Part 11
--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan, of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en ik gehoorzaam!
--Uw woord!
--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt. En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt, eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe! Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang, behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne zoolang ons te leven rest!
--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet, zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten. Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal! Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn bescherming geniet.
--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.
--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats te behouden voor u en voor mij.
--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij, die gij zegt lief te hebben!
Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed; mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren, is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig, zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een tijdigen, nu wel gewenschten dood.
--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo, gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige, door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.
En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone innemendheid hem gebeden had.
Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter zijde.
--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer herinneren, ik denk niet meer!...
--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer te verlevendigen wist.
--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd, en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide bruid:
"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken, Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd; Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken, Door teedre min tot dartel spel vervoerd.
De boezem rijk met parelen omwonden, Het zijden kleed om slanke heup geplooid, De lokken los met bloemen opgebonden, Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.
Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet Door zachten klank der rinkelende ringen Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?
Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken, En gouden gordel slanke leest omsnoert, En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken, Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?
Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden, Met ligte dauw bepareld, nog omhult! Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden, Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...
Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert, En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust, Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert, Den God der Liefde uit lange winterrust..."
De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.
--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu en voor altijd mijn!
En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....
Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had het omgeworpen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Een verzoeker
Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten, vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel, soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten moest!
Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.
--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden bezoek ....
Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.
--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins, die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt vertoeven.
Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar onmogelijk.
--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij nu!
Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had voorgesteld.
--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans persoonlijk uwe kennis te mogen maken.
--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker wel heel wat rijker zal zijn.
--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?
--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.
--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,-- het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen burgt haar vertoond kan worden!
--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.
Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen, viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati, weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig reisgewaad vertegenwoordigde.
Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de Doerga-priester.
--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,-- schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah! Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu gij, Salhana!
--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden; hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen hij verraad noemt.
--En uw neef?--vroeg Selim.
--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.
--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom.
--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen, na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af, vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.
--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was geraakt?
--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand anders dan onze vriend Koelloeka zelf.
--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!
--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt; het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden, bleven toch buiten schot.
--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?
--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord, maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij 't vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens, verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel, waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig, in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed! Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt. Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks nader!