Aenmerkinge op de Missive van Parnas
Part 1
AENMERKINGE {Pag. 1}
Op de Missive
VAN
PARNAS,
Van den 22. January 1685.
GETEKENT
HUGO de GROOT.
{Pag. 2}
{Pag. 3}
AENMERKINGE
Op de Missive van
PARNAS
Na dat de Griecksche Parnas, door de Turckschen mogentheyd verscheyde eeuwen verwoest gelegen hadde, ende daerom nu niet meer en wierde gefrequenteert, soo heeft Boccalyn eenen anderen in Italien weten te vinden, dan die gansch van ene andere natuer ende operatie was, als wel de Griecksche te voren ware geweest. Want de gene die op de eerste verkeerden, wierden beschenen met allerley klaerheydt, soo dat de duysterheyd van haer verstant quam te verdwynen, en aengedaen wierden met veelerley kennisse, soo dat sy verborgene dingen, oock selfs toekomende, wisten te openbaren. Maer die op den Boccalynsche Bergh quamen te verschijnen, bevind men nergens anders in uyt te steecken, als in alle soort van busche scherpsinnigheyt, hebbende tongen der Slangen niet ongelijck; ende sy selve van nature als de boose Muyl-Esels, die van vooren byten, van achteren schoppen, niemand sparende, als die sy niet en konnen bereyken. Op dese inventie hoewel Boccalyn seer praelde, soo is het evenwel daer mede soo uytgevallen, dat hy geluckigh souw geweest hebben, by aldiense hem niet dierder had komen te staen, als den hond, soomen seyt, de worst doet. Waerom dan oock niemand naderhand lust gehad heeft, om de naem te verkrygen, van diergelijcke Contrey ontdeckt ofte gevonden te hebben. Maer evenwel gelijck de natuer veele veranderingen uytwerckt, doende effene Landen tot Bergen oprijsen, ende Steden in den Afgrond versincken, soo is het mede gebeurt, dat in Hollant ontrent het Ye, de daryachtige gronden soo sijn opgegist, dat se dreygen den Boccalynschen Berg te sullen overtreffen. Ende, soo men seyt, souw Apolio mede daer alrede aengekomen sijn, ende in die lucht behagen genomen hebben, na dat hem de Grieksche Laurieren hebben {Pag 4} beginnen te stincken. Dat ook na sijne komst aldaer mede waren verschenen _Cicero, Cato, ende alle de gene die sich ooyt met Staetssaecken hebben bemoeyt_, als _Hogerbeets, Renyl, Ledenbergh_ ende ook _Barnevelt_, maer die gelijk als Sint Denijns, sijn hooft in bey sijne armen droegh, welcken Denijs hy ook schimperlijk verweet, dat deselve sijn hooft maer twee mylen ver had konnen dragen, daer hij het sijne uyt den Haegh tot op den top van den Amstelschen Parnas hadde gedragen. Benevens dese is daer mede verschenen den welbekende Keiser Iustinianus, dragende nu niet de Kroon van het Grieksche Rijk, maer een Amstels jok van bockenhout, dat hem nieuwlix op geleyt sijnde, de schouderen hadt deurgeschuert, alsoo 't hem gansch niet paste. Gelijk men dan ook seyt, dat daer versch aengekomen was de Burgemeester _van den Broek_, die wondre nieuw maren uyt Holland medebraght, waer over verscheyde van die Parnasbroeders ook haer sentiment seyden, waerd altemael om vanden vermaerden Hugo de Groot beschreven te werden. Daer waren voor desen wel aengekomen Socinus, Arminius, Vorstius, Spinosa, met haersgelijken, maer dewijl dit hare rol niet en was, soo en sijn sy op dit Theater ook niet verschenen, maer sijn van ver blyven staen om het spel aen te sien. Waer van principael Acteur was de voorschreve Heer Burgemeester van den Broek, refererende _'t gene eenigen tijd soo tot Dordrecht, als inde Vergaderinge vande Staten van Holland ende West-Vriesland op het subject vande nominatie der goede luyden vanden Achten der voorschreve Stadt, ende het herdoen van de selve voorgevallen was_. Als mede op _wat wijse de Heeren Commissarissen van den Hove van Holland haer in dese saken hebben gedragen_. Het welk sekerlik met groote verwonderinge moet aengehoort geweest sijn, principael indien die Burgemeester daer by geseyt heeft, gelijk het de waerheyd is, dat hy van die tydt of, en misschien eerder, van die swakheyt van lichaem niet alleen, maer ook van herssenen is geweest, dat hy de Commissarissen door sigh selven niet en heeft konnen antwoorden, maer heeft het laten doen door andre, die hy tot dien eynde in sijn huys ontboden hadde. Soo dat hey selfs naeulyx wetende watter in sijn eygen huys omme gingh, veel min geweten heeft watter op het Raedthuys of in der Staten Vergaderinge geschiede. Alsoo hy in die tydt die de bequaemheyt niet en had, om buyten sijn huys te konnen gaen of ryden. Soo dat ick presumere, dat hy gesuysebolt, of gedroomt sal hebben, als hy dit verhael sal {Pag 5} hebben gedaen, ende grovelik dienvolgende gemist. Het welk van dien ouwen hals niet vreemd en was, alsoo ik sie dat sulx de andre Parnasbroeders ook wel overkomt, ende ik uyt den brief van de Heer de Groot lees, dat sy luyden _den Primier van de Heeren Commissarissen,_ die tot Dordrecht sijn geweest, _daer_ by henluyden, _al eenigen tijd te gemoet hebben gesien._ Want hebben sy hem al eenigen tijd te gemoet gesien, soo hebben sy ook al eenigen tydt gedroomt ende gedoolt, soo wel als den nieuw aengekomen Burgemeester, dewijl by hier nu noch sit, ende onseeker is wanneer hy hier van daen vertrekt. Soo datmen niet en hoeft te denken dat dese Parnasgasten sijn _tanquam abqui Semides & adoptiva quadam numina,_ als die ook hare misslagen hebben. Gelijk het selve noch nader daer uyt blijkt, dat sy hem als noch sitten en waghten. Want light en komt hy noyt op sulk eenen Parnas, daer sigh luyden onthouden die schrijven en dryven, _Spiritum Antichristi magis regnare ad lacum Lemannum, quam ad Tybrim._ Alsoo hy soodanige positien exerceert. En voorsichtiger souden sy doen dat sy de deuren in tyds toesloten, op dat, al quam hy kloppen, niet in gelaten en wierde, ten eynde over soodanige poincten, als hier vooren, of diergelijke, gene onrust op den Parnas en wierde verwekt. Want hoewel hy flexibel is, soo dat men hem souw om de vinger windeen, soo en is hem echter niet nieuw een Kamphaen in de kam te byten, schoon dat se al vry wat langh gebeckt sijn. Soo dat my daer uyt schijnt, dat die luyden, daer op dien Parnas, de beste positie niet en houden, voor hoe groten politicum men den Heer de Groot, die het rad daer draeyt, ook wil houwen. Want hoewel hy te houwen is voor een man vande uytstekenste geleertheyt, soo en belet dit niet, dat men sonwijlen sich vergist. Ende valt somwylen al eens voor, dat het spreekwoord bewaerheyt wert. _Magna ingemia, magni errores_. Soo dat oock de Monicken hebben weten te seggen: _Clericus edoctus non est semper sale coctus_. Tot eene preuve van dien sal ik voor eerst maer seggen, dat als een persoon van de eminentste qualiteyt in dese staet hem een gunstig oogh had toegeworpen, soo quam hy in den jare 1632 driftig herwaerts aengeloopen, verhoopende, dat hy nevens d'andre ouwe Santen, weder op het Autaer souw werden geset. Maer alsler ordre quam van de Heeren Staten van Ho'land, dat hy uyt den Lande sou hebben te vertrecken, soo gingh hy heendruypen, als een hond, die sijne staert verlooren heeft. Hier nevens sal ik noch voegen, dat als hy de Babylonische Hoer van hare voorname quetsure ende hooftwonde, die de eerste Reformateurs haer {Pag. 6} hebben gelastigeert, heeft willen cureren, wat heeft hy daer deur anders uytgeright, als datter is geëxciteert het _Classicum belli Sacri_, ende dat hy geprocureert heeft sijne eyge disgracie in het Hof van Sweden, daer hy doen een Minister af was. Soo dat hy daer van daen vertreckende, sich begeven heeft na Rostock, daer hy is overleden. Meer en sal ik voor deestydt van Hem niet seggen, alsoo dit genoeg is om aen te wysen, dat groote luyden ook hare misslagen hebben, en daerom geen wonder en is, indien hy het in desen Brief soo heel fix niet en heeft. Want niet seer ver van het begin komt de goede Keyser Justinianus, soo hy seyt, te voorschijn, _met de tranen in de ogen, klagende, dat sijne Wetten soo weynigh voldaen wierden_ by het Hof van Holland. Ende dat bestaet hier in, als men in den selven asem seyt, dat het selve sich aenmatight _van toesicht te dragen, Ne Provincia abundat malis hominibus_. Waer in of Justinianus of Grotius eenighsincs missen, want soo en luyden de woorden niet in den originelen text. Hoewelle van den sin niet t'eenemael en devieren. Ende nochtans schreyt die goede man daer over. Wat magh hem daer toe bewegen? Dit namentelik, dat de Hollanders soo dom en bot waren, dat sy _syne Wetten verkeerde applicatien ende beduydingen aen wreven_; willende doen het gene sijne Præsides in voorgaende tyden hebben gedaen, uyt misduydinge van woorden; even of _Præsides Provinciarum met die van President en Raden_ een en deselve waren. Maer voor eerst sal ik hier op seggen, dat die het Hof determineert binnen de palen van Præsident en Raden, het selve verongelijkt, daer van afscheurende het eerste ende principaelste lid, namentlik den Stadhouwer, de luyster en voorname eer van dat Collegie. Soo dat de Heer de Groot hier sich selfs vergist, als hebbende te voren self geschreven, daer hy handelt van de gene die in het Hof sitten; _Horum caput est ipse Præfectus Hollandæ_. Daer naer sal ik vragen, indien de Præses Provinciæ een goed werk doed, _conquirendo nefarios, & curando ut malis hominibus careat provincia_, hoe kan dat quaet sijn als dat selve by het Hof werd gedaen? Hoe heeft het Hof dien Keiser sijne pap soo qualik gebotert, dat'et soo qualik by hem te Hove staet? Immers soo ruym als de Præsides Provinciarum de Souvereyniteyt aen den Keyser gelaten hebben, soo ruym laet het Hof deselve aen de Heeren Staten van Holland. Dan hoewel dit soo is, soo pecceert'et niet alleen daer in dat het wil procureren, _ut malis hominibus careat provincia_, maer ook voornementlik daer in dat'et _de Steden van Holland onder hare {Pag 7} vrede of vooghdye wil nemen_. Dan indien men die woorden soo meent en neemt, als die seggen, soo is het eene vuyle calumnie. Want waer heeft het Hof, ofte yemand die niet dul en uytsinnigh is, geseyt: _us pupillus nihil facere potest sine auctoritate tutoris_, alsoo ook niet de Steden van Holland sonder overstaen van het Hof? Maer wil men het eene gesond verstand geven, en daer deur verstaen, in sijn recht en gerechtigheyt maintineren; ook helpen en succurreren, daer men te kort souw schieten, om uyt te voeren het gene betaemt gedaen te sijn; soo kan 't toegestaen werden, ende sulx en wil het Hof niet alleen doen, maer is ook gehouwen te doen. Want wat isser bekender alsdat het Hof d'eene Stadt tegen de andere in sijne gerechtigheydt maintineert? Gelijk sulx in veele ende verscheyden exempelen te sien is. Ook Grotius selve, sprekende van het Hof, seyt: _Ipsa quoque urbium controversia, abeque magna mementi hic disceptantur_. Ende voorts, en is het niet in verscher memorie, dat als die van Delft onmachtigh waren om in hare Stadt behoorlicke Justitie te administreren, het Hof op haer versoek, haer de behulpsame hand heeft geboden, ende door den Fiscael eenen Minne uyt hare Stadt doen halen, die by het Hof met den Swaerde is geexecuteert? Ende indien men die of diergelijke tutele den Hove wil toeschrijven, dat en sal 't niet refugieren toe te staen, hoewel 't noyt selve in sulke termen heeft gesproken, noch ook van meninge is te spreken, om gene verdere lasteringen op den hals te halen. Gelijk dan ook noyt 't selve geseyt en heeft, dat het is Præses provintiæ, versien met eene egale maght, als in oude tyden de Præsides inde overwonnen Provintien hadden. Want in sommige delen heeft het Hof minder, in sommige weerom meerder. Als daer in meerder, dat'et recht doet tusschen en over Steden, selfs sitplaets hebbende in de Staten van Holland: daer ter contratie de præsides provinciarum sulx niet en hadden, maer gereserveert was tot het oordeel van de Keiser. Waer van veele exempelen bij de munimenten van de ouwe Schryvers te vinden sijn.
Maer om eens op te halen, waer van daen dese Parnas-bende de occasie genomen heeft, het Hof aen te wryven dese calumnie, van sich te qualificeren Præsidem provinciæ, soo is het inder daed soo, dat Mr. Willem Stoop, Schout van Dordrecht, schriftelik dolerende over sijne suspensie, by het Hof gedaen, poseerde twee saken, van welke het eene was, dat hem by den Hove ware gelast, op de Articulen hem {Pag 8} voorgehouwen werdende, soo te antwoorden, als hy met de Ede sou konnen verklaren. Het tweede, dat hy niet en wist, wie voor het Hof syne beschuldigers of aenklagers ware geweest. Waer op by Commissarisen vanden Hove is geantwoord, dat het eerste eene loutere onwaerheyd was, ende sodanige eene onwaerheyd, die genoeghsaem sich selven refuteerde. Want dat het eene seer bekende sake was, dat niemand wierde gelast onder Ede te verklaren, die tot sijnen eygen laste wierde gehoort. Soo dat hy een Rechtsgeleerde ende Officier sijnde men niet ken denken sodanigen saek te _ignoreren_, ende te vergeefs men dieshalven sou gesoght hebben hem met eene Blaes met bonen vervaert te maken. Op het twede is by gemelte Commissarisen geantwoord dat het niet nieuw en is, dat jemand sonder aanklager ofte beschuldiger wierde gecondemneert. Ende dat daer in tot een exempel kon dienen _Claudius Gorgus, quicum esset vir Clarissinius, nemine accusante, lenocinii damnatus est a Divo Severo._ Waar van wy den text hebben in _l. 2. §. 6. de aduls_. Daer is by gevoeght, dat tot deselve wijs van Procederen behoort, het gene wy in jure hebben geordineert de Præsidibus, _curare nempe eos debere, ut malis hominibus provincia careat, eosque conquirant_. Waer van de text is in _l. 13. ff. de officio prasidis_. Waer mede over een komt het gene dat 'er staet in _l. 4 § 2. ff peculat. Mandatis cavetur, ut Prefides Sacrileges, latrones, plagiarios conquirant, & ut quisque deliquerit, in eum animadvertant._ Illis enim qui conquirere tenentur, non est expectandus accusator. Cesiantes enim in inquirendo mandata Principum transgediuntur, & in animadversionem eorum incurrunt. Indien men nu hier uyt magh besluyten, dat'et Hof is de Keyser Severus, soo magh men oock wel daer uyt besluyten, dat het Hof is Præses provinciæ, ende dat Holland als eene geconquesteerde Provincie aen het selve onderworpen is. Maer soo het eerste niet geseyt of geconcludeert en kan werden, als by geprosesside Sottebollen, alsoo ook niet het twede. Wie heeft oyt dus geargumenteert, soo heeft de Keyser geprocedeert, ende soo heeft geprocedeert de Præses, ende soo oock procedeert het Hof, ergo soo is het Hof de Keyser, of het Hof is de Præses. Maer seer wel, soo heeft de Keyser geprocedeert, en soo heeft geprocedeert de Præses, ergo en is het niet nieuws dat het Hof mede soo procedeert, mits evenwel blyvende yder in de palen van sijne Jurisdictie. Gelijck het Hof in dese saeck van Mr. Willem Stoop heeft gedaen, obseiverende daer in hetgene Keyser Carel tot tweemalen heeft geordineert eerst in de Instructie van den {Pag 9} Hove geëmaneert in den jare 1521, ende daer na inden jare 1531. Daer wel uytdruckelick staet: _De Stadthouwer Præsident en Raden sullen naerstelick monsteren, om te vernemen de abusen ende delicten vande Bailluwen, ende andre Officiers, ende deselve gehoort sijnde te corrigeren, na exigentie van saken. Alwaer wel uytdruckelick gedefinieert is wie dat inquireren en corrigeren sullen, namentelick de Stadthouwer Præsident en Raden, sonder de minste mentie van Fiscael, Aenklager ofte Beschuldiger. Daer na de last, _sullen inquireren_, ende oock; _naerstelick_ sonder dissimulatie. Ten derden, de ordre die geobserveert moet werden. Als eerst, _inquireren_; ten tweden, _hooren_, ten derden _corrigeren_, sonder de minste mentie te maken van Proces, het sy ordinaris of extraordinaris. Het welcke dewyl men siet dat dit klemt, soo souw men garen de gantsche Instructie, als een ouwt kleed dat afgesleten is t'eenemael verwerpen, alsoo Keyser Carel selve sou seggen, _dat by sich niet en kon inbeelden dat dit alles nu langer geobserveert wierde, dewyl nu de Souvereyn altijd tegenwoordig is_. Maer hoe sober dese solutie is kan licht daer uyt afgenomen werden, dat op den eersten rechtdagh van 't jaer de Instructie van den selven Keyser werd vernieuwt, ende by de Suppoosten wederom besworen. Gelijck dan de Heer de Groot in sijne tijden het selve verscheyde malen heeft gedaen: welcke eer de Wetten van Justinianus noyt hier te Lande hebben gehad. Ende of niet het voorengemelde Articul in volkomen observantie is geweest binnen den tijd van dertigh veertigh en meer jaren, souwen de exempelen van veel Schouten en Bailluwen konnen aenwijsen, indien 't niet te langwylig en ware. Ik sal verder vragen, als Heer de Groot heeft voorgenomen te handelen en aen te wysen, _Qua in bello fuerit, post bellum sit Batavorum respublica_, of hy niet wel en had behoren aen te wijsen dat dese Instructie was geabollert en in ongebruyck geraakt? Maer mentioneert hy daer wel een woord van? Ja en seyt hy niet ter contrarie; _Ordines eandum semper non rempublicum modo, sed & reipublica faciem retinuerunt_? Waer komt dan dese abolitie van de Instructie ende vernietinge van daen, als dat die onder hare cramery in hare mersch niet en past? Alia tempora, alii mores: te voren sprack men van ordre, reglementen, van eenigheyd, nu roept men allesints met luyder kelen niet anders als van liberteyt en vryheydt, soodanigh dat men tusschen die en ongebondenheyd geene onderscheyten maekt. Wat my belanght, ick {Pag 10} ben in vreedsamige tyden, ende oock in een vry Land gebooren. Ende gelijck ick hoop in vreedsamige tyden, alsoo hoop ick oock in een vry Land te sullen sterven. Soo ver oock, dat ick van die hope ben, dat noch ick, noch mijne kinderen, sal ofte sullen behoeve te sien, dat'er een Hollandsch Romen sal opstaen, daer de andre leden onder souwen moeten suchten. Sed ut sub specie boni & qui perniciose quandoque erratur, ita sub specie libertatis saepe saevissima servitutis iniiciuntur vincula. Waer van om ândre voorby te gaen, de Monicken ons exempelen genoeg geven, die groote liberteyt belovende, jonge of onervarene luyden uyt de gehoorsaemheid van ouwers of voogden trecken, ende in een eeuwige slavernye van het Klooster leven daer naer verdrucken, daerse van ouwers of Magistraet noyt uyt gereddert en konnen werden. Ende siet eens of hier niet na en sweemt het doen van de gene die nu tot Dordrecht het Oppergesagh hebben. Die quansuys de Borgers willen schijnen vry te maeken van het oppergesagh van Stadhouwer Praesident en Raden, maer alleen om dat sy alleen souwen mogen na haer believen heerschen, d'andre van hoger hand met alle gene hulp en hadden te verwachten. Want al dit gewoel, waerom men het Land in roeren stelt, en is niet om de arme en onnosele Burgers in meerder vryheyd te stellen, maer op dat de geene, die nu het meesterschap menen in handen te hebben, inde Schaepskoy wat vryer en ruymer souwen mogen domineren, ende hare schotels met het vet, ende hare lendenen met de wol wat rijckelijcker te konnen versien. Ende om dat'er sijn die haer selven niet garen tot eene proy souwen overgeven, daerom heft men sulck een geschreeu op, daerom heeft het Hof, dat haer inde weegh is, de lever gegeten: daerom werpe men sulck een gesnater uyt: _Dat'er geen reguard meer genomen en werd, of de Rechter en aengeklaeghde malkander te nabestaan, ende de Berichter partye, ende partye Berichter was: dat het axiame Extraterritorium, aut sine auctoritate jus dicenti impune non paretur: dat, Deliberante principe nihil esse innovandum, wierden met de voet getreden._ Maer om de waerheyde te seggen, veel geschreeus en weynigh wol. Want hoe kan men met eenige waerschijnlickheyd seegen, dat in al het Dortsche werck de Aenklager ende Rechter malkanderen te na hebben bestaen, daer het notoir is dat geen recht by 't Hof en is gedaen, als alleen inde saek van den Schout, en welke nochtans, als te voren is geseyt, gene aenklager en is geweest. Wat men nu met het woord _Berichter_ wil verstaen, {Pag. 11} is my onbekent, dewijl sulx in de Neerlandsche styl van procederen niet en is bekent, gelijck ik mede niet en weet, dat in de Roomsche rechtspleginge yet diergelyx bekent is geweest. Maer dat kan ick seggen, dat by aldien yemand in het Hof souw hebben gesustineert duplicem personam, van welcke d'eene tegens d'andre streed, dat sulx singulierlik souw sijn gestraft geweest. Ende sulx die dat seyt sonder nader bewys een Calumniateur is. Dat geseyt werd _Extra territorium jus dicenti impune non paretur_, hoe kan dit hier plaets hebben, daer het Hof in dese saek van Stoop recht gedaen heeft hier in den Haegh, inde ordinaris residentie plaets, van over eenige honderd jaren daer voor bekent. Immers soo inept is het dat men seyt _sine auctoritate jus dicenti_. Want wien is eene Officier ratione officii anders onderworpen, als den Hove van Holland, wat men nu ten laetsten daer by voeght, _Deliberante principe nihil esse innovandum_, dat komt hier in 't minste niet te pas, dewyl 't van het eerste begin dat die van Dordrecht dese saek voor de Heeren Staten hebben gebraght, gedecideert is. Want syluyden versoeckende, dat het Hof geordineert sou werden stil te staen, soo en is 't selve versoeck niet ingewillight. Ende naderhand, het selve versoeck geitereert sijnde, is bij de voorgaende Resolutie gepersisteert. Ende vervolgens is verstaen, si non expresse, saltem tacite, dat het Hof souw mogen voortgaen. Het welke die van Dordrecht daer na, maer te laet merkende, dat het hen obsteerde hebben versocht, dat die notulen uyt de Resolutien van de gemelde Heeren Staten souwen mogen werden gelight. Het welk hen, te laet opsijnde, geweygert is. Soo dat daer uyt blijkt, dat hoewel op de saek ten principalen nader deliberatien souwen mogen komen te vallen, dat evenwel die by de Heeren Staten is gedetermineert, voor soo veel als de surchance ofte voortgangh der proceduyren van 't Hof aengaet. Daerom, soulageert vry de Dordsche vriendetjes, et dot _Deliberante_, het sal haer immers soo wel helpen, als een papje na de dood.