Aenmerkinge op de Missive van Parnas
Part 3
Of alle de gene die in dat Gerecht sitten, dese les wel geleert sullen hebben en weet ick niet, maer dat tonen sy altijdt, dat die voor dees tijdt, haer niet te pas en komt. Want, na dat het selve Gerecht, uyt hare absolute en Souvereyne maght, de nominatie, met kennis van saken, heeft gelegitimeert, en overgesonden, soo verstaet het dat by het selve noch souw staen te examineren, offer in de selve nominatie eenige abuysen of informaliteyten waren begaen, indien sijne Hoogheydt, of yemand anders, wilden sustineren, dat'er eenige begaen waren. Ende die bevonden sijnde, soo souw het selve Gerecht, na desselfs {Pag.21} gewoonlicke billickheyt, deselve corrigeren en beteren. Ende hier uyt resulteert dan noch eene derde preëminentie boven alle Hoven ende Rechtbancken, dat het soo doende, sal oordelen in sijne eygen saeck. Want in 't examineren van de informaliteyten, sal mede in consideratie konnen komen, of oock de oversendinge van de nominatie wel en op behoorlicke tydt is gedaen. Ten anderen, of het hooft van de nominatie niet puyr valsch is, als sijnde in 't selve gestelt persoonen in wiens presentie die souw sijn geschiet, die daer wel present hadden behooren te sijn, maer inder daed daer niet en sijn geweest, ende verswygende, dat'er die present sijn geweest, die daer gans niet en hoorden. Ten derden, of niet het Gerechte selfs 't geen is geweest, dat de over luyden heeft geauthoriseert op de nominatie van de Mannen van Achten present te mogen sijn om door haer, in præjudicie van de Dekens, de maght van de nominatie in haer gewelt te krygen. Ten vierden, of eenige uyt den Gerechte selfs haer niet en hebben vervorderd, tegens de wetten aen, niet alleen schandelick te kuypen, maer ook Dekenen hebben geforceert door dreygementen ende beloften. Siet, alle dese moye dingetjes, en meer andre die het in 't geheel heeft gedaen, of voor een goed gedeelte aen heeft geparticipeert, die sal het Gerecht oordelen en na meriten corrigeren: ende dat, 't geene sonderlinge te noteren staet, na soo eene sine en solemnele legitimatie. Ende daer het Hof niet magh oordelen van sijne competente jurisdictie, als dese Parnas-bende seyt, daer vermagh het Gerecht van Dordrecht dit niet alleen, maer oock alle andre moye fraigheden, hier voren verhaelt. Sijn dat niet moye bonen, want sy rollen als erten?
Maer dit, en wat er meer souw mogen sijn, souw men wel schoon en suyver, als men seyt, gedilueert hebben (immers soo wel geloof ick alsmen 't te voren had gelegitimeert) _hadden die van Dordrecht sijne Hoogheydt, wegens de gepretendeerde informaliteyten, esclaircessement ofte bericht mogen geven, als de Commissarisen van het Hof, aen wiens jurisdictie sy haer niet garen getrocken sagen, daer niet tegenwoordigh waren geweest._ Dan het en schort die lieden daer niet. Want sy weten wel dat die Commissarissen in die saeck noyt jurisdictie en hebben geëxerceert, maer ook daer en boven publikelick hebben verklaert, daer in gene jurisdictie civilik of criminelick te sullen exerceren. Gelijck oock het soo klaer als den dagh blyckt, dat sy 't tot noch toe niet en hebben {Pag.22} gedaen, noch van meningh en sijn te doen. Maer het bericht, dat men geven wilde, dat woude men doen in crepusculo, als de Vleer-muysen en de Nacht-uylen beginnen te vliegen, & remotis arbitis. Nu, waerom sy dat soo wilden, weten sy selve wel, en die van sinnen niet berooft en is, kan het wel lichtelick denken. Om dat men dan gedwongen werd het Auter te ontdecken, ende te toonen wat properheden daer onder schuylen, soo moet ick seggen, dat sijne Hoogheydt aen Burgemeesteren ende Regenten van Dordrecht geschreven hebbende, dat sy eenige uyt den Gerechte wilden senden, om op de aengebrachte klachten te werden gehoort, dat'er oock op den 28. December 1684. des mergens te negen uyren eenige uyt den selve Gerechte, met hare Secretarisen, voor hem sijn verschenen, hebbende hy mede by hem daer ontboden degene, die als Commissarisen te vooren te Dordrecht waren geweest. Ende na dat de selve Gedeputeerde waren gelast neder te sitten, soo hebben sy aen hem overgelevert, hare credentialen. Welcke gelesen sijnde, ende hy haer willende vragen, volgens sekere opgestelde Articulen, soo is by hen Gedeputeerde geseyt, dat sy van den Out-raedt of Vroedschap prohibitive last hadden, om te antwoorden in tegenwoordigheydt van Commissarisen van den Hove. Waer op in effecte by sijne Hoogheydt is geantwoordt, dat dese sake den Gerechte raekte, ende geensins den Out-raed, wiens authoriteyt sy hier te vergeefs pretexeerden. Dat daer en boven de geallegeerde last, van niet te antwoorden, directelick streed tegens hare Credentialen aen, even te vooren overgelevert: Ende indien sy eenige andre last hadden, als de Credentialen mede brachten, datse die wilden overgeven. Ende voor soo veel de Commissarisen aengingh, dat hy die geassumeert hadde om hem in die sake te assisteren, ende nergens anders om. Want, dat hy niet goed gevonden hadt haer alleen te hooren, alsoo hy haer kende voor sulcke luyden, die ontkennen dorsten, het gene hy wist waer te sijn. Waer by is gevoeght, door een van de Commissarisen, dat sy gene de alderminste last hadden, om eenige jurisdike actie daer te plegen, maer alleen daer gekomen te sijn, als by sijne Hoogheydt alrede was geseyt. Doch op gene van alle die redenen en heeft men yet weten seggen, noch oock eenige nadre last produceren. En evenwel is men by sijne negative blyven persisteren, sonder eene stip te avanceren. Soo dat sijne Hoogheyd versocht, dat sy eens in een vertrek wilden gaen, ende met den {Pag.23} andren consulteren, offe niet de geproponeerde difficulteyt konden over stappen, ofte ook nader komen. Maer wederom gekomen zijnde, hebben sy inde voorschreve negative blyven persisteren, seggende dat sy alles aen hare principalen souwen refereren, ende van het nader geresolveerde raport doen. Waer mede dan die sessie is geeyndigt. Maer verwacht werdende, dat sy na eene dag of twee, het beloofde raport souwen komen doen, ende niet verschijnende, heeft sijne Hoogheyd eene twede missive laten afgaen, met versoek, dat sy weder voor hem wilden verschijnen op den 2 van Januar. 1685. Gelijk sy dan ook gekomen zijn. Maer hier en heeft men nu niet de minste mentie gemaekt, 't geen sonderling is te noteren, dat men in tegenwoordightyd van Commissarisen (die doe daer soo wel verschenen waren, als te voren) niet en kost ofte wilde antwoorden, maer wel ter contrarie, dat men souw verklaringe doen. Dan hoe dede men dat? Even als een leger, dat sigh voor sijnen vyand te swak bevindende, in het aftreken of retireren, noch wel eens vier geeft, niet soekende hoe het vechten souw mogen, maer hoe dattet het vechten mach ontkomen, alsoo mede was haer antwoorden. Want die en bestonden niet anders als in subterfugien ende cavillatien, die de saek niet en raekten: Als, datmen distingueerde, tusschen de wettelickheyd ende de forme van de nominatie. Daer nochtans de forme niet anders en is, als de overeenkomste van de saek met de wet: ende de wet, niet anders als het rechtsnoer van de forme. Sulx dat wettigh te zijn, niet anders en is als te hebben de form, die de wet prescribeert. Wederom, datmen antwoorden wilde wel generalleck, soo sy seyden, maer niet in specie. Het welk sy soo uytleyden, datse souwen verklaren, datter op de nominatie niet en waren gebracht vreemdelingen, minderjarige, te na den andere in maegschap bestaende, (waer over noyt klachten en waren gevallen) sonder haer verder te willen uyten, of op articulen te willen antwoorden. Maer is by een van hunne Secretarisen, die mede inde commissie waren versocht, dat sijne Hoogheyd hen copie van de articulen wilde geven. Het welke hy toestond, indien sy wilden antwoorden. Maer alsoo sy in die conditie gene behagen en hadden, soo en hebben sy ook die articulen niet bekomen. Ende daer mede is ook die tweede sessie geëyndicht. Waer uyt dan klaerlik blijkt, voor eerst, dat sijne Hoogheyd seer onheusselik werd getraduceert, als of hy geen bericht van die van Dordrecht had {Pag.24} willen ontfangen. Ten anderen, dat het Hof hier seer sinisterlik werd ingetrocken, even of het selve, door presentie van eenige uyt den haren, als die van Dordrecht wierden gehoort, sijne jurisdictie wouw vast maken, ende extenderen over dien van Dordrecht. Ten derden, dat die van den Gerechte van Dordrecht door dese weygeringe ende onwilligheyd sijn geworden veri contumaces en wederhorig, soo dat alle de articulen, op welcke sy niet en hebben willen antwoorden, te recht by sijne Hoogheyd voor soo veel gehouwen sijn als bekent. Ten sulcken effecte, dat hy, gesien hebbende de verificatien vande selve articulen, wel heeft vermogen de onwettige nominatie te rejecteren, ende weygeren eene electie uyt deselve te doen. Want hoewel het de plicht is van sijn Hoogheyd, om uyt een meerder getal de electie te doen, soo is hy evenwel het selve niet anders gehouwen te doen, als uyt eene legitime, aen wiens forme niet en manqueert, dewyl anders doende, de onwettigheyd vande nomanatie, ook influeren souw inde electie. Ende derhalven en souwer niet alleen rede gegeven werden te klagen over de nominatie, maer over nominatie ende electie beyde. Als hiervoren overgenoeg aengewesen is. Soo dat nu hier uyt seer klaer blijckt, wat voor fine lieden het moeten zijn, die derven klagen, dat men sijne Hoogheyt niet en heeft mogen berichten, ende esclaircissement geven. Indien nu alle dese voorschreve redenen ende passagien van rechten eens op den Parnas te voorschijn werden gebracht, ende men aen de eene zijde sal beginnen te overwegen, wat voor eene bres dese Grotiaensche brief daer deur heeft gekregen; ende aende andre zijde, watter al tot voordeel van sijne Hoogheyd werd by gebracht, soo en geloof ik niet, dat Barnevelt vande selve meninge sal blyven, om namentelik af te wachten de komste vanden Primier, ende hem gehoort gebbende, nader te delibereren op het intrecken, ofte antiqueren van het jus civile, ofte corpus juris. Want ik geloof dat hy met al de bende, overluyd roepen sal, wech met dit gespuys dat ons al dese brabbelinge maeckt. Ja ik en kan niet anders dencken, of men sal den vromen Oldenbarnevelt komen last te geven; _Videat ne respublica Parnassicolarum quid detrimenti capiat_: ende dat men hem expresse mede ordineren sal, dat hy de Justitie representerende maecht de schael met het swaerd, 't sy deur finesse, 't sy anders, uyt de handen wringe, voort eene schop van achteren geve, ende soo late loopen. Want {Pag.25} heeft men in voorgaende tyden den stok wel derven trecken, ende en souw men het nu niet doen, soo waer wel de Pernas vol gecken. Neen, men moet mede toonen, datmen is, ende sich soo niet laten over de neus hacken. Doch op dat de plaets van de verschovene sloot weder mocht werden vervult, wat waer 'er beter, als daer toe te consacreren en te wyen; Mevrouwe _Eygesucht_? Ende, om daer soo niet alleen te pronck te laten staen, als die uytgeworpene slobbe tot noch toe heeft gedaen, wat waer 'er gevoeglicker, als datter, na dese tyde wijse, tot camerier, _Archlistigheyd_ wierde toegevoeght, versen met eene mensch, vol van alle soorten van onwaerheden, gestoffeerde ende ongestoffeerde, ende tot Staet juffers de verwloose _onbeschaemtheyd_, met hare suster _Snatersnel_? Doch voor al diende wel besorght, dat dese geheyligde Dame wierde ter hand gestelt eene stempel, waer mede wierde getekent, alle woorden, reden, en loyen, die op den Parnas gangbaer sullen zijn, ende de selve, van wat alloy of forme die oock mochten wesen, te legitineren. op de nieuw uytgevondene manier: verklarende alle het verdere voor billoen. Ende soo jemand hier souw willen inbrengen andre munt, al droegse het Keisers beelt, dat men hem nieten admittere, maer weer omsende. Ende wil hy daer tegen inbinden, dat _Snatersnel_, geassisteert met hare suster, niet op en houwe hem alsoo te bejegenen, dat men sijne rede soo weynigh sal komen in achtinge nemen, als men kan doen het gesangh vande nachtegael, onder het geschreeuw van de esels. So dat het voortaen best sal zijn, dat alle die niet van dese hoogvliegende Parnas-vogels en zijn, de vinger op de mond leggen. Nam, quis brachia contra torrentem?
* * * * *
TOE-GIFT.
Dewyl het den Missive Schrijver belieft heeft ons te verhalen, wat'er op den Parnas is geschiet, soo souwen wy insgelyx hem konnen verhalen, wat'er in het Rijck van de Maen, dewelcke, na het gevoelen van Xenophanes, mede bewoond werd, is voorgevallen. Ook sommige van onse luyden sijn daer al droomende na toe gegaen, gaen, ende al {Pag.26} droomende weerom gekomen sijnde, hebben dingen verhaeldt, die noyt en sijn geschiet, noch geschieden en sullen. Ende soo souwen wy hem met gelijcke munt konnen betalen, ten ware dat'et beter was eene ware Historie te vertellen, als verdichtselen, die min te achten, sijn, als de fabulen van Æsopus, of van den Arabischen Lokman. Ick sal dan seggen, dat het inder daed is gebeurt, datter inde maend van October des voorleden Jaers 1684. Weynigh dagen voor de onwettig verklaerde nominatie van de Mannen van Achten, ten huyse van den Burgemeester Francken, in de Voorzael is verschenen een goed ende aensienlick getal van Dekenen der respective Gildens. Dat aldaer 't selve rijckelick met Wijn is beschoncken, van 's achtermiddaghs te vier uyren tot des avonds te seven uyren, en later. Soo dat'er by eenige de Schroef al los raeckte, en de men het koelvat mede voor eene water-pot gebruyckte. Dit geselschap hier soo sijnde, is aengesproocken by den voorschreven Heer Burgemeester Francken, dewelcke verklaerde, dat sy daer ontboden waren, om haer te recommanderen de ouwe Achten, ten eynde sy inde aenstaende nominatie niet verby gegaen wierden. En aengaende de verdere, bemerckende dat over de selvige eenige beroeringe onder de Dekens ware, versocht hy, dat sy boven de ouwe Achten, soodanige wilde nomineren, die na de sin en speculatie van de Regeringe mochten sijn. Want anders doende, dat het van een schadelick gevolgh souw sijn. Waer na de Burgemeester Muys sijne welspreeckentheydt heeft getoont, ende heeft die vrienden aengesproocken met de volgende
{Pag.27}
HARANGUE.
_Mannen Deeckens_,
Alle 't geene de Heer Burgemeester Francken uw daer geleght heeft, is waer en waerachtigh, en daerom kan ick my niet onthouden van uw voor al voor oogen te leggen de les van Salomon, dewelcke dicteert: dat alle die sigh mengen met die gene, die na veranderinge staen, met deselve vergaen sullen, dese veranderinge nu die hier by sommige quaedtaerdige, en ambitieuse menschen beooght, en geëntameert wort, sal seeckerlijck naer sigh slepcn een volkomen ruïne van de Stadt, en desselfs Finantien. Wy hebben veel moeyten gehadt om de vervallen Finantien van de Stadt te redresseren, wy hebben een Fons uytgevonden, te vooren onbekent, waer door de vervallene saecken weder sijn herstelt, wy hebben de Kaeyen gemaeckt; de Havens gediept, de Bruggens verstelt, en alles tot de Negotie in dier voegen geapproprieert, dat daer door de welvaert soodanigh is aengegroeyt, alsje alle tegenwoordigh siet, ende gewaer wordt, en selfs heb ick tot dese saecken uyt mijn eygen beurs aen de Stadt geschoten de somme van 12000 ponden, die ick jegens 3-1/2. per Cent laet loopen, met dien Interest te vreden sijnde, om de Stadt, die ick lief hebbe te soulageren. Maer Mannen Deeckens, die andere menschen die dese veranderinge in 't hooft hebben, en achten geen Stadt, noch geen Finantien, ja recht uytgeseyt, sy hebben den Duyvel en den Sacrement van de Stadt, en 't sijn Fielten en Schelmen die desselfs goede en loffelijcke Regeringe trachten te veranderen, en als 't dese Vagabonden daer al toegebracht sullen hebben, wat sal 't dan sijn? de Finantien sullen vervallen, de Stadt en desselfs Havens onbruyckbaer worden; de Arbeyts-luyden naeckt en leegh loopen. Ick bid u Mannen {Pag.28} Deeckens, en smeeck uw met gevouwen handen, datje doch na geen veranderingh en luystert, noch na geen menschen die 't daer mede houden; En siet doch wat menschen men hier al recommandeert aen u Nominatie, een deel Vagabonden, een deel Kalissen, hier recommandeert men'er twee, hier eenen Sonnemans en daer eenen anderen, daer magh'er hier en daer een onder sijn van middelen, maer de meeste sijn kalissen en geen luyden dieje dienen; Mannen Deeckens, noch behelpen sich dese menschen met dit voorgeven, dat ick de Prins van Oranjen soude bedrogen hebben, het welck valsch en Schelmachtigh gelogen is, ick stae wel by de Prins van Orangien, en omtrent de Treves, is by Ons niet gedaen als met kennis van sijne Hoogheyt; Ick bidje Mannen Deeckens luystert na sulcke leugens niet, en ick smeeck uw nochmael, dat gy na geen veranderingh en staet, maer het by u Regenten blyft houden; Soo sal de Stadt floreren, en God Almagtig salje Personen, en je Familien zegenen, &c.
Nu eens gedroncken, wel Cameraet, uw heb ick wel gekent over 20. Jaer, enje Ouwers oock wel, ick brenght uw eens, sa Knecht, brenght een Glas van Respect, Vrienden dat moet rondt gaen, a vous de gesontheyt van ...
Die hebben wy de Parnas-broeders, voor een toe-gifte, wel willen communiceren, alsoo het noch niet en schijnt in de archiven van hare Republijck ingekomen te sijn. Het welcke nochtans wel noodsaeckelick dient geweten te sijn, op dat men soo de Historie van dit Dordtsche werck met'er tydt compleet mach krijgen. Waer toe ick hoop dat andere vrienden, die yetwes hebben, ter materie dienende, mede de hand sullen leenen. Interum, lector, vive, vale, & his candidus utere merum.
FINIS.
End of Project Gutenberg's Aenmerkinge op de Missive van Parnas, by Anonymous