Al de Kinderliederen

Chapter 2

Chapter 24,174 wordsPublic domain

IN 'T BOSCH.

Gij, lieve vogels, schuw en wild! Wat zijt ge met uw liedren mild, Wat kweelt ge blijde zangen! 't Is of er 't heele bosch van trilt, Die toonen op te vangen!

Het ruischt en suist van ieder blad, Alsof het vol met ooren zat En 't lieflijk lied kon hooren; Alsof het duizend tongen had En meê zong in uw koren.

Gij, schuwe vogels! zijt niet bang, Al stemmen in uw wild gezang Der kindren vrome wijzen; Wij wenschen met u, vaak en lang, Den goeden God te prijzen.

WENSCH.

Ik woû dat ik een vogel was, Een vogeltje met veêren, Wat zou me kunnen deren? Ik vloog maar hoog, ik vloog maar ras En niemand kon me keeren: Geen school of bed kwam meer te pas Als ik een vrije vogel was!

--Zeg, vrindje! hebje wel bedacht, Hoe dikwijls op de stangen De lijsters blijven hangen,.... Wat vinkjes onder 't net gebragt, Wat snipjes zijn gevangen, En dat er menig vooglaar wacht Op dat onnoozele geslacht?

--Al vloog je hoog, al vloog je ras,.... Die lastige geweren Ze zouden je wel keeren: Wat hielp dan of je een vogel was, Een vogeltje met veêren? Geloof me ('t komt nog best van pas): Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!--

HONIGBIJEN.

Wel zoete honig zuigt de bij Uit bloem en geurig kruid; Gij, lieve kinders! doet als zij: Gaat in uw lente niets voorbij, Of trekt er leering uit.

En in haar huis van klevend was Daar heeft ze zaâmgegaard Al wat ze vond in veld of kas;-- De bloemkens, kindren! dorren ras! Wie wijs is, die bewaart!

Doet ook zoo in uw blijde jeugd, Waar alles bloesem draagt; Wat is het, later dan, een vreugd, Als u op ouden dag nog heugt, Wat ge in uw jonkheid zaagt!

'T VERDWAALDE LAM.

Lammetje! loop je zoo eenzaam te blaten Over de hei? Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten? Bleef je niet liever daarginds op de wei? Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras, Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten, Hier is geen schaduw om onder te rusten,.... En als je dan nog zoo klein maar niet was!

--Kindren! ik had al zoo lang loopen spelen Ginds op de weî; Altijd dat grazen begon te vervelen, 'k Woû weleens zien hoe het was op de heî. Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer, 'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden, 'k Zoek om wat gras en wat water te vinden: Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!--

Schaapje! wij zullen den weg u wel leeren Over de hei, Ga maar met ons en geen leed zal je deren, Zeker! wij brengen u weêr op de weî. Maar, maak dan voort, of wij laten je staan, Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven, Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven, Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!

DE HERDER.

Daarbuiten op de weide Gaan lam'ren, klein en groot; Zij grazen van den morgen Tot aan het avondrood. Opdat geen leed hen deren, Geen lam verdwalen zou, Bewaakt een wakkre herder De kudde vroom en trouw!

Maar meer nog dan de herder De lammerkens bewaakt, Waakt God voor brave kindren, Dat hun geen onheil naakt; Hij ziet van uit den Hemel Behoedend op ons neêr, En als we onwetend dwalen, Voert hij ten goede ons weêr!

KLEEDING.

Lelie, met uw wit gewaad! Roosje, met uw purpren hoedje! De arme knaap en 't meisje groet-je... En ze vinden, inderdaad, Dat uw tooi u prachtig staat.

Ziet de knaap zijn halfsleets buis Digt bezaaid met menig lapje, Ziet het meisjen op haar kapje, Hier vol gleedjes,--daar vol pluis... Half bedroefd gaan zij naar huis!

Maar als moeder dáár, zoo blij, Zit te naaijen en te stikken, Om die plunjes op te flikken,-- Bloempjes! och dan vinden wij Ons gelukkiger dan gij!

Of men veel of weinig heeft.... Ieder kunnen wij behagen, Als wij knap en dankbaar dragen Wat de hand der liefde ons geeft;-- Of men veel of weinig heeft!

GEÄRMD.

Honger, honger! leelijk woord, Als een leêge maag u hoort! Als de tanden watertanden, En men staat met leêge handen.... Als ge op volle schaal of manden Gretig u een' blik verstout,-- Maar de maag vacantie houdt.

Doch--hoe lastig gij soms zijt, Toch maakt ge ons ook dubbel blijd, Zullen we u graag welkom heeten Als we happig zijn gezeten Voor een' schotel lekker eten.... Grage tand de spijs vermaalt, Zelf verdiend en zelf betaald!

Daarom roept ons blij gezang: Lieve Honger! plaag ons lang! Rijk en ziek zou menigmalen (Kon het!) u met goud betalen-- Ons zult gij zoo ligt niet falen; Maar verlangt gij dank en prijs, Kom dan (kan 't!) geärmd met.... spijs!

DE KLEINE BEDELAARSTER.

Daar liep een meisje langs den weg; Haar oogjes waren rood: "Ik weet in 't land geen heg of steg, Mijn vader en moeder zijn dood, Mijn oudste broêr die is soldaat; Och had ik maar werk, dan wist ik raad!"

Dat zag een brave boerenvrouw En zei: "Mijn lieve kind! Wat loop je barvoets in de koû En huilt er uw kijkertjes blind! Wie werken wil, vindt altijd raad! Voor jou heb ik nog wel overdaad."--

Ze werkte laat, ze werkte vroeg En diende braaf en trouw; Een boertje flink en rijk genoeg Die haalde haar thuis als zijn vrouw; Maar had ze toen ook overdaad, Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.

VAN GLAS.

Wanneer het maar voor 't geven was, Dan gaf ik ieder kind, Dat graag wou zijn bemind, Een hartje van het fijnste glas; Van glas.... van glas? Ja wel van glas!

"'t Is zaak dat ik er goed op pass'!" Dacht ieder dan (hoe klein!) "Want, houd ik het niet rein, Dan ziet men gaauw een smet op 't glas; Op 't glas.... op 't glas? Ja wel op 't glas!"

En--heeft het eerst een barst of kras Zij gaan er nooit weêr uit En 't geeft een valsch geluid Wanneer er iemand tikt aan 't glas; Aan 't glas.... aan 't glas! Ja wel aan 't glas!

Och! dat het maar voor 't geven was.... Doch zie! 't is even goed Wanneer ge, o kindren! doet, Alsòf uw hartje waar' van glas; Van glas.... van glas? Ja wel van glas!

NEMEN EN GEVEN.

Ei! goeden morgen, Peereboom! Wat zijt ge rijk geladen; Ik zie, van welken kant ik koom', Meer vruchten haast dan bladen; 't Is waarlijk, of zich blad bij blad In peer bij peer veranderd had.

En waar gij, lieve Peereboom! Zoo heerlijk staat te prijken, Roept Vader:--"Jongen! nu niet loom Daaronder staan te kijken; Kom flink er in--zoo'n groote schat Blijft groot nog, al verliest hij wat!"

Dus, allerbeste Peereboom! Zal 'k maar niet lang meer temen En van uw peertjes zonder schroom Een fermen zak vol nemen; En 'k geef dan elken buurknaap wat, Die zulk een milden boom niet had.

VLIEGER OPLATEN.

Vieren, vieren!.... achteruit!.... Zal uw vlieger stijgen kunnen Moet ge hem de strengen gunnen, Of de kans die is verbruid: Geef uw vlieger vrije lucht, Geef hem ruimte voor zijn vlugt.

Loopen, loopen, wat je kan! Als uw vlieger neêr wil dalen Moet ge hem weêr op gaan halen, Met een strakker, straffer span: Zonder moeite geen plêzier Met dat vliegende papier.

Palmen, palmen, wat je mag! Kunt ge hem niet boven houên, Zorg ten minste voor uw touwen.... 't Is een les voor d' ouden dag: Wie dat alles tijdig kan, Die wordt een verstandig man.

BLINDEMANNETJE.

Stoelen en stoven op zij, Dat hij zijn voetjes niet stoot; 't Heeft geen nood!-- Loop hem voorbij, Trek hem op zij. Blindeman, Blindeman! Pak me maar ân, Als je me krijgen kan.

Kijk! wat hij rondloopt en tast! Sliep uit, dat 's mis, kameraad!.... 't Is te laat! Raagbol en kwast, Hoû ze maar vast!-- Blindeman, Blindeman! Pak me maar ân, Als je me krijgen kan.

Meisjes! wat kraakt er uw kleed! Jongens! uw fluistren verraadt Waar je staat! Eer dat ge 't weet, Heeft hij je beet!.... Blindeman, Blindeman! Hoû wat je kan: Je bent weêr ziende, man!

ONZE MANIEREN.

Tusschen Keulen en Parijs Leît de weg naar Rome: Al die met ons meê wil gaan, Die moet onze manieren verstaan: Goeije manieren, Zoete manieren, Zoo zijn onze manieren.

Ben je klein of ben je groot, Altijd kan je leeren; Woudt ge gaarne zijn bemind, Houdt maar onze manieren te vrind: Brave manieren, Vrome manieren, Zoo zijn onze manieren.

Ben je niet van Hollandsch bloed, Woudt ge dat niet blijven? Houdt dan, kindren! waar het past, Houdt dan Hollands manieren maar vast; Oûwe manieren, Trouwe manieren, Zoo zijn onze manieren.

VOOR DE SMIDSE.

Heisa! dat hamert er lustig op toe, Smidje! vertel me 'reis, wordt ge niet moê? Toen wij van morgen naar school zijn gegaan, Waart gij al lang aan het smeden en slaan; Oef! wat een werken en zweeten is dat, Wacht eens een omzien en rust ereis wat!

--Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit, Maar van het smeden versta je geen' duit; 't IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet; Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet; Denkt er om, jongens! 't is goed, dat ge 't weet: IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!--

HAASJE.

Haasje zat in 't rijpend koren, Knabblend aan het groene kruid;-- Haasje, haasje! kijk wat uit, Klonk daar niet een jagershoren? Klonk daar niet een paardedraf? Klonk daar niet een hondgeblaf?

"Nog een blaadje, nog een kruidje,.... Ik kan loopen, hard genoeg, 't Is, warempel! nog te vroeg, Nog dat ééne, kleine spruitje...." Paf!.... daar knalde het geweer, 't Haasje dat viel bloedend neêr!

Haasje, haasje! 't kan me spijten, Maar uw lot dat is verdiend: Waart ge minder gulzig, vriend! Zou de hond je nu niet bijten: Wie niet hoort naar goeden raad, Die beklaagt het zich te laat!

'T JAGERTJE.

Jaapje woû een veldhoen schieten, En hij trof zijns buurmans schaap. Ieder zeî: Wat domme knaap!-- Jaapje liet zich 't niet verdrieten, En hij laadde zijn geweer Voor een' ander' keer.

Met zoo greep hij 't in zijn handen, Schoot en trof een vetten haas; Ieder riep: Je bent een baas!-- Jaapje liet ze watertanden, En hij bragt hem blij te moê Naar zijn' buurman toe.--

'k Heb in vroeger tijd gelezen: "Hans komt door zijn domheid voort!" 't Is niet altijd waar, dat woord, Mag 't ook nu en dan eens wezen; Maar, wanneer ge een domheid doet, Maak haar gaauw weêr goed!

OCTOBER.

Kijk! October is in 't land! Vol van appels buigen, zakken, Knakken haast, de dikste takken, Geef een mand! Neen! geef duizend, duizend manden! Pluk en raap, met volle handen, Doe, van al dien overvloed, Nu uw buikje eens regt te goed.

Maar, bedenk het, jonge borst! 't Is (hoeveel gij ook moogt garen) Goed--een appeltje te sparen Voor den dorst! Als de winter is gekomen, Vindt ge er geen meer aan de boomen, En uw al te grage tand Bijt ligt in een leêge mand!

Zoo 't voor appel geldt en peer, Lieve kind!--in rijper jaren Zult gij zien, dat zóó te sparen Geldt voor meer!.... Wil dus vroeg en jong beginnen Steeds te sparen van uw winnen, Om te maken, dat gij, oud, Appels voor den dorst behoudt.

SINT-NICOLAAS.

Zie, de maan schijnt door de boomen, Makkers! staakt uw wild geraas; 't Heerlijk avendje is gekomen, 't Avendje van Sint-Niclaas! Van verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard!

o! Wat pret zal 't zijn te spelen Met dien bonten arlekijn! Eerlijk zullen we alles deelen, Suikergoed en marsepijn; Maar, o wee! wat bittre smart, Kregen wij voor koek, een gard!

Doch ik vrees niet, dat wij klagen, Vader, Moeder zijn te goed! Waren we ook niet alle dagen, Véle waren wij toch zoet! Ban dus vrij de vrees van 't hart, 'k Wed, er ligt geen enkle gard!

SNEEUWBALLEN.

Sneeuw bedekt de landen: Wascht de kille handen Dat ze tintlend branden, Kneedt den sneeuwbal vast; Krachtig de' arm geheven, Fiksch den bal gedreven: Ha! dat is een leven, Dat aan jongens past!

Koudkleum mag zich warmen In zijn Moeders armen, Schreijen om erbarmen, Als de bal hem raakt; Laat de kagchel gloeijen,.... Ons zal door het stoeijen 't Bloed wel sneller vloeijen, Waar de sneeuwbal kraakt!

WINTERAVOND.

Zoo'n winteravond mag ik wel, Al stormt het wat daarbuiten, Al klettert ook de hagel schel En ram'lend langs de ruiten; Hierbinnen is een fiksche gloed En chocolade, warm en zoet, En knappende beschuiten.

Wij vroegen om dat lekkers niet, Maar laten het ons smaken, En zingen soms een vrolijk lied, Dat kindren kan vermaken; En leêgen menig groote schaal, En hooren menig vreemd verhaal Van allerhande zaken.

Maar zijn we aan 't einde van de pret, En wordt het vuurtje zwakker, Dan gaan wij vrolijk naar ons bed, En groeten vriend en makker; Dan leggen wij ons dankbaar neêr, En bidden: "o! Behoed ons, Heer! En maak gezond ons wakker!"

NAAR BED.

Kindertjes! zijt ge nog niet moê?-- Of gij uw oogjes al wilt wrijven, Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe; Vroeg je niet om 'reis op te blijven? Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht; Kindertjes! komt, uw bedje wacht!

Is het niet of uw hartje slaapt?-- Worden uw koontjes niet al strakker? Foei, hoe dat er uw mondje gaapt! Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker! Kleedt je dan uit en bidt den Heer; Kindertjes! komt, 't is tijd en meer!

MANESCHIJN.

Die klare, heldre maneschijn, Wat houdt hij trouw de wacht! Ik kruip maar achter mijn gordijn En slaap den heelen nacht.

Kijk vrij door 't venster met uw licht, Gij allerliefste maan! Ik knijp maar beî mijn oogjes digt En laat je buiten staan.

Als morgen vroeg de zon opgaat, Spring ik weêr voor den dag; En wensch dan, beste kameraad! Dat je ook eens slapen mag.

AVONDBEDE.

Kinders! zult ge slapen gaan, Bidt met zulk een vroom gemoed, Of ge 't voor het leste doet En misschien niet op zult staan.

Dankt voor 't goeds, wat God u gaf, Hem, die 't u geschonken heeft; Smeekt voor 't kwaad, wat gij bedreeft, Onzen Heer vergeving af.

De oogjes, door den slaap bezwaard, Mogen dan ter ruste gaan; Vrolijk zult ge ze openslaan In den Hemel of op aard'.

ENGELEN.

In den Bijbel staat geschreven, Dat Gods Englen ons omzweven, En bewaken in den nacht; Dat geen boosheid ons kan hindren En dat alle vrome kindren Veilig slapen in hun wacht!

Dikwijls als ik had gebeden Was 't, of op mijn oogeleden Nog een nachtkus werd gedrukt: Zou dat niet een Engel wezen, Dacht ik--en met heilig vreezen Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.

II.

OCHTENDDANK.

Wij, kindren, knielen dankend neêr, En loven U, o Lieve Heer! Nu wij uit zoeten slaap ontwaken. Uw hand maakte onze peluw zacht, Uwe Englen waakten heel den nacht, Dat ons geen onheil mogt genaken; En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:-- o Vader! U zij dank gebragt!

ZONDAG-MORGEN.

Nu roept de kerkklok met zacht geluid De kindren alle ter woning uit; Naar 't Huis des Heeren gaat groot en kleen, In stillen eerbied, aandachtig heen.

Om Hem te danken, die zoo veel goed Aan alle menschen en kindren doet; Om Hem te bidden, dat Hij vergeev', Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.

o Lieve Heere, Gij, goede God! o Leer ons leven naar uw gebod! En ieder kerkgang zij ons een feest, Waarop we U loven met blijden geest.

MEESTERS VERJAARDAG.

Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak? Kijk uit, langs weî en akker, De bloempjes worden wakker,-- Ontwaak, ontwaak, ontwaak!

Ei, bloempjes! dat is mis geweest, Dat dien-je maar te weten! Wij hadden 't niet vergeten Dat blijde, blijde feest.

Neen, lang al zijn wij kant en klaar, Van 't hoofd tot aan de voeten, Om Meester-lief te groeten, Te groeten paar aan paar.

En als ter school hij binnentreedt, Dan zullen wij met zangen En versjes hem ontvangen Voor 't goed dat hij ons deed.

Dan bidden we onzen Lieven Heer: "o Mogt uw gunst ons geven, Om hem tot vreugd te leven, En U, o God! tot eer!"

DES MORGENS VROEG.

Des morgens vroeg, des morgens vroeg, Al lig ik warm nog in mijn bed, Dan weet ik, dat mijn Moederlief De deur en vensters openzet; Dan staat mijn melk en boterham Al netjes op de tafel reê, En Moeder gaat al vroeg aan 't werk En neemt hare eigen bótrâm meê.

Des morgens vroeg, des morgens vroeg, Wanneer mij Moeder heeft gekust, Dan sluipt zij op haar toontjes weg En fluistert: "Slaap nog maar gerust!" Maar 'k zorg wel, dat ik knap en blij En tijds genoeg naar school toe ga, En als ik eerst gebeden heb, Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.

Des morgens vroeg, des morgens vroeg, Als ik gegroeid ben tot een' man (vrouw), Spring ik het eerst de veêren uit, Dat Moederlief wat rusten kan (zou); Dan zet ik eerst haar bótrâm klaar, En als ik haar dan heb gekust, Dan sluip ik zacht ons huisjen uit En denk: "Slaap gij nu maar gerust!"

NAAR SCHOOL.

"Naar school, naar school! de klok sloeg acht!" Ei kijk! op alle wegen, Van stoep en trap, langs straat en gracht, Komt ons een troepje tegen; Wel koud, maar rein van wang en hand; Wel arm, maar helder als een brand; En aan hunne oogjes zie-je 't aan, Dat zij wàt graag naar school toe gaan.

Eerst stoeit en lacht de blijde schaar En springt op stoep en steenen; Dan ziet ge zachtjes paar aan paar Zich tot een rij vereenen; En is er hier of daar een guit, Ze voeren toch geene ondeugd uit:-- Daar mag een ziertje pret op staan Voor wie zoo graag naar school toe gaan.

Maar dan naar school,--en opgepast! De les moet flink gelezen, Het schrift moet netjes in de kast, De som in orde wezen; En denkt bij alles op het lest, Het is toch tot mijn eigen best:-- Want zijt ge zóó ter school gegaan, Dan komt ge er wijs en braaf van daan.

KIS-KASSEN.

Kom nu, mijn gladde kittelsteen, Ik zal-je gooijen, scherp en plat! Kom, huppel over 't water heen, En kis-kas langs het vlak van 't nat, Totdat ge, haast als een Pailjas, Een sprong maakt tot in 't groene gras!

Hei, jongens! opgepast--hij gaat! Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis, Nog eens... plomp!... Mis is 't, kameraad!-- Een andre... plomp!... dat's daadlijk mis! Nog eens--wat goed is, gaat in drie!... Daar springt hij--hoep!--daar is hij... zie!

Hoezee!--of hij een vogel was, Zoo scheerde hij het spiegelvlak! En kijk! een heel eind in het gras, Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!... Heb dank, mijn gladde kittelsteen! Als gij spring 'k--maar naar School nu, heen!

KLEIN ZUSJE.

Mijn allerliefste zusje, Dat zit op Moeders schoot; Ik geef haar van mijn eten, Dan wordt ze spoedig groot; Ik zing haar al mijn liedjes, Dan wordt ze spoedig zoet; Ik leer haar al mijn lesjes, Dan wordt ze wijs en goed.

Mijn allerliefste zusje! Wat zal dat aardig staan, Als wij met ons twee beidjes Te zaam naar school toe gaan! Dan op de kleine steentjes Parmantig voortgestapt, Ik zal wel op u passen, Dat ge in geen plassen trapt.

Mijn allerliefste zusje! Och, zeg! geloof-je nou Hoe dat ik in mijn hartje Zoo magtig van u hoû? Toe, lach 'reis tegen broertje (zusje) En geef me 'reis een' kus, En pak me eens in je boutjes, Mijne allerliefste zus!

STUKJES-DRAAIJEN.

Hé! dat 's wat anders, als op school Te muffen op die harde banken, Te kijken naar die zwarte planken, En zoet te zijn als domme Jool! Kom, kom! dat leeren is maar wind, 'k Denk, dat ik tòch mijn' kost wel vind!...

Wat woû-je, man?... een' halve cent? Ik heb er waarlijk geen' te geven.... Maar kunt ge van uw werk niet leven, En moet ge beedlen, arme vent? Gij lijkt toch anders groot en sterk, Hoe komt het--heb-je dan geen werk?

"Och, lieve kind! toen 'k jonger was, Toen woû ik mij niet goed gedragen En ging, als 't schooluur was geslagen, Uit slentren in het groene gras; Ik wou niet leeren toen ik môst, En moet nu beedlen voor den kost."

Och, arme man! ik schrik er van: Ik was daar juist aan 't stukjes-draaijen; Maar 'k laat mij door uw voorbeeld raaijen. Kom morgen maar 'reis bij ons ân:-- Als Moeder 't mij vergeven heeft, Is 't vast, dat ze u een bótrâm geeft.

OPGEPAST.

Ik wou wel als een vogeltje Zoo vliegen en zoo springen; Ik woû wel als een vogeltje Een vrolijk liedje zingen, En iedereen' vertelde ik graag, Dat ik zoo vrolijk ben van daag!

En wilt ge weten hoe dat komt? Och, luister dan maar even! Ik heb het best mijn les gekend, Het best mijn schrift geschreven: En Moeder trok mij op haar' schoot En zoende beî mijn wangen rood.

KERK-EXAMEN.

Och Lentelief, och hartedief! Hoe prachtig zijn uw kleêren, Gestikt met bloempjes wit en blaauw En paereltjes van morgendauw En bonte vogelveêren! Wat ben je mooi, wat ben je mooi, Mijn lievert! in dien rijken tooi.

En God de Heer, die tot zijn eer, o Lente! u zoo woû kleeden, Zal zeker aan het arme kind, Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint, Nog grooter zorg besteden. Zijn goedheid geeft der schaamle jeugd Den tooi van kennis en van deugd.

Rijk jaargetij! dat mogen wij Van daag weêr dankbaar toonen (Zij 't met versleten jurk en buis), Nu liefde ons in des Heeren Huis Voor deugd en vlijt wil loonen; Die liefde ziet op pronk noch tooi, Maar denkt: "De hartjes zijn toch mooi!"

NIEUWSGIERIG.

De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt-- En duizend bloemenknopjes Verheffen weêr hun kopjes En kijken langs 't ontluikend veld; Half, ja! met welbehagen-- Maar half met schuchter vragen: "Zeg! is de Lente ver genoeg, Dat wij het durven wagen... Of komen wij te vroeg?"

Gij lieve bloempjes, wit en rood, Gij teêre madeliefjes, Och! wees voorzigtig, diefjes! Gij zat zoo goed in Moeders schoot! Geen winter kon u deren.... En als met donzen veêren Dekte u de blanke sneeuwvlok-sprei: Wat kondt ge méér begeeren Gij bloempjes van de weî?

"Begeeren, ja!... begeeren, neen! Maar toch, wat rond te kijken Dat zou ons wel eens lijken!"... 't Is goed!--Ik ben er meê te vreên; Ik antwoordde op uw vraagjes: Doch schijnt de zon nog traagjes-- En komt weêr sneeuw en ijs... Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes! Door schande en schaê maar wijs!

DE LENTE KWAM.

De winterkoû is weggejaagd: Zie maar! wat bloemen, overal, De hof, de haag, de boomgaard draagt. 'k Hoop, dat het niet meer vriezen zal! En dat 'k geen andre sneeuw meer zie, Dan die Als witte bloesem sneeuwt!

Of haast de zwaluw komen zal?-- Met stroo en fijngekamde wol Maakte ik de nestjes, in den stal En onder aan de dakgoot, vol. Ik denk: 't doet vast het trouwe dier Plêzier, Dat 'k zóóveel van hem hoû!

En komt onze ooijevaar dan weêr, De langpoot met zijn langen bek, Dan zal 't een pret zijn!--vrij wat meer, Dan, toen hij stond op zijn vertrek, En ieder droevig keek naar 't dak En sprak: "Hij neemt den zomer meê!"

Zoo klink' het dan, aan allen kant, Terwijl we ons scharen tot een dans, "Hoezee!--de Lente kwam in 't land, Vlecht haar een madelievenkrans!"-- En de Armoê roept, nog eens zoo blij Als wij: "Koû en gebrek zijn nu voorbij!"

IN MEI.

In Mei, Dan leggen alle vogeltjes Een ei! En waar ze zitten broeijen, Daar zullen we niet stoeijen.

In Mei, Dan kruipt een heel klein vogeltje Door 't ei! Wie zou het willen deren? Het heeft geen eens nog veêren.

In Mei, Dan leggen alle vogeltjes Een ei! En wie die beestjes hindren, Dat zijn wel booze kindren.

BOTERBLÔMMETJE.

Ik moet u toch 'reis roemen, Mijn kleine boterblôm! Al keken de andre bloemen Daar nog zoo knorrig om; Gij staat zoo glinstrend in het hout, Alsof ge waart van klinkklaar goud.

De bloempjes in de potten, De bloempjes in de kast, Die hebben mak'lijk spotten, Zij worden opgepast; Gij staat in alle wind en weêr En groeit en bloeit toch evenzeer.

Ik kon wel van u leeren, Heeft Vader mij gezeîd: Meer dan de mooiste kleêren Siert ons tevredenheid;-- Zoodat een arm en dankbaar kind Verdient, dat men het dubbel mint!

OCH HEER!

Geen van de bloempjes heeft zijn' knop meer toe, Het lieve zonnetje lacht weltemoê, De dartle vogels springen hoog en laag; Och Heer! wat is het alles mooi van daag!

Och Heer!... foei! 'k zeî dat woord daar onbedacht,-- En alles spreekt toch van Gods liefde en magt; Ja alles roemt de goedheid van den Heer, En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.