Part 14
Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid, en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.
Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon. In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten; de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord, waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.
Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren, met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden. Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.
--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks pijn van schijnen te gevoelen.
--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,-- antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend, maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.
--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.
--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden. Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden krijgen?
--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!
Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden, terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen, terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en langzamerhand verliet men weder de tribunes.
--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen, --merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.
--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij gelegenheid wel eens van vertellen.
Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan, terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?
Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:-- Kent gij die vrouw?
--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker! zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel, vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....
En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij, door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....
--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!
TIENDE HOOFDSTUK.
Verrassingen
--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch, hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.
--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw van Feizi niets te maken heeft.
--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.
Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,-- geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel. Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....
--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!
En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.
Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in een roes van dronkenschap.
Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man, die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste, kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...
Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,-- gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine poort zich weer geopend had, naar binnen.
Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.
--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik dacht dat gij lang vertrokken waart!
--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!
In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in 't openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag bovendien niet in hare taktiek.
Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder, terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.
Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon, zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog had opgevangen.
Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...
Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of uit een bezwijming ontwaakt.
--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste aller misdrijven.
--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken, althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en-- ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander vaarwel zeggen?
En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van duur.
--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw, die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u geen misdaad en geene schande!...
...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne eer!...
Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij, eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die, zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien? Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze onvoorzigtigheid; maar het was te laat.
--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.
--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet met meer!--was het drieste antwoord.
Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in de schede glijden.
--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt, eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen mijn bezoek vooreerst uit te stellen.
En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer zorgvuldig achter zich toe.
--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning, links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,-- voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd als verbluft staan bleef.
--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!-- mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde; --hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik nader wel vinden!...
's Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug. Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar Allahabad.