Al de Kinderliederen

Chapter 1

Chapter 13,540 wordsPublic domain

Al de Kinderliederen

Van

J. P. Heije.

Met vertalingen van

A. Clavareau, Prof. Karl Arenz en F. J. Millard.

Photographie van VAN KONINGSVELD,

Teekeningen van CHANTAL en ROCHUSSEN,

Staalgravuren van SLUIJTER.

Amsterdam,

P. N. van Kampen.

1861.

Gedrukt bij C. A. Spin & Zoon.

AAN DE KINDEREN!

Herinneren sommigen uwer, mijn Lievertjes! zich nog, hoe 'k, bij de Nieuwe Kinderliederen, wenschte, dat ge op mijn Verjaardag aan mij dacht? 'k Zette toen (als een Onder-ons-je) den datum bij 't Woordje-vooràf. Dàt doe 'k thans ook hier-onder, opdat ge 't allen zoudt kunnen weten.

Want zie! ik geef U hier al de Versjes en Liedjes bijéén, die ik voor U gemaakt heb! Behalve de Bundeltjes van vroeger (ook dat van 't Nut), staan in dit boekje nog wel een dertig Gedichtjes, waarvan ge de meesten in 't geheel niet kende'.

En hoe vindt ge dan de vriendelijkheid van de HH. Clavareau, Arenz en Millard om U (haast zonder dat ge 't merkt) drie vreemde talen te leeren? Ik ten minste ben er hun zeer dankbaar voor, want Vader Cats reeds heeft gezeîd:

Zóóveel mannen in één man, Als hij vreemde talen kan!

en dit geldt net zoo goed voor meisjes als voor jongens!

Mooije prentjes hebben de HH. Rochussen en Sluijter er bij gemaakt; en zoo ge verlangd hebt te weten, hoe ik zelf er ten naasten bij uitzie, dan moet ge den Heer Chantal, den Heer Sluijter en den Heer van Koningsveld (die er eerst eene photographie van maakte) bedanken voor het portret op den titel. 't Meisje, dat vóór mij staat, is mijn éénig dochtertje Sophie! Een zoon heb ik niet; maar, opdat de jongens niet vreezen zouden, dat ik dáárom minder van hen hield, heb ik er ook een kleinen knaap bij laten teekenen.

En nu, zoo als gezeîd is:--doe uw best, om t' elken dag liever, flinker, knapper, braver, zachtmoediger en blijmoediger te worden, óók (zoo 'k hoop) door 't véél lezen en zingen van deze Versjes en Liedjes: en ontvang, als ge zóó zijt of worden wilt, en zóó aan mij denkt, in gedachten een kus en een hand, en een hand en een kus

Amsterdam, Van Uw Vriend 1 Maart 1861. Dr. Heije.

INHOUD.[1]

I. Schoudermanteltje 96. Nieuwe klompjes 97. Bladz. Winter 98. Dageraad 3. Broodkruimels 99. Morgenlied 4. In de kaars 100. Weddenschap 5. In 't donker 101. Zons-opgang 6. *Twee schildwachts 102. *Winterkoning 7. In den maneschijn 103. *Schoolexamen 8. Des avonds laat 105. Voorjaarsdag 9. *Sterretjes 107. Voorjaarskoelte 10. Ter ruste 108. Van zeven kikkertjes 11. Lentelied 12. *Meimaand 13. III. Mei-regen 14. *Groen takje 15. Bij 't ontwaken 111. Onkruid 16. Vroeg op 112. Bloemkweeken 17. *Morgenlied 113. Klimop 18. Leeuwrik 114. Appelboom 19. Handjes wasschen 115. Grazen 20. Zamen 116. Kersentijd 21. Dauw 117. Kersenplukken 22. Hebt gij 't gehoord? 118. Vogelnestje 23. Al te vroeg 119. *Jonge vogeltjes 24. *Een prijs 120. Vogelen-lied 25. Vergeet-mij-nietje 121. Duifje 26. Vlasbloemetje 122. Roodborstje 27. Maandrozen 124. Nachtegaal 28. Een woud-bloempje 125. In 't bosch 29. Gebroken 127. Wensch 30. Korenbloemen 128. Honigbijen 31. Korenären 129. 't Verdwaalde lam 32. De kromme boom 130. De Herder 33. De wijnrank 131. *Kleeding 34. Bloemen en vogels 132. *Geärmd 35. Haantje 133. De kleine bedelaarster 36. De mieren 134. *Van Glas 37. Zoet en bitter 135. *Nemen en geven 38. Het doode mugje 136. Vlieger oplaten 39. Glimworm 137. Blindemannetje 40. Zwaantje 139. Onze manieren 41. Ooijevaar 140. Voor de smidse 42. *Een middagslaapje 142. Haasje 43. *Doen en laten 143. 't Jagertje 44. *Zwemmen 144. *October 45. *Regtop 145. Sint-Nicolaas 46. De langste dag 146. Sneeuwballen 47. Medicijn 148. Winteravond 48. Voorzigtig 149. Naar bed 49. Smakelijk eten 150. Maneschijn 50. Matig 151. Avondbede 51. Van een aapje 152. Engelen 52. Duinlied 153. Vaderlandsch lied 154. *Kloek en blank 155. II. Volhouden 157. *Een vijand 158. Ochtenddank 55. Treuzeltje 159. Zondag-morgen 56. Kringetjes in 't water 161. Meesters verjaardag 57. *Beurtzang 162. Des morgens vroeg 58. *In tijds 164. Naar school 59. Sneeuwliedje 165. *Kis-kassen 60. De holle boom 167. Klein zusje 61. *Vroeg verwelkt 169. Stukjes-draaijen 62. *Winternacht 170. Opgepast 63. *Kerk-examen 64. *Nieuwsgierig 65. IV. *De lente kwam 66. In Mei 68. *Le lever du soleil 171. Boterblômmetje 69. *Le printemps 173. Och Heer! 70. *Le nid d'oiseaux 174. 't Viooltje 71. *Le rossignol. 175. Brandneteltje 72. *Le petit lièvre 176. *Niet plukken 73. *Le clair de lune 177. 't Verflenste bloempje 75. Verwelkte rozen 76. *Sonntag-morgen 178. De vlinder 77. *Zur Schule 179. In de weî 78. *O Herr! 181. Lijsterbessen 79. *Der Bienenkorb 182. Nachtegaals-liedje 80. *Schultermäntelchen 184. *'t Binnenst 81. *Der Winter 185. Klein spinnekopje 82. *Brodkrümchen 187. Spinneweb 83. De bijenkorf 84. *On Awaking 188. Ons poesje 85. *Forget-Me-Not 190. Lorretje 86. *The Flax-Flower 191. Draaitol 87. *A Wood-Flower 193. Hobbelpaard 88. *Flowers and Birds 195. Luilekkerland 89. *Cock-a-Doodle 197. Honger 90. *The Longest Day 199. *'t Een en 't ander 91. *Circles in the Water 201. Vogelverschrikker 92. Onpartijdig 93. Een klein jokkentje 94. V. *Krachtig en zedig 95. Honderd spreuken 205.

I.

DAGERAAD.

Wel zoo! gij schoone dageraad! Wat zeggen ons de liên, Komt gij met rozen in uw' mond? Dat mogt ik weleens zien!

En plukt gij ieder' knaap of maagd, Die langer slaapt dan gij, Een roosje van de volle wang Wanneer ge gaat voorbij?

En geeft gij ieder' knaap of maagd, Die korter slaapt dan gij, Twee roosjes uit uw rijken schat Wanneer ge gaat voorbij?--

Op, kinders! op, het schemert al, Daar komt de Dageraad!-- Hij houdt wel veel van bleek te zien, Die nu niet op en staat!

MORGENLIED.

Kinderkens! 't is uchtend! Komt ter slaapsteê uit! Hoort! de voglen zingen Reeds met zoet geluid. 't Haantje roept u wakker, Hoort! hij kraait uw' naam, En de boomtak tikt u Tegen 't vensterraam.

Langer niet geslapen! Doopt uw hoofd in 't nat, Dat het frissche water Om uwe ooren spatt': Veel moet nog begonnen, Veel is nog te doen; Kinderkens! wordt wakker; Al te ras is 't Noen![2]

WEDDENSCHAP.

Ei roosje! kijk eens uit uw' knop, Of 't niet haast dag zal wezen! Kom, steek uw kopje veilig op, Ge hebt geen leed te vreezen; Of ziet ge mij niet voor u staan, Met al mijn beste kleêrtjes aan?

Had Moeder gistren niet gewed, Dat gij al lang zoudt prijken, Eer ik, nog domlend in het bed, Uit mijn gordijn zou kijken!-- Ei, sliep uit! 'k ben al lang gekleed, En gij zijt nog niet half gereed!

Maar 'k ben ook vroeg naar bed gegaan: Daar zal het wel van komen, Dat ik het eerst nu op kon staan, En gij nog staat te droomen:-- Och, Moederlief! och zeg me noû, Wie dacht u, dat het winnen zoû?

ZONS-OPGANG.

Och! 't is wel aardig in mijn' tuin Als 's morgens vroeg de zon opgaat, Maar 'k woon zoo midden in een straat, Zoo tusschen muren, grijs en bruin:-- Doch, naar ik gistren heb gelezen En zoo mij Moeder heeft verteld, Daarbuiten, in het vrije veld, Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.

Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw En hier en daar blinkt nog een ster, Maar langzaam schemert er van verr' Wat rozenrood en hemelsblaauw; Dan ziet men witte wolkjes dwalen, Doortrokken met een purpren tint; Dan komt, als waar' 't een koningskind, De zon, met al haar gouden stralen.--

Zie! 't is wel aardig in mijn' tuin Als 's morgens vroeg de zon opgaat, Maar 'k woon zoo midden in een straat, Zoo tusschen muren, grijs en bruin:-- Och! wie dat buiten mogt aanschouwen, Die knielde vast van blijdschap neêr, En zou voor onzen Lieven Heer Wel duizendmaal zijn handjes vouwen.

WINTERKONING.

Hoe grijs van haar, hoe wit van baard, Waart gij, o Winterkoning! Wij hebben bang op u gestaard, Al kleumend aan den killen haard In onze leege woning!

Wat was het eten vreeslijk duur, Wat was het drinken schraaltjes; Wat was het buiten bitter guur, Wat was er binnen weinig vuur, Wat was de plunje kaaltjes.

Welop dan, hartjes! weest nu blij, En zingt eens uit den treuren! Daar is het zoele jaargetij Met duizend bloempjes, rij aan rij, Met kleuren en met geuren.

Gij kwaamt alweêr dien Winter door En ziet weêr de Aard zich tooijen: Dankt God er voor, in juichend koor... En--zoo ook stem en hart bevroor, Zij zullen wel ontdooijen!

SCHOOLEXAMEN.

April, April, Doet wat hij wil, En geeft, naar zijn behagen, Ons zonneschijn of hagelvlagen; Toch zingen wij met luider stem Een lied voor hem, En hopen, dat het dezer dagen Wel enkel, klinkklaar zonneschijn Voor ons zal zijn.

April, April, Doet wat hij wil; Maar wie zich goed gedragen, Die hebben thans wel niet te klagen; Wie 't heele jaar heeft opgepast, Die weet wel vast, Dat hij een' prijs hier weg zal dragen, En met een' halfbeschaamden lach Bedanken mag.

April, April! Doe wat je wil, En geef, naar uw behagen, Ons zonneschijn of hagelvlagen; Toch zullen wij voor al het goed', Wat men ons doet, U dankbaar in ons hartje dragen,-- En groeten u, met zoet gezang, Ons leven lang.

VOORJAARSDAG.

De boomen ontluiken, de bloesem komt uit, De vogeltjes zingen met lieflijk geluid, De schaapjes die springen door 't groenende gras, Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.

En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing? Die Winter dat vond ik zoo'n akelig ding; Toen had ik het koud in mijn' duffelsên jas, En denk 'reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!

Maar nu is het lekker en zacht op het land; Weg, mantel en das! in de kas aan den wand; Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras, Wij schelden hem luilak, die 't laatste daar was.

VOORJAARSKOELTE.

Zoele, koele Zuidewind, Bode! wien ons hart bemint, Draagt gij op uw vleuglenpaar Niet den schoonsten tijd van 't jaar?

Bloemengeuren, frisch en zoet, Brengt gij, als der Lente groet; Vogelfluiten, bladgeruisch, Smelten in uw wiekgesuis.

Goede vriend, zoo lang verwacht! Zeg ons! waait ge dag en nacht? Kom dan 's nachts ook zonder schroom, En omzweef ons in den droom!

VAN ZEVEN KIKKERTJES.

Daar zaten zeven kikkertjes Al in een boerensloot, De sloot was toegevroren, Ze lagen hallef dood, Ze kwekten niet, ze kwaakten niet Van honger en verdriet.

De jongste, die een wijsneus was, Zei tot zijn kameraads: "Die malle nachtegalen, Wat hadden die een praats! Was eerst het ijs maar in den dooi, Wij zongen eens zoo mooi!"

De milde, lieve Lente kwam;.... Zij kwaakten de oude wijs: Als zij dat zingen noemen, Wensch ik ze weêr in 't ijs; Ik geef die kikkers allemaal Voor éénen nachtegaal.

LENTELIED.

Voelt ge wel de koeltjes zweven; Riekt ge wel den zoeten geur? Kindertjes! dat is een leven! Lente staat weêr voor de deur: Laat haar binnen, laat haar binnen; Lentelief, die wij beminnen!

Hoort ge wel dat slepend fluiten, Dat door alle vensters dringt? Nachtegaaltje slaat daarbuiten; Hoort, hoe zuiver dat hij zingt! Laat hem binnen, laat hem binnen, 't Zangertje, dat wij beminnen!

Neen! zet deur en venster open, Hangt aan kapstok hoed en jas, Máár--om prettig vrij te loopen Door het frissche, malsche gras: Lente! toef nog, kom niet binnen, Buiten zullen we u beminnen.

MEIMAAND.

De vogels springen door de heg En zingen uit den treuren; De Mei strooit bloesems langs den weg En klopt aan alle deuren, En zie! daar komt bij 't blij geluid Het jonge volk de huizen uit.

Gij, kinders! zat een winter lang Te kleumen en te treuren; Nu lijkt die lieve vogelzang Uw hartjes op te beuren; Komt, zingt en springt dan nu om strijd, Zoo flink alsof gij vogels zijt.

En zingt gij laag en zingt gij hoog, En zingt gij uit den treuren, En ziet gij aan des Hemels boog De voorjaarsnevlen scheuren, Denkt dan aan onzen lieven Heer, Die bloesems geeft en Lenteweêr.

Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor, Dat 's beter dan te treuren! Zingt vrij en blij uw Lente door Bij zonneschijn en geuren, En denkt--ook als gij ouder zijt-- "Na winterdag komt lentetijd!"

MEI-REGEN.

Wie graag sterk wil zijn en groot, Groeijen wil ter degen, Loop' maar met zijn hoofdje bloot In den zoelen regen! Wees niet angstig voor een spat, Frisch er in gesprongen, Vrees niet voor een drop of wat, Dreumes van een' jongen!

Zie de blômmetjes maar aan, Hoe ze 't buitje drinken! Kijk maar goed, hoe op de blaân Al die druppels blinken! In dat lekkre, zoele nat Ligt des Hemels zegen; Daarom, dreumes! rep je wat, Loop 'reis in den regen!

GROEN TAKJE.

Groen takje, dat uit de aarde spruit, Wat zal er van u groeijen? Wordt gij onnut of schaadlijk kruid, Zult ge als een roos of anjer bloeijen, Of zult gij geven lekker fruit?--

Jong volkje! nu nog klein en teêr, Wat zal er van u groeijen? Zult gij tot schande meer en meer, Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen, En vruchten dragen, God ter eer?

Doch 't plantje--zij het kwaad of goed. Och! kan niet anders groeijen; Gij--kunt, naar ligchaam en gemoed In kracht en kunde en vroomheid bloeijen... Wanneer ge er maar uw best toe doet!

Als gij dus wandelt in den hof En plant en kruid ziet groeijen, Dan geev' 't u ruime dankensstof, Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen Tot vreugde of smart--tot schande of lof!

ONKRUID.

Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch, Wat is er uw hofje toch keurig! Het mijne dat lijkt wel een wildernis, Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig; Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras; Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!

--Wel, geef dan een' zoen... en ik leer je gaauw Uw tuintje zoo netjes te hoûen; Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw, De handjes wel flink uit de mouwen, En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien, Daar ga je maar vlijtig aan 't harken en wiên.

--Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag, Daar kunnen geen bloempjes in groeijen; En daarom, dat rooi je maar alle daag, Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen! En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid.... Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!--

BLOEMKWEEKEN.

Ik heb een' kleinen, kleinen tuin, Daar kweek ik bloemen in; En als mijn aardig zusje komt, Dan zing ik blij van zin:

--"Klein kleuterke, klein kleuterke! Wat doet gij in mijn' hof? Gij plukt er al de bloemkens af En maakt het veel te grof!"--

En als zij dan die plantjes ziet, Met zooveel zorg gekweekt, Dan wed ik, dat het lieve kind Geen van de bloempjes breekt.

KLIMOP.

Groene bladen, spits van punt, Hoekig aan de randen! Zeg eens hoe ge groeijen kunt Aan die naakte wanden?

--'k Lag versmeten voor de deur, Vuil en overloopen; Vond ik hier of daar een scheur, 'k Ben er in gekropen.

Ieder straaltje, dat ik ving, Gaf mij kracht en leven, Ieder druppel, die er hing, Deed mij hooger streven.

Dankend onzen Lieven Heer Voor zijn zon en regen, Groeide ik daaglijks meer en meer In des Hemels zegen.--

Wie het kleinste niet versmaadt, Wat hem God wil geven, Die kan groeijen naar zijn' staat En tevreden leven!

APPELBOOM.

Wel, appelboom! wat sta je rijk, Gij lijkt wel éénen bloesem! Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk, 'k Zie enkel, enkel bloesem; Ik zie geen tak, ik zie geen' blad; Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!

En toch, 't is pas een' dag of wat, Terwijl ik keek naar buiten, Of 'k zag uw takken kaal en glad Daar slingren voor mijn ruiten, En 'k vroeg al aan de tuinmansvrouw, Of je ook gestorven wezen zou?

"Neen," zei ze toen, "neen, lieve schat!" En kneep mij in mijn kaken; "Neen, wacht nog maar een' dag of wat, Dan staat hij als een laken:-- En als ge braaf zijt, kleine man! Dan krijgt ge er nog wel appels van."

GRAZEN.

Pluk bloemen, pluk bloemen, Pluk bloemen en gras! En wrijf die elkaâr Door het haar Bij het stoeijen: Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen En bloeijen!

En wie er een knorrig gezigtje Bij trekt, Of wie er bij geeuwt, Of bij schreeuwt Als wij stoeijen, Die 'hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen En bloeijen.

Hij trekk' maar naar huis En hij kruip' in den hoek, De brompot, die mort En die knort Bij het stoeijen: Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen En bloeijen!

KERSENTIJD.

Nu eens in 't rond gesprongen, Gesprongen hand aan hand, Nu vrolijk eens gezongen, De Zomer is in 't land; De bloesem van de boomen Vloog lang reeds wijd en zijd; De Zomer is gekomen: Nu is het kersentijd!

Wat zal ze lekker smaken Die kers, waar wijn in zit; Wat zullen wij haar kraken Die harde kersenpit; Och! waren we al gezeten Voor boordevolle schaal, Wij zouden er van eten Al was het honderdmaal.

KERSENPLUKKEN.

Kersen, kersen, zacht en rood, Hangen tusschen groene bladen; o! De boom is rijk geladen; Vang bij 't plukken, in uw schoot, Kersen, kersen zacht en rood!

Kersen, kersen, rijp en frisch, Is 't niet om te watertanden? Kom, ik pluk met volle handen, 't Meest krijgt wie het handigst is, Kersen, kersen, rijp en frisch!

Kersen, kersen van de Mei, Iedre maand de rozen bloeijen,... Alle maanden moest ge groeijen Voor der kindren zoeten rei,-- Kersen, kersen van de Mei!

VOGELNESTJE.

Jongens! ginder zitten spreeuwen! Laat ons klimmen om het best; Ziet, ze kijken over 't nest: Hoort dat jonge goed eens schreeuwen! 't Oudje dat vliegt af en ân, Net alsof hij 't raden kan.

Och! wat kijkt dat beest verslagen; 'k Vind het wel een beetje naar:-- Jongens! of 't niet beter waar', 't Arme dier maar niet te plagen? Denkt eens als er iemand kwam, Die ons zoo van Moeder nam!

JONGE VOGELTJES.

Ze vlogen hoog, ze vlogen laag, Ze sprongen en ze zongen, Ze pikten wurmpjes gaauw en graag, En bragten ze aan hun' jongen; En 't kleine volk in 't nestje riep: "Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"

En 'k dacht, toen 'k dat zoo aardig vond: "Ben 'k ook zoo'n dankbre jongen?"-- En 'k ben mijn Moedertje terstond Eens om den hals gesprongen; En Moeder pakte mij, toen 'k riep: "Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"

VOGELEN-LIED.

Klein vogelijn, op groenen tak! Wat zingt ge een lustig lied! Wij vinden in ons heele boek Zoo'n vrolijk wijsje niet; o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest! Wie of uw meester is geweest?

Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog, Zoo keurig in de maat, En 't hart dat popelt ons van vreugd, Wanneer uw keeltje gaat; o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest! Wie of uw meester is geweest?

o! Zeker is 't de goede God, Die 't u heeft toebetrouwd, Opdat gij aan der blinden oor Zijn goedheid melden zoudt; o Ja! wij weten 't, aardig beest! Wie of uw meester is geweest.

DUIFJE.

Duifje met uw blanke veêren! Vlieg je niet door alle weêr, Kan geen regenbui u deren Als ge ronddwaalt heinde en veer? Altijd proper is uw kuif, Zijn uw pluimpjes, blanke duif!

--Waait het al te hard daar buiten, Ik kan thuis zijn als ik wil; 'k Vind er alle mijn kornuiten In de warme duiventil: Maar ter vlugt of op het slag, 'k Net mijn veêrtjes alle dag!

--Opgenebt en gladgestreken Met wat waters uit mijn' pot, Ben ik waard te zijn bekeken In de lucht en in het kot:.... Kinders! nu ge 't kunstje weet, 'k Bidje, dat ge 't niet vergeet!--

ROODBORSTJE.

Roodborstje, roodborstje, geestige dief! Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten? 't Kooitje van koper en 't bakje vol eten: Aardige springer! wat heb ik je lief! Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen, Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd, Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen, Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?

--Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi, Was er mijn eten ook lekker en keurig, Buiten in 't bosch is het eens nog zoo fleurig: Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi! Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen, Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort; Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!--

NACHTEGAAL.

Hoort, kindren! wat een klaar geluid Dringt ginder door de bladren heen! De vogels zijn allang in slaap, En zóó, zoo zingt er zeker geen. Wie of zóó heerlijk zingen kan? 't Is waar, mijn hartje klopt er van!

Stil!--Dat is vast de nachtegaal, Daar Moeder lest zooveel van zeî; 'k Wist niet, dat dàt te hooren was Wanneer men ons te slapen leî, 'k Had anders Moeder lang verzocht, Of ik wat laat naar bed toe mogt?

Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn, 'k Woû, dat het voorjaar dan begon; Dan hoorde ik vast den nachtegaal Wanneer ik 's nachts niet slapen kon!-- Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest Wel niet voor zieke kindren meest?