop verscholen zat?

Wat moet ge, als 't waar is, vrolijk zijn, Nu je zoo prettig vliegen mag, En nu ge uit rozen en jasmijn Uw' maaltijd ophaalt alle dag.... En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert, Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!--

En in 't priëel zat Grootemoê..... Zij trok me zachtkens aan haar' schoot En sloot hare oogen biddend toe, En zeî: "Zoo zal eens, na den dood, Verlost van aardschen strijd en pijn, De brave mensch een Engel zijn!"

IN DE WEÎ.

Lieve beestjes in de weî! Vindt ge hier niet allerlei? Bloempjes, klaver, gras en kruid, Ieder zoekt zijn gading uit; Op dat groene tafelkleed Staat voor allen wat gereed.

Luister hoe die vogel zingt, Kijk eens hoe dat veulen springt, 't Koetje loeit en 't schaapje blaat, Ieder spreekt er naar zijn' staat, Ieder dankt er in zijn taal Voor dat kostelijke maal.

Foei! dat ik beschaamd moet staan, Die aan 't eten ben gegaan (Och! te dikwijls en te lank) Zonder bidden, zonder dank!-- Hoor! nu eet ik nimmer weêr, Of ik dank ons' Lieven Heer!

LIJSTERBESSEN.

Lijstertje, zoo zwart van veêren, Met uw' snavel geel als goud! 'k Hoor u daaglijks kwinkeleren In de toppen van het hout; Hoog en droog zingt gij uw lied,-- Kom 'reis hier... of durf-je niet?

Zie-je niet die roode bessen, Daar ge toch zooveel van houdt? Kijk, ze slingren zich als tressen Om de heesters van het woud; Kijk maar, proef maar, kom eens hier, Kom, mijn allerliefste dier!

--Ei! ge dacht me fijn te foppen, Knaapje!... maar ik hoû me doof! 'k Zag maar al te goed de stroppen Daar verborgen tusschen 't loof: Dwaas is, wie voor lekkernij Zich laat vangen:--ik blijf vrij!--

NACHTEGAALS-LIEDJE.

Een nachtegaal zit in den boom, Die voor mijn venster staat; Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat, Ik hoor hem 's nachts nog in mijn' droom; En 's morgens roept zijn heldre zang: "Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!"

Wel, lieve, kleine nachtegaal! Zeg, slaap-je zelf dan niet? En 's nachts, wie hoort dan naar uw lied? De menschen slapen allemaal! Of zingt ge mooglijk voor den wacht. Omdat hij oppast in den nacht?

De Meester zeît, als 't winter wordt, Dan trekt ge ver van hier; Och, kom maar binnen, aardig dier, Als 't dan aan dek of eten schort! Ik zal u koestren aan mijn zij, En 'k laat u 's zomers vrank en vrij!

'T BINNENST.

Hoorde ik vogels kwinkeleren In het stille, koele woud, 'k Zag dan eertijds naar hun veêren:-- 'k Dacht, dat purper, blaauw of goud Om het gorgeltje moest spelen, Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.

Maar--mijn lieve nachtegaaltjes Och! ze leerden mij alras, Dat een keeltje graauw en vaaltjes 't Volst met schoone liedren was, En bij 't heerlijkst klankgetoover 't Zedigst wegschool in het loover.

Zijt ge pover in de kleêren, Arme knaap, arm maagdelijn! 'k Wil u lieven toch en eeren, Toont ge, in 't hart, wat flinks te zijn: 'k Mogt van 't nachtegaaltje leeren, Dat het niet zit in de.... veêren!

KLEIN SPINNEKOPJE.

Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen! Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen? Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid, En niet als ik een bedje, waarin ge u 's avonds leît?-- Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam, En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham; Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt, Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?

SPINNEWEB.

Of er de wind ook uw webbetje scheurt, Of er een hommel doorhenen komt strijken, En of het nogeens en nogeens gebeurt, Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:-- "'t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!" Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan 't werk En maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.

Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was, Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven..... Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo ras Maar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven; Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas.... 't Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest, Of 't is wel ergens nog nut voor geweest!

DE BIJENKORF.

Foei! stoute bij! Wat steek-je mij! Ik deed u toch geen kwaad: Ik keek maar even hoe het gaat En hoe het met uw korfje staat, En of ge voor de winterdagen Al menig vette honigraat Hebt zaâmgedragen.

--Ja, kind! ik gaâr Het halve jaar Mijn' honig en mijn was; Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas, En zoek de bloempjes in het gras En op de hoogste heuveltoppen, En zuig mijn' honig en mijn was Uit alle knoppen.

En als ik dan, Mijn kleine man! Vermoeid naar huis toe dril, En 'k zie daar sluipen, zacht en stil, Een' knaap, die heimlijk snoepen wil, Dan ben ik 't steken niet vergeten.... Want 'k meen, dat wie niet werken wil, Ook niet mag eten.--

ONS POESJE.

Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht, Uw pootjes, die lijken fluweel, Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht, Gij spint er zoo goedig als ik met u speel, Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:-- Wat let me, dat ik je 'reis zoen! Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief! Maar krabben, dat moet ge niet doen!

--Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweel Daar strijk ik mijn haartjes meê glad; Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel, Wie speelt er toch graag met een morsige kat? En 'k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad; Och, geef me gerust maar een' zoen: En krabben, mijn vrind!--Gij zijt een zoet kind, Dat zou ik de Stouterts maar doen.--

LORRETJE.

"Lorretje, kaporretje, kapoe!...." Foei, ik hoû mijne ooren toe,-- Wat geschreeuw en wat getier, Leelijk dier! Hè! mijn heele hoofd is moê.... "Lorretje, kaporretje, kapoe!"

--Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd, Ik heb anders niet geleerd; Maar een kind, dat beter weet, En vergeet Hoe zijn snappen andren deert.... Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.--

DRAAITOL.

Tolletje, tolletje! ben-je niet lui? Als ik je niet met mijn zweep kom te raken, Geef-je van 't loopen en draaijen den brui; Stoutert, je zult me nog tureluurs maken! Vader! och, geef mij een' tol, die blijft staan, Weet u! met snoer en met knoopjes er aan, Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!

--Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui? Maar zoo de Meester u niet komt vermanen, Geeft ge van lessen en schriften den brui; Jongen! het kost me wat zuchten en tranen; Waarlijk, ik vrees,--als het langer zoo duurt, Wordt ge met schande, ten spot van de buurt, Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.--

HOBBELPAARD.

Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard! Nu moet gij rijden met een vaart; Want och! ik heb zoo'n groote haast, Ik moet wat halen van hiernaast;-- Daar is door Moeder, om de pret, Een bord met kersen neêrgezet, En als ge nu niet voort en maakt, Misschien is 't bord dan leêggeraakt: Dus rep-je, rep-je, wat je kan, Dan krijg-je er ook een kersje van; Want Vader zeît: 'een vlijtig paard Dat is de haver dubbel waard'.

LUILEKKERLAND.

'k Heb van Luilekkerland gistren gelezen, Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen, Dáár heb-je grachten van melk en van wijn, Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!

Om er te komen, dat dient ge te weten, Moet men door bergen van rijstepap eten: Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond, Eten en drinken, dat loopt je in den mond!

Jongens!--hoe aardig het is om te lezen, 'k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen; Neen! als men arbeidt met ijver en lust, Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!

HONGER.

Honger is de beste saus; Draven, slaven, zwoegen, zweeten, Geeft den regten trek tot eten; Wie gewerkt heeft flink en goed, Smaken raauwe boonen zoet.

Honger is de beste saus! Had-je taarten en pastijen, Had-je 's werelds lekkernijen, Och wat hielp het u, mijn schat! Als ge toch geen' honger hadt.

Honger is de beste saus! Loopt het somtijds op een schraaltje,-- Denk, wat baat het beste maaltje Aan een' luijen lekkerbek..... Groote schotels, kleine trek!

'T EEN EN 'T ANDER.

Eten, is een kostlijk ding! Doch, zoo u de spijs zal smaken,-- Acht den honger niet gering, Die de saus er op moet maken! Waarlijk!--zoo ik kiezen moet, Òf geen honger, òf geen eten... Och! dan dient gij maar te weten, Ik kies honger... kort en goed!

Rusten, is een kostlijk ding! Doch, zult gij het welkom heeten-- Acht het werken niet gering, Dat den prijs er van doet weten! Waarlijk!--zoo ik kiezen moet, Meest te werken... meest te rusten... Och! trots al de zoetste lusten, Ik kies werken... kort en goed!

Rijkdom, is een kostlijk ding! Doch, wilt gij hem goed waarderen, Acht het arm zijn niet gering Om u 't regt gebruik te leeren! Waarlijk--zoo ik kiezen moet, Altijd rijk... soms arm te wezen, Och! ik zeg het zonder vreezen, Ik kies arm zijn... kort en goed!

VOGELVERSCHRIKKER.

Wel, vogeltjes! wat ben-je dom, Dat ge alle wegvliegt als ge 't ziet!.... Het is een pop en anders niet, Met menig' ouden lap er om: Kijk! of ge 'em pikt en of ge 'em slaat, Hij blijft een doode, kameraad! En doet u zeker leed noch kwaad.

--Wel, jongelief! zijn wij zoo dom, Gij zijt toch ook zoo'n slimmert niet; Want, als ge 's avonds eens wat ziet, Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom, En vreest voor spook of ander kwaad.... En keek-je eens op de keper, maat! Dan was 't verbeelding, kameraad!--

ONPARTIJDIG.

Braaf is braaf en slecht is slecht! Of het vrind of vijand doet; Daarom, jongens! hoû-je goed, Dat ge trouw uw meening zegt, Dat ge spreken durft in 't regt: "Dat is braaf, en dat is slecht."

Heb-je een' goeijen kameraad, Daar ge magtig veel van houdt, En hij is soms boos of stout, Zeg hem dan: "Mijn beste maat! "Dat is slecht",--of, "dat is kwaad!" 'k Wed, dat hij het verder laat.

Vond-je er één' een' raren kwant, Maar ge zaagt er, nu of dan, Eens wat braafs of nobels van, Geef hem dan uw regterhand En vertel aan allen kant: "Hij is toch een ferme klant!"

Maar bedenk u eigen goed, Eer ge tot een' ander' spreekt, Of je zelv' ook wat ontbreekt, Dat ge nog verhelpen moet:-- Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet: "Dàt was kwaad, en dàt was goed."

EEN KLEIN JOKKENTJE.

Een klein, klein jokkentje, Zou dat wel zonde wezen? Me dunkt, het heeft geen' nood.... Maar--kleine kindren worden groot, Dat heb ik laatst gelezen; En zijn ze jonk een beetje kwaad, Me dunkt, dat men van zelv' al raadt, Wat ze ouder zullen wezen.

Een klein, klein jokkentje, Al was het nog zoo'n diefje, Groeit tot een boozen gast, En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast, Dat geef ik je op een briefje;-- En menig brave man of vrouw Heeft van zoo'n jokkentje berouw Hun heele leven,--liefje!

KRACHTIG EN ZEDIG.

Kort en krachtig in het goede, Kort en krachtig tegen 't kwaad, In den voorspoed kalm te moede, Dubbel flink als 't kwalijk gaat.... Zoo ge dàt leert, kameraad! Zult ge zien, dat--kort en krachtig Meer nog is, dan rijk en magtig.

Stil en zedig in het goede, Stil en zedig bij het kwaad, In den voorspoed kalm te moede, Dubbel zacht als 't kwalijk gaat.... Zoo ge dàt leert, meisjemaat! Zult ge zien, hoe--stil en zedig, 't Best eens ieders wensch bevredig'.

Knapen, Meisjes!--Uitgelezen, Vol van heil en vol van vreê, Zou de heele wereld wezen, Hoorde een ieder naar mijn beê; Doch!--doen ze Allen ligt niet meê, 'k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig, Stil en zedig, kort en krachtig!

SCHOUDERMANTELTJE.

Een lapje hier, een lapje daar, Waar ik ze maar kan vinden, Die gaâr ik netjes bij malkaar Van buurtjes en van vrinden; En geef voor chits,--ja, voor katoen, Een hand, een lachje, en soms een' zoen.

Een lapje hier, een lapje daar, Die snij ik dan tot ruiten, En stik ze netjes aan malkaâr, De mooiste zij naar buiten; En, zijn dan alle hoekjes vol, Dan voer ik ze met warme wol.

Een lapje hier, een lapje daar Ging anders toch verloren.... Nu ben ik menig' winter klaar En warm me naar behooren:-- 'k Ben met dien mantel dubbel blijd', Want 'k heb hem door mijne eigen vlijt.

NIEUWE KLOMPJES.

Mijn Kees-oom is een timmerman, Daar is geen knapper op de werf; Hij maakt in huis en op het erf Al wat-je zien of denken kan; Zijn hand is ruw, en grof zijn stem, Maar 'k ben daarom niet bang voor hem.

Hij kneep me lestmaal in mijn oor En zeî: "Nu, als ge vlijtig leert, Uw' Vader en uw Moeder eert, Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!" En tintelde ook mijn oor er van, Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.

En denk 'reis wat hij heeft gebragt?.... Een nieuw paar klompjes, puik en net, Met zilvren neusjes afgezet, Gevoerd met witte schapenvacht.... En binnen in daar lag een brief, Waar op stond: "Voor mijn Neefje-lief!"

En Moeder zeî me, met een' lach: "Nu ziet ge maar, mijn beste maat! Hoe of het zoete kindren gaat; 'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!" En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen En zeî: dat ik mijn best zou doen!

WINTER.

Och winter, barre winter, Wat zijt ge bitter koud! Ik woû, ik had een' gulden, Dan kocht ik turf en hout. Een vuurtje zou ik bouwen Als onze plaat zoo groot, En 'k vroeg mijne arme buurtjes Op koffij en op brood.

Wat zouden ze dan smullen In 't hoekje van den haard! Voor mij wierd zachts een plaatsje En ook wat brood bewaard: Och had ik maar een' gulden.... Maar toen ik Moeder vroeg, Toen zeî ze: "Kind! we hebben Pas voor ons zelv' genoeg."

Hoor, Jongens! als ik groot ben, Dan zult ge 'reis wat zien: Een' cent wil ik bewaren Van wat ik daags verdien; Dan heb ik een' driegulden Met Nieuwejaar bespaard, En 'k vraag mijne arme buurtjes In 't hoekje van mijn' haard.

BROODKRUIMELS.

Wat pikt er tegen 't vensterglas, Alsof het vroeg: doe open!-- Zoo 't eens die kleine vogel was, Die 'k op de plaats zag loopen! Och ja! daar zit hij, koud en stram; Hoe sjilpt hij om wat eten.... Och, dat ik nu mijn boterham Maar niet had opgegeten!

Of had ik al de kruimels maar, Die Moeder weg moest vegen, Dan was het arme diertje klaar En ik stond niet verlegen!-- Och, Moeder! help mij uit den nood, En 'k zal het nooit vergeten, Dat ook geen krûmmeltje van brood Mag worden weggesmeten.

IN DE KAARS.

"Wat danst ge vrolijk om het licht, Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen, Of schemert het voor uw gezigt? Zoo menig is er ingevlogen, Die half verbrand te spartlen ligt, En, 'k moet het waarlijk vreezen, 't Zal straks met u wel ook zoo wezen!"

Doch, wat de huisvrouw zeî of deê En of zij 't beestje al weg woû jagen, Het hoorde naar vermaan noch beê Maar volgde blind zijn welbehagen:-- En 't duurde pas een tel of twee, Of zie! tot straf van 't dartlen, Daar lag het in de kaars te spartlen!

Ik woû wel, dat een zeker kind (Ik zal zijn' naam hier maar niet zeggen!) Dat waanwijs mugje, zoo verblind, Daar in die heete kaars zag lêggen!-- Maar 't beestje is dood, eer ik hem vind.... Misschien kan 't nog genezen, Als ik er handig bij wil wezen!

IN 'T DONKER.

Gij kruipt vergeefs in struik en heg, Nu dat ge kwaad deedt aan de liên; Gij dacht misschien: "Het is toch donker op den weg En niemand zag me bij mijn vlugt!"-- Kijk eens naar boven, naar de lucht.... De Sterren hebben het gezien!

Nu zijt ge 's avonds, vroeg of laat, Voor iedren struik en iedren boom In angst en schroom; Want waar ge zit, of waar ge staat, Daar kijken u de Sterren aan En roepen: "Gij hebt kwaad gedaan!...." En 's nachts nog hoort ge 't in uw' droom.

Maar is dan 't hartje droef te moê En voelt ge regt berouw en leed, Omdat ge 't deedt, Dan lagchen u de Sterren toe, En zeggen: "Doe 't maar nimmer weêr, Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!" Slaap wel nu--mits ge 't nooit vergeet!

TWEE SCHILDWACHTS.

Of ge deur en venster sluit, Booze dieven, booze boeven, Die berooven en bedroeven, Weert ge daarmeê 't huis niet uit! Neen! twee schildwachts moet ge kiezen, Wilt ge geld noch rust verliezen.

"Arbeid" sta getrouw op post Om voor "buitenshuis" te zorgen; Wakend van den vroegen morgen, 's Avonds laat pas afgelost;-- "Liefde" hoû, met kalme zinnen, Vroom en ijvrig wacht "van binnen."

Waar die beiden staan op wacht, En de blanke wapens trekken Als ze boef of dief ontdekken, Zijt ge veilig, dag en nacht! Kunt gij roepen, zonder schromen: "Laat het booze volk maar komen!"

IN DEN MANESCHIJN.

Kindren! kijk! de maan schijnt klaar: Komt een beetje hier! Zingt eens lustig met elkaâr, Zingt wat voor plêzier! Liedjes kent ge toch genoeg, 'k Hoor u laat en 'k hoor u vroeg, Komt nu haastig hier!

Als het werk is afgedaan En de taak volbragt, Mag er wel een liedje op staan; 't Klinkt zoo mooi bij nacht! Open gaat er menig raam, Al de buurtjes scholen zaam; Zingt nu rein en zacht!

Zingt vooreerst maar, hoe een kind Leerzaam wordt en zoet! Dan een liedje, welbemind, Van "Wien Neêrlandsch bloed!" Dan hoe men zijne ouders eer', En hoe onze lieve Heer Magtig is en goed!

Kindren! kijk! de maan schijnt klaar: Komt nu allen hier! Zingt eens lustig met elkaâr. Zingt wat voor plêzier! Spoedig roept de wacht: naar bed! Daarom zingt nu voor de pret, Komt maar haastig hier!

DES AVONDS LAAT.

Des avonds laat, des avonds laat, Dan komt mijn Vader, loof en moê, En dikwijls straat en grachten ver, Van 't werk af naar ons huisje toe; Dan sta ik voor ons kleine raam Te hunkren of ik hem bespeur', En als hij dan den hoek omslaat, Dan loop ik haastig naar de deur.

Des avonds laat, des avonds laat, Als Moeder koffij heeft gezet, Schuif ik mijn Vaders leuningstoel In 't hoekje tusschen haard en bed; Ik zet zijn sloffen op de plaat En dan, voorzigtig opgepast, Krijg ik mijn Vaders lange pijp En zijn' tabakspot van de kast.

Des avonds laat, des avonds laat, Als zoo mijn Vader huiswaarts keert, Dan geeft hij mij een lekkren zoen En vraagt: "Wel, heb je braaf geleerd?" Dan val ik Vader om zijn' hals En zeg: "Ik heb mijn best gedaan, Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn, Om flink voor u naar werk te gaan!"

STERRETJES.

Sterretjes! zie ik u blinken en staan, Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan, Waar komt ge 's avonds toch wel van daan, Waar gaat ge 's morgens weêr henen,-- Vindt ge den weg zoo alleenen?

Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht, Heb ik er menigmaal wel aan gedacht, Wie u laat schijnen in duistren nacht; Menschen die kunnen 't niet wezen, Zijt ge zoo groot als wij lezen!

o Dat moet God zijn, die groot is en goed, Die uit zijn' Hemel de kinderkens hoedt, Als zij Hem vreezen met vroom gemoed; Leer ons Hem danken en prijzen, Of ge moogt dalen of rijzen.

TER RUSTE.

Eer wij 't hoofd ter ruste buigen, Waar ons leger is gespreid, Willen we onze dankbaarheid Aan den goeden God betuigen Voor den zegen ons bereid: Wil, o Vader! ons vergeven Wat, in onbedachtzaamheid, Door uw kindren is misdreven:-- Laat ons droomen heel den nacht Van Uw liefde, van Uw magt!

III.

BIJ 'T ONTWAKEN.

Zonneschijntje, morgenlicht, Als ge tintelt op de ramen En weêr blinkt in ons gezigt, Vouwen wij de handen zamen En wij danken, met ontzag, Voor dien nieuwen, schoonen dag.

Zie! wij leggen 's avonds 't hoofd Altijd maar zoo rustig neder, Alsof iedereen gelooft: Morgen komt het zonlicht weder!-- Niemand onzer denkt er aan, Dat ge ook eens niet op kondt staan.

Niemand mooglijk heeft gedacht, Dat, zoo gij al weêr mogt komen, Ons misschien geen morgen wacht Na ons slapen, uit ons droomen.... Daarom, schoone morgengloed, Wees met blijden dank gegroet.

VROEG OP.