# Akbar: een oosterse roman

## Part 19

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/akbar-een-oosterse-roman-6712/index.md

Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars was geweest.

--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest, dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid, die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt? Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd; een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband? Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben? Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!...

Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend, ook onaangediend bij hem te verschijnen.

--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren, die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet onfeilbaar is.

--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken broeder komt daarin slechts voor een deel.

En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.

--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen, als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden? Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen? En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen, volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig wezen ooit kan zijn weggelegd?

--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die late, late toekomst brengt mij weinig troost.

--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof, of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel, wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte, juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien, alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug, mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!

Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet, toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond ware bedorven geworden ....

--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is, onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld! Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel; daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst, zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan, Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht gesproken hebt!...

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De ontdekking

Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.

Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste gejaagdheid uitriep:

--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen, van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen, zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om, en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste maatregelen te beproeven.

--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.

--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen, en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....

Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden, en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.

--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij tegenwoordig met hem?

--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer is, niet vóór dien tijd.

--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.

--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen; en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij wel eens in den weg kon zijn....

--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek zijn?

--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij 't inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.

--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.

Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden; en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn, behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen en stond hij vóór haar.

--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik zal ze verhinderen.

--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!

En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders door niets belemmerden stoot....

Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel in de hand.

--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate zij digter hem zocht te naderen.

--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!-- Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken, waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar schuldig hoofd!

Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf te verligten.

--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij, dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!

Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór zich uitgestrekt.

--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig droegen zij de bewustelooze weg....

--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij zijn sabel uit de scheede toog....

--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik wensch den dood als eene genade van uwe hand!

--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang; en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt. Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!

Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten poort.

Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid. Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook? Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg, nog vóór zijn.

