# Akbar: een oosterse roman

## Part 20

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/akbar-een-oosterse-roman-6712/index.md

Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi, dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.

--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong hij in den zadel en reed spoorslags voort.

Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen alléén in zijne tent ontving.

--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.-- Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een vergrijp, dat u duur te staan kan komen.

--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken. Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van verraad!

--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!

In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:

--Uw misdrijf eischt den dood!

--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte straf van Uwe Majesteit verzoeken.

--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het verraad ontdekt zou worden?

--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en voor ieder die mij herkennen mogt.

--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw verhaal.

--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog, in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke straf ik had verdiend....

En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.

Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch sprak ten laatste:

--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben, en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en-- uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb bedrogen!

Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk; maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom van zijn gewaad.

--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo 't mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de rooverbenden wordt gevoerd.

--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen. Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven, er niets van bemerkt.

Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer op weg.

Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen. In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en, schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop medegevoerd naar het kamp.

In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.

--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u gereed te sterven. De beul wacht u!

Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond aanrakend.

--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar... laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik weet.

--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat, ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u. Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te vinden?

--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen. En dan?...

--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.

Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.

--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten, zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen aan den eersten boom den beste.

Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.

--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid; die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?

--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!

--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.

--De strop!--was het antwoord.

--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!

Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer was.

--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!

Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.

Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd, die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig, een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar het kamp terug.

Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien, wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....

Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...

"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden hebt."

Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij 't blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga- priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra, en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid. Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden. Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden. Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook, dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten voorttrekken....

De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Beterschap

In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest, den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend, hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden. Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te geven aan het plan.

Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer. Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke, anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven. De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend, een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven. En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer, toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.

Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.

Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten, dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt, terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de schuldige, daar binnentrad.

--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt hebben!

Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een bittere en hartstogtelijke klagt:

--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord, hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart, die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel ondervonden hebt?

Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst, die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de plaats leert stellen van regt en van pligt.

