Part 15
Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne, kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw; daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen. Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.
Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst, maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of zwijgen moest.
--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij brengt mij slechte tijding.
--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld. Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te verzwijgen.
--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid aan te hooren wat gij te zeggen hebt.
En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker; eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:
--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?
--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den Kroonprins.
--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt. Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in 't vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes heeft bezig gehouden!
Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken. Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te beantwoorden.
--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.
--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.
--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon worden gestaafd?
--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?
--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha, niet waar?
--Ongetwijfeld!
--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde malen voorkwam.
Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een nabijzijnde rustbank had nedergevleid.
Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.
--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet, gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!
--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere, en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander die bieden kan, aan uwe voeten legt?
--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen, zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.
--En is dat dan niet overvoldoende?
--Onze vrouwen--was het antwoord--kennen die verlokking van grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!
--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting! Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en geen edelere ken dan u!
--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.
--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.
En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de galerij.
Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend, weende zij bitter.
Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.
--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben opgemerkt,
--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog, Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang, en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij 't mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!
--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.
--Gij weet het? En hoe?
--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.
--En uw antwoord?
--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.
--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?
--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.
--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.
--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.
--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen van uw woord.
--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven, die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na hem.
--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde! Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om een droombeeld, een gril.
--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden mij evenmin van besluit doen veranderen.
--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan? Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne ouders tot een der eerste pligten maken.
--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik mag nu eenmaal niet en ik kan niet.
--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te dwingen.
--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken. Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als hij verkoos.
Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel. Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje, dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....
--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan misschien voor den vloek van een vader!
--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede wat mij is voorbeschikt.
--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?
De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht der onverzettelijke was gebroken!...
Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst met weifelende, daarna met vaste stem:
--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt, vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim, noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat ...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den man dien zij lief heeft, geldt!
Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn donkere gelaatstrekken verwrong.
ELFDE HOOFDSTUK.
Tauhid I Ilahi
Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk, tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.
--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil, behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet geprezen zij!
--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.
--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,-- weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.
--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt wat het is.
--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!
Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker hem aan.
--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,-- daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna hem verzwelgen!
En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig gesprek met elkander waren gewikkeld.
--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons tot nogtoe altijd heilig scheen.