Achter den Sluier in Perzië en Turksch Arabië De Aarde en haar Volken, 1917

Part 4

Chapter 44,179 wordsPublic domain

In Kerman had ik een at home voor mohammedaansche dames, en op ontvangdagen leerde ik velen kennen. Den eersten keer kwamen er al twintig dames, elk met een paar slavinnen en een jongetje, om op haar schoenen te passen, die ze natuurlijk aan de deur lieten staan. Het was een heel ding, al die dames te ontdoen van haar wijde, zwarte mantels en ieder haar plaats aan te wijzen naar rang en waardigheid. Wij hadden in onzen salon een langen divan van twaalf bij zes voet, die één zij van het vertrek geheel besloeg, met kussens erop volgens oostersche gewoonte. Daar kwamen twaalf dames op te zitten en zagen er tevreden en voldaan uit, terwijl de rest op stoelen zat en zich blijkbaar lang niet zoo goed op haar gemak voelde. Al gauw zag ik eerst één voet en dan den tweeden optrekken, tot de meeste dames op oostersche wijze zaten op de stoelen, wat een dwaze vertooning gaf in mijn oogen. Toen allen zaten en de mantels netjes opgevouwen en op zij gelegd waren door slavinnen, werd de kalian of waterpijp binnengebracht, waarbij een slavin de pijp voor haar eigen meesteres klaar maakte.

Ik had het zóó geschikt dat Bagi de thee zou presenteeren; maar de dames schrikten bij het idee, iets aan te nemen uit de hand van een Parsivrouw, en dus moest mijn arme Bagi zich op den achtergrond houden en haar plaats door anderen zien innemen. Op den volgenden ontvangdag was ik wijzer geworden en huurde de diensten van de moeder van een onzer bedienden, die Mohammedaansche was, daar ik het niet prettig vond, dat een vreemde vrouw de honneurs van mijn theetafel waarnam. De dames stelden veel belang in europeesche gebruiken en meeningen. Een van haar vroeg een portret te mogen zien van Jezus Christus, en toen ik haar het beeld toonde, kuste ze het eerbiedig en bracht het aan haar voorhoofd. Ze vonden het heerlijk, naar ons orgeltje te luisteren, en een der dames had er zooveel plezier in, dat ze niet rustte, vóór haar man haar een had gekocht, en toen was ze niet tevreden, voordat ik haar geleerd had, hoe ze erop moest spelen.

Naar gelang van den rang van den heer des huizes is het leven van de vrouwen zeer uiteenloopend. De armere vrouwen en de dorpsvrouwen hebben het geluk, te moeten werken; maar de vrouwen uit de hoogere standen hebben in 't geheel niets te doen van den morgen tot den avond dan te rooken, thee te drinken en te babbelen. De arme is er veel beter aan toe; zij moet vroeg in den morgen opstaan, om haar man zijn ontbijt te geven, eer hij naar zijn werk gaat; dan moet ze het huis schoonhouden en de kinderen verzorgen en voor ze naaien, en verder heeft ze de zorg voor de maaltijden met de bereiding van pillau of van kabobs tegen dat haar man thuis komt. In al dien tijd zit de rijke dame zich te vervelen in haar anderoen of brengt een bezoek aan een ander vrouwenverblijf, om een of ander schandaaltje te bespreken.

Het anderoen is dat deel van het huis, dat voor de vrouwen bestemd is, meestal het beste deel van de woning. De mannen houden er zich op, als hun werk is afgeloopen om verzorgd en bediend te worden door hun vrouwen. Rijke mannen, die meer dan één vrouw hebben, laten ze meestal afgezonderd van elkander wonen; maar vaak ook wonen twee vrouwen samen in één anderoen, zonder dat ze daarom nog veel van elkaâr houden.

De grootste en voornaamste oorzaken van jaloezie in het anderoen zijn de kinderen of liever het gemis aan kinderen. Bij voorbeeld komt een jonge bruid naar het huis van haar man, is voor een poosje de lieveling en favorite van den echtgenoot, en alles gaat goed; maar als er na eenigen tijd geen kind komt, om haar hart te verheugen, wordt de man zijn speelpopje spoedig moe en zoekt naar iets nieuws en mooiers, tot de jonge vrouw op een dag verneemt, dat haar man op 't punt staat, een andere vrouw thuis te brengen, om leven en huis met haar te deelen. Geen wonder, dat zij de nieuwe bewoonster van het anderoen gaat haten, vooral als die later een knaap het leven schenkt.

Er zijn veel ongelukkige anderoens; maar er komen ook uitzonderingen voor. Ik herinner mij een huis, waar twee vrouwen in vrede en geluk samenwoonden. Er was hier echter ook geen reden tot strijd, want ze waren beiden kinderloos, en haar echtgenoot was een aristocraat van omstreeks zeventig jaar, die twee jonge vrouwen had genomen, om zijn ouden dag te vervroolijken. Hij had een zoon van een van zijn vele vroegere vrouwen en hij hield dolveel van den jongen. Eenige maanden lang was de knaap ziek. Hij leed aan een hartaandoening en werd dag en nacht met groote toewijding verzorgd door de beide vrouwen, die werkelijk van hem hielden en innig bedroefd waren, toen hij stierf.

Door de ziekte van den jongen kregen wij de gelegenheid, twee dagen door te brengen in het anderoen van Khan Baba Khan. Wij woonden in Kerman en waren juist uitgegaan voor ons vacantie-uitstapje naar dien mooien tuin van Mahoen, toen er een dringende boodschap kwam bij mijn man van Khan Baba Khan, om hem te vragen, of hij bij den zieke wou komen. De oude man had zijn rijtuig gezonden, om ons af te halen met instructies voor den koetsier, om den dokter dadelijk te brengen naar den tuin aan de andere zijde van Kerman, waar de patiënt lag. Zoo gauw mogelijk gingen wij mee, maar konden dien avond nog alleen Kerman bereiken, waar wij sliepen, om den volgenden dag in den tuin van den Khan aan te komen.

Het was een prachtige tuin met veel boomen en stroomend water. Bij onze aankomst werden we naar de voor ons bestemde kamer gebracht, waar de arme zieke bij ons binnen werd gedragen. Hij zag er heel slecht uit, maar toonde nog veel vastheid van wil, en ieder gaf hem in alles toe, omdat zijn driftbuien heel nadeelig waren voor zijn gestel. Terwijl de dokter in een andere kamer voorschriften en medicijnen gaf, kwamen de beide dames bij mij en brachten een smakelijk maal, waarvan een gerecht van kuikens en pillau den hoofdschotel vormde. De dames trokken zich spoedig terug, en mijn man en ik lieten ons het eerste dîner in een perzische anderoen uitstekend smaken.

Na het eten bezocht mijn man den patiënt weer, en de dames kwamen, om onze kamer voor den nacht in gereedheid te brengen. Dat hield heel wat in. Vooreerst werd een groot muskietennet uitgehangen, door aan de vier hoeken lussen vast te maken en die aan den muur te spijkeren. Het benedengedeelte van het net rustte op den grond; daar werden de matrassen neergelegd, zoodat als men onder het net lag, men als in een afgesloten vertrek was geborgen. De beide volgende dagen bleven wij inderdaad daaronder zitten lezen en schrijven, daar we erbuiten het niet konden uithouden van de muggen en zandvliegen. Slapen op den vloer is volstrekt niet onaangenaam, en ik kan de noodzakelijkheid van bedden heelemaal niet inzien, tenzij er muizen of ratten in de buurt zijn!

Als in die dagen mijn man uit de kamer was, kwamen de dames dadelijk bij mij, om een praatje te maken. We werden groote vriendinnen, en die vriendschap duurde, tot wij eenige maanden daarna Kerman verlieten. Toen liet de Khan ons met zijn rijtuig naar Yezd brengen en toonde groote dankbaarheid voor wat mijn man voor zijn jongen had gedaan. Ongelukkig kon de zieke niet beter worden en na twee à drie maanden van lijden stierf hij.

Ik ben blij geweest met die beide dagen, die wij sleten in echte perzische huiselijkheid, want toen kon ik zien, hoe het leven er wordt geleid. Maar, zooals ik zei, dit was een buitengewoon gelukkig anderoen zonder intriges of gekibbel, als zoo vaak in die vrouwenverblijven voorkomen.

De kleeding voor binnenshuis is bij de perzische vrouwen in 't minst niet aantrekkelijk. Ze dragen een soort van wijd los jakje van heldere kleur en bij rijke vrouwen van zij of fluweel, en daaronder een heel kort rokje, niet langer dan dat van een balletdanseres. Vele jaren geleden droegen de vrouwen alle de schilderachtige, wijde pofbroek met een lang, golvend gewaad eroverheen; maar toen een van de vorige shahs Europa bezocht en de balletteuses zag, gaf hij bevel, dat de bewoonsters van den koninklijken harem datzelfde costuum moesten aannemen, en daar de koninklijke familie de mode vaststelt voor het land, hadden binnen korten tijd al de mohammedaansche vrouwen in Perzië die leelijke dracht aangenomen.

De eerste maal, dat ik die kleeding zag, was op den avond van den dag, dat wij in Ispahan aankwamen. Na het dîner gingen miss Stuart, de dochter van den bisschop, en ik op het dak van hun huis wandelen, toen er plotseling een vrouw boven den muur verscheen en met miss Stuart begon te praten. Ik kreeg lust, den anderen kant uit te kijken in de meening, dat de dame vergeten had, zich verder aan te kleeden, maar toen ik zag, dat mijn gastvrouw niet verbaasd leek, dacht ik wel, dat alles in orde was en schikte mij in het geval. Maar op het eerste gezicht is het zonderling, vooral als de dames de lange kousen hebben uitgelaten in heel warm weêr. Op het hoofd dragen ze een wit mousselinen kapje, met daaraan bevestigd een langen sluier of mantel, die achter ze aan wappert bij het door huis loopen en wel sierlijk staat. De dames houden niet van die korte rokken-mode, en ik kreeg herhaaldelijk verzoeken om patronen van japonnen, zooals ik droeg. Als ik gewild had, zou ik al mijn tijd hebben kunnen vullen met het maken van knippatronen of 't knippen van modellen. Dat deed ik voor een paar goede vriendinnen, maar verder zei ik, geen tijd te hebben, doch gaarne patronen te willen uitlenen.

Het costuum op straat is veel passender, al is het wel wat warm in de hitte. Het bestaat uit drie gedeelten; de groote wijde broek, die over de voeten valt en precies op den voet past; daaroverheen de wijde zwarte mantel, die bij de armen van katoen, bij de rijken van zijde is, en dan de sluier, vallend over het gezicht. Het is een lange lap wit katoen met openingen op de hoogte van de oogen, en vanachteren op het hoofd vastgemaakt met koperen, zilveren, gouden of juweelen spangen, naar rang en rijkdom van de draagster.

Een groep perzische dames zoo te zien, is een onvergetelijke aanblik. Ik kreeg veel invitaties voor verlovings- en huwelijksfeesten en kon ze niet alle aannemen, maar ging dan vaak eens een half uurtje kijken, om mij verder te excuseeren. Eens ging ik naar een trouwpartij in het huis van een der voornaamste mollahs in de stad. Ik was bij zonsopgang verwacht, maar ging om negen uur. Toen ik er kwam, waren de gasten er al eenige uren. De aanblik was prachtig. Twee groote zalen waren voor het feest bestemd ter eere van de bruid, terwijl de bruidegom in een ander huis receptie hield.

Toen ik de deur naar het anderoen was doorgegaan, kon ik het tooneel vóór mij bewonderen, dat kleurig was door de prachtige zijden en satijnen stoffen en de zijden sluiers, die in glans en schittering wedijverden. Er waren van regenboogkleurige zijde; andere, met bloemen bestikt of van weerschijnzijde, en het geheel werd iets van groote bekoorlijkheid. Elke getrouwde dame droeg een takje bloemen in het haar en vele hadden bouquetten rozen in de hand. Wij hadden onder onze bewondering haast vergeten, onze opwachting te maken bij de gastvrouw en deden het nu, waarna ons een plaatsje in het gezelschap werd aangewezen. Ik was dien dag de eenige Europeesche in de stad. Het gesprek werd spoedig hervat, en de dames beginnen met een reeks van vragen, zooals:

"Hoe oud is u?" "Leeft uw moeder nog?" "Waarom maakt u uw wenkbrauwen niet zwart?" "Is u gelukkig?" "Is uw man goed voor u?" "Houd u van hem?" "Hoeveel heeft uw japon gekost?" en zoo voort, precies als een troep kinderen, en als ge denkt dat ze niet meer weten te vragen, beginnen ze op nieuw. Er werd thee gepresenteerd, perzische thee in kleine kopjes, eigenlijk glaasjes. Het was een zoet, waterig vocht, want ze doen eenige klontjes suiker in het kopje, gieten er een lepeltje vol thee over en vullen verder aan met water, tot het glaasje in kopjevorm vol is. Toch is het wel prettig, eens te drinken, om den tijd te passeeren. Na de thee kwam sorbet van allerlei vruchtensappen en dan voor de afwisseling koffie.

Tegen den middag, toen wij allen, denk ik, erg moe en slaperig werden, kwam er een welkome verandering, toen er over de binnenplaats vrouwen kwamen aanloopen met enorme bladen op het hoofd, waarop allerlei gerechten stonden, een voorspel voor het dîner, dat werd aangekondigd. In de beide groote zalen zaten in ieder honderd gasten aan. Ik werd aan tafel geleid door de moeder van den bruidegom; de moeder van de bruid komt niet voor den dag, daar zij verondersteld wordt, door leed overmand te zijn om het verlies van haar dochter. De "tafel" is de grond, en wij moeten maar sierlijk op onze hielen gaan zitten. Een massa gerechten waren er, pillau's en kip en kabobs en groenten en vruchten, alle goed toebereid en smakelijk eruit ziend. Toen de gastvrouw den mohammedaanschen zegen, "Bismi 'llah" in den naam van God, had uitgesproken, begon het werk voor de dames, die dapper toetastten en nu weinig praatten, om zich niet te laten afleiden. Er waren lepels en vorken voor mij, maar ik had mij al geoefend en wou liever als de anderen met mijn vingers eten. Als een blijk van eerbied legde de gastvrouw soms stukjes vleesch van haar portie op mijn bord en eens stak ze als speciale hulde mij een heerlijk stukje kip in den mond.

Na het eten waschten wij allen onze handen in een kom, die werd rondgereikt en waarbij een meisje uit een kan geurig water over onze vingers goot. Daarna gingen we allen naar de ontvangzaal van 's morgens; thee en sorbet werden weer rondgediend, en de kalian of waterpijp ging van mond tot mond.

Maar waar was het bruidje al dien tijd? We hadden haar den heelen langen dag niet gezien, en toch was het feest te harer eer. Dien langen, warmen Junidag zat ze opgesloten in een klein kamertje, en tegen zonsondergang gingen vriendinnen en familieleden haar kleeden en haar van het hoofd tot de voeten behangen met sieraden van goud en edele steenen. Gouddraad werd door haar kapsel geweven, en zoo werd ze naar de zaal geleid en gezet op een stoel in het midden. Ieder ging naar haar toe en kuste haar met de woorden: "Moogt ge gezegend zijn." Het arme kleine ding, dat misschien pas dertien jaar was, zag er bedroefd en verlegen uit en bedankte toen haar iets werd gepresenteerd.

Zelfs als haar man goed voor haar is, nu zij tot slot van dien dag in een gesloten rijtuig naar zijn huis is gebracht, blijft ze beklagenswaardig en weinig anders wacht haar dan smart en ontgoocheling; komt ze misschien in een anderoen, waar reeds twee of drie vrouwen zijn, dan is haar leed niet te overzien. Zoodra een man een vrouw of meisje heeft getrouwd, is zij volkomen zijn eigendom, en hij mag met haar doen, wat hij wil. De schaduw van voorgevoeld leed ligt donker over de gezichten van die bruidjes, die haar moeders anderoen verlaten voor het onbekende lot, dat haar wacht en dat dikwijls gruwelijk is.

Een reis door de woestijn is bijna altijd belangrijk en ook niet onaangenaam. De meeste menschen worden door de woestijn aangetrokken, en wat merkwaardig is, men gaat er op den duur altijd meer van houden. Het is een wereld op zich zelf, die wijde oceaan van zand, een wereld, heel anders dan eenig verder deel van Gods aarde. Niemand kan reizen door de woestijn, zonder de majesteitelijke aanwezigheid Gods te voelen; alles spreekt van Hem in de wijde eenzaamheid.

Als men gezond is, goed weêr treft en in aangenaam gezelschap reist, is een tocht van twee of drie weken door de woestijn een genot; maar aan den anderen kant ken ik geen grooter ellende, dan verweg in de woestijn door ziekte te worden overvallen. Dan gevoelt ge, hoe volkomen hulpeloos ge zijt, als ge niet verder kunt reizen en toch niet blijven kunt waar ge zijt. Wij hebben de ervaring meer dan eens gehad op onze vele reizen.

De beste tijd is de vroege lente, vóór de hitte begint. Moet men in den zomer reizen, dan geschiede het des nachts, wat altijd vermoeiend is, omdat er overdag zoo weinig van slapen komt door de massa vliegen en muggen en ander opgewekt gezelschap. De rusthuizen in Perzië zijn onderscheiden in "mehman khanehs," "tsjappa khanehs" en karavanserai's. De eerste vindt men vooral tusschen Resjt en Teheran. Zij heeten te lijken op europeesche hôtels! Men krijgt er bedden en soms een kam en een tandenborstel! Den reiziger wordt een kamer aangewezen, waar de bedden voor elken gast gespreid zijn, en alles ziet er vuil uit. Ik houd veel meer van de gewone karavanserai, die men door geheel Perzië vindt. Ze zijn vaak gebouwd door een vroom en rijk man, die een goede daad wenscht te doen, om voor zichzelf naam te maken en een plaatsje in het Paradijs te verdienen. Er zijn wel zindelijker plaatsen op de wereld dan een karavanserai; maar nadat ge eenigen tijd op reis zijt geweest, raakt ge gewend aan een zeker quantum vuil, en ge verbaast u ten hoogste, als ge eens een vrij schoon rusthuis vindt.

Die karavanserai's zijn meestal in den vorm van een vierkant opgetrokken, met vertrekken om een binnenplein, waar in het midden de rustplaatsen liggen voor ezels, muildieren, paarden en andere dieren. Bij aankomst kiest ge het zindelijkste van de vertrekken, en uw bediende veegt het vuil en het stof naar een hoekje. Als het stof wat gezakt is, maakt ge uw kamer voor den nacht in orde, door een kleed op den vuilen grond uit te spreiden en uw bed en reistafels en stoelen klaar te zetten. Hoogst waarschijnlijk heeft het vertrek geen deur; dus slaat ge een paar spijkers en hangt een gordijn op voor den ingang, om al te onbescheiden blikken te weren van de naaste buren. Daarna gaat ge denken over uw avondeten, en uw bediende zendt ge uit om een kip, waarna een uurtje later een maal gereed is en ge niet lang daarna ter ruste kunt gaan.

De tsjappa khanehs of posthuizen zijn vaak wel wat zindelijker dan de karavanserai's. De dieren worden er vóór de deur gehouden, en wie "tsjappa" reist, wordt verondersteld, bij elk van die posthuizen versche paarden gereed te vinden; maar er komen meestal paarden en muildieren te kort, en uw slecht gevoed, vermoeid beestje moet nog maar verder mee, weer een etappe, dat is zoo iets tusschen vijftien en dertig mijlen. Mijn man reisde zoo eens van Yezd naar Kerman, een afstand van 250 mijlen in twee-en-een halven dag, om een engelschen dokter te bezoeken, die zwaar ziek lag aan typhus. Het was moeilijk rijden op de slechte wegen, en onder de paarden waren er blinde en lamme, terwijl ze alle slecht gevoed waren.

Die karavanserai's en tsjappa khanehs zijn meestal de eenige huizen, die ge te zien krijgt aan het eind van een etappe. Daar staan ze alleen in de wijde woestijnruimte, een baken over groote afstanden. In de fijne lucht zijn ze van heel ver te zien en lijken dichtbij, als ze nog ver verwijderd zijn. Eens deden wij een lastige ervaring op, namelijk dat we verdwaald waren. Wij waren op weg van Yezd naar Kerman en waren aan de tweede etappe. Wij hadden met den ezeldrijver afgesproken, dat hij op een bepaald uur in den morgen zou komen, maar toen wij uit onze kamer kwamen, vonden we nog geen spoor van een karavaan, gereed tot vertrek. Na wat omhangen, besloten wij niet langer te wachten, maar vooruit te rijden. Dit ging tegen onze gewoonte in, daar wij het altijd wijzer vonden, de karavaan vooruit te laten gaan; anders zanikten de drijvers den heelen morgen om. Maar voor een keer meenden we het wel eens te kunnen wagen, daar het licht was en de zon al gauw smoorheet zou zijn. Dus gingen wij met opdracht aan onzen bediende, om zoo gauw mogelijk te volgen. Wij kregen nauwkeurige inlichtingen, hoe we moesten rijden en dachten, dat we ons onmogelijk in den weg konden vergissen.

Buiten de stad, waar de woestijn begon, kwamen we aan twee wegen, een, die recht vooruit liep, en een, die naar links afboog. Wij besloten, den eersten te nemen, omdat die ook meer begaan leek. Dus reden we vroolijk voort. Mijn man zei al eens: "Ik hoop, dat we op den goeden weg zijn", en ik zei altijd: "O, dat zijn we stellig", en wees hem nu en dan het spoor van een andere karavaan, die pas was voorbij getrokken. Hoe het zij, wij waren niet op den goeden weg en we zagen het al spoedig tot onzen grooten schrik in. De zon brandde op ons neer, en het verbaasde ons, waar de bedienden en de karavaan toch bleven. Het werd later, en geen teeken van leven deed zich voor. In onze stijgbeugels staande, keken we steeds weer den horizon af; maar we konden niets ontwaren dan gloeiend zand. Toen begonnen wij in te zien, dat we den verkeerden weg waren ingeslagen en verdwaald waren. Verdwaald in de woestijn zonder een droppel water of een kruimel voedsel! Welk een gedachte! Wij konden niet teruggaan, en verder rijden zou erger dan nutteloos wezen. Na wat peinzen over wat het beste was, besloten wij voort te galoppeeren naar een heuveltje, dat we in de verte zagen. Dat deden we en bij het naderen van den top ontdekten we tot onze groote vreugde een klein plekje aan den horizon in de richting van waar wij waren gekomen. Dit "vlekje" werd al gauw een bewegend persoon en langzamerhand onderscheidden wij een man te paard, die hard galoppeerde. Toen paard en ruiter dichterbij kwamen, was onze dankbaarheid groot bij het herkennen van onzen eigen bediende, George. Als we ooit een hartelijk dankgebed opzonden, dan was het toen en uit de diepste diepten van ons hart klonk het "Alhamd' llillah", God zij lof, met de ernstige gelofte, nooit weer alleen van onze karavaan weg te rijden, als we niet heel zeker van den weg waren.

Onze bediende was zoo blij, dat hij ons daar veilig en wel zag, dat hij van vreugde schreide. Na lang treuzelen was de karavaan eindelijk van de tsjappa khaneh vertrokken juist bij zonsopgang. Ze waren verbaasd, dat wij zoo ver vooruit waren en dachten toen maar, dat wij gegaloppeerd hadden, om de plaats voor de lunch te bereiken, eer het warm was geworden. Toen ze op die plek kwamen, waren ze zeer verbaasd, ons niet te zien. George reed dadelijk terug naar het dorp, om te vragen. Hij ontmoette onderweg een man, die hem zei, ons in tegengestelde richting te hebben zien rijden, en terstond sloeg hij den aangewezen weg in, met het reeds vermelde gevolg. Bij het bereiken van onze karavaan waren we zoo goed als uitgeput door hitte en dorst, want we waren in de brandende zon buiten geweest zonder voedsel of water op de heetste uren van den dag.

De oude stad Nineveh, de vroegere hoofdstad van het Assyrische rijk, ligt aan den oostelijken oever van de Tigris. Er is van de eenmaal beroemde stad niet veel meer te zien dan hoopen aarde, tot hooge heuvels opgestapeld boven de plek van die historische en belangwekkende stad. Er zijn twee van die heuvels gescheiden door een klein riviertje. De eerste heet Koeyunjik en is het grootst; de andere draagt den naam van Nabbi Eunice. De eerste bevat de ruïne van het paleis van Sennacherib, aan wien Jona zijn bericht bracht; maar niets herinnert aan de vroegere pracht en weelde. Toen wij drie jaar geleden de plaats bezochten, was er een groote leeuw met een menschenhoofd overgebleven en wat beeldhouwwerk, dat in water zwemmende visschen voorstelde. Maar die zijn nu ook al verdwenen, want anderhalf jaar geleden verkocht de turksche regeering alle zichtbare resten van Nineveh ten behoeve van den bouw van woningen.

Nineveh kan men thans het best zien in het Britsch Museum of het Louvre te Parijs, want daar vindt men veel interessante overblijfselen van die stad. Nineveh werd voor eenige jaren gesloten voor verdere afgravingen, maar het is te hopen, dat in de naaste toekomst het onderzoek zal worden hervat, daar er nog dertien vertrekken van het paleis moeten worden bestudeerd. De andere en kleinere aardheuvel, bekend als Nabbi Eunice d. i. profeet Jona, was eenmaal de plek, waar een naar den profeet genoemde kerk stond, waar Jona moest hebben gepreekt. De kerk is er nog, maar wordt als moskee gebruikt.