# Akbar: een oosterse roman

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/akbar-een-oosterse-roman-6712/index.md

Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen. De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders. En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken, waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!

Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe, greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord verder te spreken, in de duisternis.

's Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De keizerweging

Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok, vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen; maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.

Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.

--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij noemen het alléénzaligmakend geloof.

--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen, behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding, maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en baard!

--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.

Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien. Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare, verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.

Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te achten.

--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.

Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër, dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras gesproten vrienden.

--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,-- die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun smaak schijnt te vallen!

--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei Siddha.

--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden, zooals wij hadden afgesproken?

--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op het paard van Feizi.

--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is, ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo 't mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van wat zachter beweging.

--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er nog nooit een gereden heb.

--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen. En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl, mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt, begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij, mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou 't toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij: --Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek, dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van wat eer en pligt hun gebieden!

--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg! --antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.

--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met de uwen reeds naar 't leger op weg waart.

--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet, omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden, het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet noodig er bij te voegen.

--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.

Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was, door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige, fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten, en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.

Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst, die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen van den zendeling aannam.

--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.

En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:

--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische vertaling.

Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte, schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van den vorigen avond wel iets hadden verdiend.

Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.

--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!

Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en-- Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.

Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters, velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden. In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.

--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?

--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou de vrome Abdal Kadir zeggen.

En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.

