Aenmerkinge op de Missive van Parnas

Part 2

Chapter 2 3,563 words Public domain Markdown

Dese gedreyghde surchance dan uyt de weegh sijnde, isser te recht verder voortgegaen met informeren, tot dat van de klachten consterende, de eerste nominatie is gerejecteert, tot groot milcontentement van dese Parnas bende, dewelcke sustineert, dat sijne Hoogheydt het recht niet en heeft om in die saek te informeren, veel min om die nomenatie te niet te doen, voornamentlick voor en al eer men partyen daer op hadde gehoort. Soo dat men nu in alle Vierscharen wel moght uitwissen, de seer {Pag 12} bekende spreuke, _Aude & alteram partem_. Het welke, hoewel het in haer selven sijn poincten van gene seer diepe speculatie, soo maektmen nochtans daer seer groot bohey van, soo dat die niet verby gegaen en konnen werden. Om dan daer af yet te seggen, soo sal ik præmitteren, sijne Hoogheyd van den ophef van dese saek niet van meninge te sijn geweest, eenige proceduyren aen te vangen, ende dat hy sulx ook aen de Commissarisen heeft verklaert, als hy hen de Articulen, in welke de beswaernissen begrepen stonden, terhanden stelde. Het welke ook Commissarisen ter Vergaderinge hebben bekent gemaekt, wel expresselik daer by voegende, dat de meninge niet en was van sijne Hoogheydt of van den Hove, om civilic ofte criminelik te ageren, maer datmen alleen verseerde in een naekt ondersoek van waerheydt, op dat sijne Hoogheyt de klaghten, by eenige Burgers van Dordrecht gedaen, niet lightvaerdigh souw verwerpen, of ook de nominatie door sijne electie sou komen te approberen, indiense misschien informeel moghte sijn. Soo dat hier de questie is, of soo een bloot ondersoek van waerheydt daer gene rechtspleginge op en staet te volgen, sijne Hoogheydt heeft mogen doen of niet. Eer ik hier yet op segge, soo sal ik præmitteren, dat gelijk de nominatie de Dekenen toekomt, van de Mannen van achten, dat alsoo mede aen sijne Hoogheydt de electie toekomt. Dat is gelijk de Dekenen sijn gehouwen eene rechte ende deughdelijke nominatie te doen, dat alsoo mede sijne Hoogheydt eene rechte ende deugdelijke electie. Nam paria sunt, aliquid non facere, & non facere debite & legitimo modo. Sal nu sijne Hoogheydt debito & legitimo modo sijne electie doen, soo moet hy ook toesien niet alleen, dat hy in sijne electie niet en exorbiteert, maer ook, dat hy die niet en doed uyt eene nominatie, die informeel ende onwettigh is; alsoo uyt eene informele nominatie gene wettige electie en kan gedaen werden: Immers al soo weynigh als eene electie kan gedaen werden sonder nominatie: dewijl het geen informeel is, niet meer geacht werd, als of het gansch niet en ware. Ende daerom soo sal ik seggen, dat sijne Hoogheydt seer wel heeft vermogen, ja gehouwen is geweest, op de waerheyt van de klaghten hem overgelevert, te informeren, het sy selve ofte ook door andre, Nam quæ per alios facimus, ipsi facere videmur. Quia nobis impellentibus fiunt. Nu is het soodanigh, gelijk Cicero seyt Officiorum primo, _inprimis homini propriam esse veri inquisicionem atque investigationem_; ende, _Falli, errare, labi, decipitam dedicere, quam delirare & mente captum esse_, is het, segh ik, soodanig, {Pag.13} waer past het beter de waerheyt te ondersoeken, als daer men verseert in saken van Staet, en daermen verseert in 't bestellen van de Magistrature, aen welke het welvaren hanght van Landen ende Steden? Ende is het soo schandelick te missen, vallen, bedrogen te werden, wien voeght sulx minder, als personagien van soo eminente qualiteyt, als is sijne Hoogheydt? Indien men hem wil constringeren om sonder onderscheydt, uyt alle nominatien, hoedanigh die ook souwen mogen sijn, electie te doen, soo sal men hem bedwingen in sulk een perk, uyt het welk hij sich niet en sal konnen redden, sonder mis te tasten, ende sonder den Lande grote ondienst toe te brengen. Het welk van de grootste iniquiteyt niet te excuseren en is. Alle menschen, soo ver sy met vernuft begaeft sijn, en sullen niet yetwes van eenige importantie sijnde, by de hand nemen, of sy sullen niet alleen inquireren, ondersoeken en overleggen hoe het in haren boesem gelegen is, wegens het gene sy voor hebben, maer examineren ook het gene buyten haer is, namentlik offer gene obstaculen sijn, die haer souwen konnen verhinderen. Gelijk yemand, die eene reys buyten s'Lands meent aen te nemen, overleyt niet alleen, of dat nut voor hem sal sijn, maer ook, of hy wel Schuyt en Wagen, tot sijne dienst sal konnen krijgen; of de wegen door vyanden of stroopers niet beseten sijn, met noch vyfentwintigh andre dingen meer. Maer soo syne Hoogheydt yet diergelyx doed, en dat in eene sake van het groote gewichte, handen vande bank, dat sijn regalien, dat en komt hem niet toe, of moest bewesen werden, dat het hem specialick vergunt was. Maer my belangende, soo wil ik wel eens gevraeght hebben, waer het ondersoeken, informeren, of horen van getuygen, een speciael regael werd genoemt, 't sy by de ouwe Schryvers, die de consuetudines feudorum by een gevoeght hebben, of die haer naderhand op dat spoor sijn gevolght. Ende geen speciael regael sijnde, soo en kan het niet wel speciael gegeven geweest sijn. Ja ick sal meer seggen, dat het gene yder een toekomt jure naturali & omnibus communi, gelijk als dit doed, geen regael en is, ende ook niet sijn en kan, of de natuer self moest omgekeert werden. Ende by exempel, de verklaringen, die genomen werden, ad perpetuam rei memoriam, gelijkenen die wel regalien! Als, neemt dat ik aen een stuck leengoeds yet te kost geleyt hebbe, het welk ik sou konnen repeteren, indien 't quame te {Pag.14} vervallen, ende op dat daer van t'alled tijden souw mogen blijken, ik voor Notaris en Getuygen, of voor eenigen Rechter, doe verklaringe beleggen, usurpere ik daer mede regalien? Wie heeft oyt sulx gehoort? Wy weten, dat jurisdictie te plegen, dat sijne Hoogheydt binnen Dordrecht niet en heeft gepretendeert, een regael is, maer in het minste niet het simple ende eenvoudige hooren van getuygen. Daerom, als, ten tijde van Jan de eerste, sekere Baillu van Zuyt-Hollant begeerde met Schepenen van Dordrecht _te ondersoeken op sommige saken ende misdaden_ (welk men doen plagh te noemen, stille waerheydt besitten) _die tot Dordrecht waren geschiet_, soo hebben deselve Schepenen sonder eenige discepatie, _toegestaen voor die reyse met hem te sitten, niet om te oordelen en rechten, maer om te ondersoeken_. Als wel wetende, dat het selfe _ondersoeken_ henluyden in hare jurisdictie gene prejudicie en gaf: _quia judicium a citatione_ ut pragmatici loquuntur, _initium sumit_. Of soo Justinianus spreekt § finali. De pæna temere litiguntum: _Omnium actionum instituendarum principium ab ea parte Edicti proficiscitur, qua Prator edicit, de la jus vecando_. Maer als de Graef selve over hare Borgers recht spreken ende oordelen wilde, soo hebben Schepenen, die te voren soo facyl tegen den Baillu waren geweest, sich selven wel ernstelick daer tegen gekant: Seggende:

_Onse Handvest segget wel Dat wy ende niemand el Recht ende vonnes seggen mogen, Over onse Poorters van lagen van hogen. Deese vryheyd gaf u oude Vader Coninc Willem, die wy allegader Hebben bezegelt en beschreven, Dus ons van uwen ouwers bleven._

Het welke veele onlusten gebaert en haer in veele swarigheden heeft geinvolveert, die sy standvastigh hebben uytgestaen, daerse niet difficyl aen den Baillu, als hy niet verder en pretendeerde als het _ondersoecken_ ende horen van getuygen, haer hebben getoont. Ik weet wel, datmen ook kan informeren om een begin van een Proces te maken, het geen hier niet alleen niet en is geschiet, maer waer tegen men altydt heeft geprotesteert. Ende sulcx doet men ongelijck aen sijne {Pag.15} Hoogheydt; datmen hem uytmaeckt voor eene Usurpueur van eens anders Jurisdictie. Waerom en siet men hier niet in, als men in andere saken gewoon is te doen, faciendi causam? Volgens den wel bekenden regel, _Nonfactum, sed facienda causa inspicienda est._ Want soo leert ons Ulpianus in l. 39. ff. de furtis: _Verum est, si meretricem, alunam ancillam, rapuit quis, velcelavit, furtum non esse. Nec enim factum quantur se causa faciendi. Causa autem facienda libide furt, non furtum._ En soo en heeft het informeren van sijn Hoogheydt gene andre oorsaeck gehad, als de begeerte van de waerheydt, ende niet usurpatie van jurisdictie. Gelijck oock het vervolg heeft getoont. Nu voortgaende sal ick seggen, hoewel dese dingen genoegh sijn om volkomentlick het recht van sijne Hoogheyt te adstrueren, soo sullen even wel wy eens aenschouw nemen, wat de beschreven wetten disponeren, 't gene tot beweringe vande selve saek souw mogen dienen. Ende daer vinden wy dan in jure Canonico, dat de gene die het confirmeren van een gekoren Prelaet toe komt, oock toekomt het ondersoeck vande keur of electie, en ook vande bequaemheyt van den gekoren persoon. Ende anders geschiedende, soo heeft plaets dat'er gestatueert is in _Cap. Nihil est 44. extr. De election. Non solum deiseiendus est indigne promotus, verum & indigne promovens punlendus._ Op welcken text Pinormitanus aenteyckent: _Debet confirmator inquirere de electionis forma & meritis electi: & hodie facta confirmatione sine causa cognitione, est ipso sure nulla._ Nu soo sich heeft de confirmatie tot de electie, soo heeft sich ook de electie tot de nominatie. Sulx dat men van het eene tot het andre valide magh argumenteren, ende seggen, het gene plaets heeft in het eene, oock plaets moet hebben in het andre. Ende gelijck die de confirmatie heeft oock moet inquireren op de voorgaende electie, oock soo moet inquireren, die de electie heeft, op de voorgaende nominatie. Dewyl daer deselve reden is, oock het selve recht moet plaets hebben. Maer hier tegen schrijft, soo men seyt, de Heere de Groot, dat Justinianus verklaerde, _dat dat maer alleen inde Kerckelicke bedieninge, onder den Paeus, plaets hadde, ende het selve aen sijne Wetten geene prejuditie te geven._ Dan ick geloof dat het dien goeden Heer inde memorie sal sijn geslagen, nu niet meer geheugende het gene hy te voren geweten heeft, dat geschiet inde Classicale Vergaderingen, na het beroep. Namentlick, dat daer mede werd geëxamineert de beroepinge ende beroepenes qualiteyt beyde. Ende nu niet meer geheugende het gene hy te vooren van {Pag.16} het Geestelijcke of Canonyke recht selfs heeft geschreven. Als mede dat hy aen Justinianus het meeste gelijck niet en doed, niet eens gedenkende dat Justinianus selfs is de gene, die het fundament van het Canonyke recht heeft gelegt. Want dit recht is originelick gesproten uyt de besluyten, regulen ofte canones inde Synodale Vergaderingen beraemt ende vast gestelt. Welcke, alsoose te vooren in sich selven ingesien, van politique macht ende auctoriteyt waren gedestitueert, soo heeft Justinianus die, d'allerste, daer by gedaen gevende haer de auctoriteyt, die sijne andre wetten hadden, als men sien kan in sijn Novella 131. Het welck dan is geweest het begin van het jus Canonicum. Waer op gevolgt is, dat inde verdere tyden de Keisers selve, ofte uyt haren naem hare Volmagtigde inde Concilien ofte Synoden hebben de gepresideert, der selver Decreten ook, alsde voorgaende, kracht ende autoriteyt bekomen hebben, hoewel datse van de gene niet in schrift geredigeert en zijn, die macht hadden om Wetten te maken, moetende de Keisers als aucteurs, ende de Schrijvers als ministers geconsideruert worden. Waer naer daer by gevoeght zijn de Decreten van de Pausen, die op sekere voorvallen zijn of wierden geconsulteert, tot welcke Gregorius de IX. verscheyden dingen, genomen ex jure civili, heeft bijgevoeght, self van sodanige, daer hy niet van geconsulteert en wierde. Waer naer van d'een en d'andere noch jet is aengelapt. Ende dit dan soo zijnde, wilde ick wel eens gevraght hebben, of Justinianus sichs selvens niet soude vergeten hebben, als hy alle auctoriteyt aen het jus Canonicum souw schijnen te derogeren? Ende het niet eer te geloven is, dat hy Justinianus hier in niet wel en heeft verstaen? Wat nu de Heer de Groot selve aengaet, die hier toont sich selven niet meer te kennen, ofte ten minsten te geheugen wat hy voor desen van dit recht heeft gehouwen, soo sullen wy hem in fijne swackheyd te gemoed komen, en helpen herdencken, wat hy voor desen van dit Canonyke recht heeft geoordeelt. Hij verhaelt dan in het derde Boeck De jure belli cap. 12. met veel lof, dan met inde Neerlandsche oorlogen, de limit of frontierlanden, betalende sekere contributie, aen wederzyden heeft gecultiveert. Ende hy voeght daer by, _Hos mores humanitatis magistri Canones Christianis omnibus, ut majorem ceteris humanitatem debentibus ac profitentibus imitandes proponuns._ Ende om te bewysen dat sulcx descendeert ex jure Cononico, soo allegeert hy daer toe cap. 2. extr. de treuga & pace. Het welck een decreet is {Pag.17} gestatueert in Concilio Luateranensi, ten tijden van Alexander de derde. Soo dat klaer blijckt, dat hy daer het jus Canonicum ver stelt boven het jus Civile of Justinianeum. Gelijck hy het selve mede doed in het twee deel van het eerste Boeck sijns Hollandsche Rechtsgeleertheyds. Want na dat hy van het Roomsche Recht gesproken heeft, gebruyckt hy dese woorden: _Gelijk ook daer na gebeurt is, dat eenige saken in meerder billickheyd zijnde overleyd_, als wel Justinianus heeft gedaen, _by een groot deel der Christenheyd jet nader aengenomen, ende seer oneygentlik bekomen hebbende de naem van Geestelijke of Pauselicke Rechten, ook in dese landen kracht van Wet heeft bekomen_. Waer uyt wy dan besluyten, dat het gene hier te voren ex jure Canonico is geallegeert wel ende te recht geallegeert is, ende hier te lande in desen ook plaets moet grypen, voornamentlik, daer in beyde de gevallen de selve rede militeert. Want dat is seker, dat de formaliteyten in het politijc soo wel als in het ecclesiastijc moeten werden geobserveert, alsoo die genegligeert zijnde, soo wel in 't eene als in 't andere, alle actitata komen te vervallen. Ende soo wel als het opsprakelik is, jemand onbequaem zijnde, te vorderen tot kerkampten, alsoo wel is het mede opsprakelik, jemand tot politike digniteyten te vorderen, die der selver onbequaem souw mogen zijn. Soo dat het geene expres gestatueert is in approbatione; ex identitate rationis mede moet gerecipieert werden in electione. Ende al waer het schoon, dat wy dat fundament in jure Canonico niet en hadden, zijn wy daerom gedestitueert van andere ex jure civili? Is het niet soo wel eene regel juris civilis quam Canonici: _Qui vult consequens vult & antecedens?_ Ende wederom, _Concesso aliquo etiam ea concessa videntur, sine quibus illud expediri non potest?_ Het welk ook soo verregaet, dat al waer het, dat de uytvoeringe vande commissie niet en kon werden geëxecuteert, sonder 't exerceren van regalien. Want dat selve werd dan verstaen mede inde comissie begrepen te zijn, als te sien is by Rosenth. de Feudis cap. 5. concl. 14. n. 6. Het welk ook de leer is van Cumanus, Zafius, Mozzius en andere. Staetmen sijne Hoogheyd de electie toe, soo moetmen hem ook toestaen het gene sonder het welk hy de electie niet en kan doen, ofte dat het selve is, niet behoorlik en kan doen, dat is informeren op alles dat ontrent het selve subject te indageren staet. En wil men daer van eene text ex jure civili, men sal die vinden genoegsaem in terminis leggende, in l. 4. C. si contra jus vel utilitatem pub. daer de Keiser Constantinus rescribeert in {Pag.18} deser voegen: _Eisi non cognitio sed excecutio mandatur, de veritate precum inquiri oportet, ut si frans intervenerit, de omni negotio cognoscatur._ De saek is dus gelegen geweest: op de supplicatie van seker persoon, heeft de Keiser last gegeven aen Pompejanus Consulatis Campaniæ, die doe onder den Keiser dat quartier van Italie regeerde, dat sekere sententie, ten voordeele van den suppliant, soude ter executie leggen, sonder jet meer daer by te voegen. Pompejanus het werk by de hand nemende, bevind dat 'et soo glad niet en gaet, maer gelijk het schijnt, datter oppositie valt. Derhalven vind Pompejanus sich verlegen, als siende dat sijne commissie niet verder en ley, als om te executeren, ende dat aen dit werk wat meerder vast was, als eene simpele en blote executie. Ende daerom neemt Pompejanus sijn recours tot den Keiser, gelijk sijne Stadhouwers, in alle voorvallende swarigheid, gewoon zijn geweest te doen: ende sulx soo geeft hy hem te kennen, hoe 't met die saek gelegen was. Waer op nu de Keiser antwoord, hoewel hem met expresse woorden niet en was aenbevolen, kennisse te nemen ende te oordelen vande saek self, maer dat sijne commissie niet verder en sprak, als van de executie, dat hy evenwel behoort te inquireren ende ondersoeken op de waerheid van het te kennen geven van den Suppliant, ende soo hy bevind datter eenig bedrog mede vermengt is, ende dat de Suppliant den Keiser geabuseert heeft, dat hy Pompejanus dan sal kennisse nemen vande geheele saek, ende die determineren. Dit nu in effect zijnde het gene de Keiser verstaen heeft, gaet nu heen, segt dat het inquireren een regael is, datmen 't niet mach excerceren sonder expresse commissie, dat sijne Hoogheyd de nominatie niet mach voor onwettig verclaren, ende diergelijke moye dingen meer. Maer siet eens of al dit getuyt niet en komt te vervallen door dese eene Wet van Constantinus alleen. Ende om noch verder te gaen, indien sijne Hoogheyd, uyt dese lieve nominatie, electie hadde gedaen, ende daer mede deselve nominatie geapprobeert, wat soude men daer af hebben moeten oordeelen volgens de dispositie vande Roomsche Wetten? sou men niet moeten seggen, dat hij qualick hadde gedaan, ende het gene niet en behoorde? Buytentwyffel, ja. En so men daer af begeert eene Wet, ik salse mede geven genoegsaem in terminis, zijnde in ordre de twaelfde sub titulo Digestorum de appellationibus. Maer tot illucidatie van dien sal ik voor af seggen, antequam aliquis Duumvir crearetur, indici debuisse concilium publicum, quæ indictio in eo negotio requisita fuit solemnitas, soo als ons aengewesen {Pag.19} werd in l. Nominationes. C. de appellat. Nu is het gebeurt, ut omissa illa solemnitate, nulloque actu ex lege habito, aliquis popularium vocibus Duumvir postularetur. Waer toe de Stadhouwer sijn advoy ende consent mede heeft gegeven, soo dat dien het duumvirat overdrongen was, goed gevonden heeft te appelleren. Maer wat seyt de Jurisconsultus Ulpianus daer van in illa lege duodecima? In 't reguard van den Stadhouder, _Eum comfontire non debuisse_, ende in reguard van den opgeworpen Duumvir, _in re aperta appellationem esse supervacuam_. Want alles was nul en krachteloos, soo wel de proceduyren van 't volk, als het advoy en consent vande Stadhouwer. En waerom doch nul? Niet om dat'et sou gedaen zijn by die gene, die gene nominatie of electie, of recht van creëren en hadden, meer om dese eene informaliteyt, dat die gerequireerde en solemnele convocatie niet en ware voorgegaen. En hier in 't nomineren vande Mannen van achten, hoe is 't daer mede toegegaen? komt het wel op eene aen? Om andere informaliteyten nu verby te gaen, is die niet geschiet ten overstaen van die daer niet en hadden behooren te wesen? Hebben niet mede nevens sommige Dekens eenige Overluyden gestemt, die het gans niet toe en komt? sijnse niet overstemt, die niet overstemt en konnen werden? Soo sijne Hoogheyd hier sijn advoy ende consent mede hadde toegebracht, en souw niet yder een met Ulpiano moeten seggen hebben, _Eum consentire non debuisse_? Maer neen sal men seggen, dit en heeft hier gene plaets, want het Gerecht hadde hier alrede in versien, ende de nominatie gelegitimeert, ende soo en had hy sulk eene censure niet te vreesen. Ja dat is soo dat men 't seyt, want die van Dordrecht schrijven sulx publijkelik, en willen 't van yder een mede soo gelooft hebben. Ende het is waer ik hoor mede seulken tael, maer die klinck my inde oren, als of men seggen wilde, even gelijk een Souverain een basterd of onwettig geboren legitimeert, ende neven andre wettig geboorne doed passeren, het selve Gerecht also mede bevoegt is, eene onwettige en informe nominatie wettig te maken, ende nevens andre wettige en deugdelijke, als van een alloy ende valeur zijnde, te doen deurgaen. Ende in gevolge al isser overstemminge gevallen, daer gene overstemminge plaets kan hebben; al is de nominatie geschiet in tegenwoordigheid, ten overstaen ende directie vande gene die de privilegien en wetten daer van submoveren; al nomineren mede de gene die volghens privilegien gene qualiteyt en hebben, om te {Pag.20} nomineren; al is de nominatie niet vry geschiet, maer door ongehoorde cuperyen en dreygementen geforceert, als maer de aessem van het Gerecht daer over gaet, soo vallen alle seeren af, alle leemten verdwynen, en men is van alle corruptien gesuyvert, ja soo seer als een duyfje dat de pocken heeft, daer immer niet op en valt te smalen. Ende daer mede gaet soodanige nominatie deur nevens de beste die van alle ouwe tyden souwen mogen sijn geschiet. Is dat niet wel gesuyvert ende gelegitimeert? Ik heb dat wel geleert, dat voor desen aen den Souverain het recht van legitimeren plagh toe te komen, maer niet aen eenigh subaltern gerecht, altijdt niemand en souw voor desen sulx hebben derven sustineren, maer onwettige actien en valsche positien voor wettige ende ware te verklaren, en weet ik niet dat oyt voor desen eenig Souverain heeft gedaen, of oock sijne maght misbruykende, in het toekomende sal willen doen. Soo dat de majesteyt van dit Gerecht, soo ver de Souverainiteyt van andre hooge machten te boven gaet. Dan dit en is soo seer niet te verwonderen, dewijl dit Gerecht al noch yet meerder heeft, dat andere Recht-bancken noch Hoven van Justitie niet en hebben. Dat namentlik het selve eens geoordeelt hebbende, andermael van de selve saeck magh oordelen. Het welcke soo niet en plagh te wesen, als wy in onse jonckheyt uyt Terentio hebben geleert. Want wy hoorden den daer Phormio spotsgewijse aen Demipho dese woorden te gemoet voeren.

At tu, qui sapiens es, Magistratus adi, Judicium de eadem causa iterum ut reddant tibi, Quandoquidem solus regnas, et soli licet Hic de eadem causa bis iudicium adipiscier.