Achter den Sluier in Perzië en Turksch Arabië De Aarde en haar Volken, 1917
Part 3
Dadelijk als mijn man mij eens alleen liet, kwamen alle vrouwen als bijtjes op mij af, om nieuwsgierige vragen te doen. Ongelukkig kon ik toen nog niet met ze praten, daar ik de taal niet kende; maar ik begreep toch meestal wel wat ze bedoelden door haar bewegingen. Mijn vulpen was een ding, dat veel verbazing wekte, net als mijn haarspelden. Het was grappig, hoe blij de vrouwen waren, als ik haar een paar haarspelden ten geschenke gaf. Ze schenen te meenen, dat ik ze in mijn hoofd stak als in een speldenkussen. Eerst waren de vrouwen nog al schuw, want ze wisten niet heel zeker, of ik een man was of een vrouw. Een van haar kwam eens onder mijn hoed kijken en toen ze het lange haar zag, kwam ze tot het besluit, dat ik een vrouw was. Mijn man kreeg een bezoek van een dorpsbestuurder, die het zeer interessant vond een engelsche vrouw te zien. Het speet ons zeer, toen onze vacantie in Natanz om was, maar daar we verlangden naar Ispahan te gaan, wilden we er niet langer blijven dan noodig was.
Onze daarop volgende vacantie was in den zomer van 1900. We gingen toen maar een klein eindje buiten Ispahan, naar een plaats op een paar uur rijdens afstands, Pulivagoon geheeten. Het was een heel aardig dorpje, en een mooi huis van den Zil es Sultan werd ons voor een maand afgestaan. Het huis was feitelijk boven de rivier gebouwd, en onze ramen zagen vlak op het water uit, zoodat het ruischen van de snel stroomende golfjes ons herinnerden aan strandgeluiden van het dierbare Engeland. Er waren een paar mooie bosschen in de buurt, waar we vaak met onze thee heen verhuisden en den tijd genoegelijk sleten met roeien en baden en visschen in de rivier.
Het volgend jaar waren we in Kerman en gingen in den vacantietijd naar een mooien tuin, zoowat negen uur rijdens van de stad. Mahoon ligt heel hoog, wel 6700 voet boven de zee. Het klimaat is heerlijk; maar voor mij was de hoogte te groot, dan dat ik er recht kon genieten. We hadden een zeer vermoeienden rit van Kerman. We vertrokken even na den middag en reden een uur of vier, om dan een verkwikkend kopje thee te gebruiken onder een grooten schaduwrijken boom. Maar lang konden we niet blijven, want we hadden nog de grootste helft van de reis vóór ons. Dus bestegen we weer onze paarden, hopend onze bestemming zoowat om negen uur te bereiken. Maar o, die hoop van ons! Negen uur kwam en ging en we schenen nog maar niet te zullen aankomen; tien uur en nog geen spoor van ons dorp. Het was nu pikdonker, en wij waren allen erg moe en hongerig. Ik was zoo uitgeput, dat ik haast niet rechtop kon zitten op mijn paard. Mijn man reed vlak naast mij, om klaar te zijn, als ik van slaperigheid eens van mijn rijdier mocht vallen. Op de altijd weer herhaalde vraag: "Hoe ver nog?" volgde steeds het antwoord: "Ensha' allah, maar een half uurtje nog." O, die halve uren, wat werden ze vervelend! Ik hoopte maar, dat ze eens zouden zeggen: "Twee uur of drie uur", voor de afwisseling, want dat herhaalde halve uur was zoo tantalizeerend.
Onze bedienden vertelden mij later, dat ze het maar zeiden, om den moed er bij mij in te houden, omdat ze dachten, dat het hart van de Khanoen in haar schoenen zou zinken, zoo zij de waarheid hoorde omtrent den afstand. Het was na middernacht toen we ter plaatse waren; het was zóó donker, dat we het pad naar den tuin niet konden vinden. Onze paarden struikelden over groote steenen of stapten in slooten, tot er ten laatste iemand was die ons terecht wees. In het huis hoorde ons vermoeid gezelschap, dat de pakdieren met Bagi, onze vrouwelijke bediende, en de anderen, nog niet waren aangekomen, ofschoon ze een paar uur vóór ons op weg waren gegaan. Ze kwamen eerst den volgenden morgen, zoodat wij niet anders konden doen dan gaan liggen op de planken van den vloer en zonder avondeten den nacht ingaan. Er was een pan in huis, waar we een verkwikkenden teug helder water uit konden drinken en toen gingen we rusten en sliepen spoedig zoo heerlijk, alsof we op donzen bedden lagen.
Wij werden den volgenden morgen om een uur of acht gewekt door het geluid van belletjes en wisten daardoor, dat onze karavaan was aangekomen. Terwijl ze aan 't ontladen waren, liepen wij den tuin in en verfrischten ons in het koele water, dat door den aanleg stroomde. Het was of was ten minste geweest een prachtige tuin; maar als alles in Perzië, werd het al meer een ruïne. Er was water in overvloed, vloeiend aan weerszijden, en fonteinen sprongen op de bovenste terrassen, zoowel als beneden in den tuin. De heele aanleg bestond uit een opeenvolging van terrassen met trappen van het eene terras naar het andere. De huizen en tuinen waren gebouwd door den heer Tarwan Tarma, toen hij gouverneur van Kerman was, en moeten handenvol geld hebben gekost.
Wij betrokken het hoogste huis in den tuin, en na eenige dagen kwam de consul uit Kerman en ging in een lager gelegen woning zijn intrek nemen. Wij brachten daar een zeer genoegelijke maand door met rijden, jagen en baden en gezellig verkeer. Mijn man opende een kliniek voor de dorpelingen, waar hij twee morgens elke week ging werken, en de menschen waren er zeer mee ingenomen, daar ze, meen ik, nooit een engelschen dokter bij zich hadden gehad. Wij maakten van onze vacanties altijd gebruik voor taalstudie, want mijn man kon daar bij zijn werk in de stad haast geen tijd voor vinden, en wij wilden beiden goed Perzisch leeren spreken. Ik moet zeggen, dat de Perzen altijd goed en geduldig waren bij onze vergissingen en nooit lachten om onze zwakke pogingen tot het voeren van een gesprek. Ongelukkig moesten wij, juist toen we wat op weg raakten met Perzisch, weer een nieuwe taal leeren, zoodat we ons Perzisch weer grootendeels vergeten hebben.
Onze laatste vacantie in Perzië brachten we door te Aliabad, een klein dorpje, tien uur rijdens van Yezd. Een neef van den overleden Shah, de Jalal ed Dowleh, stond ons tijdelijk een huis af, en daar het maar klein was, liet hij voor ons in den tuin een groote tent opslaan, die dienst deed als eet- en zitkamer. De Jalal stond ons ook zoolang een van zijn rijtuigen af, om van Yezd naar Aliabad te rijden. Het eerste deel van den weg was goed; we verlieten Yezd vóór zonsondergang en waren even vóór middernacht halfweg. Hier moesten de paarden rusten tot den morgen en wij brachten met toestemming van den eigenaar den nacht in een tuin door. Met een vacht op den grond uitgespreid, en een paar rijtuigkussens onder het hoofd, brachten we daar een heel goeden nacht door en werden in den vroegen morgen verkwikt wakker, gereed voor het tweede gedeelte van onze reis.
We vertrokken vóór zonsopgang, daar we onze bestemming wenschten te bereiken vóór de groote hitte. Ik zal dien rit nooit vergeten. Er was over heele einden zelfs geen schijn van een weg, en overal lagen groote steenen; het was mij een raadsel, hoe de wagen er overheen kwam. Maar o dat schokken en schudden! De pyramiden op te gaan in een rijtuig zou nog een heerlijkheid zijn, vergeleken bij dien weg. Wij hadden er spijt van, dat we het aanbod van het rijtuig hadden aan genomen. Op zulk een weg is men te paard veel beter af. Maar aan alle dingen komt een eind voor wie maar geduld heeft; zoo ging het ook met dezen rit, en wij waren heel blij, toen we omstreeks tien uur de boomen van ons dorp aan den horizon zagen. We vonden het huisje geriefelijk ingericht, en het ontbijt wachtte ons in de tent, daar onze bedienden vooruit waren getrokken, in plaats van in den nacht te blijven rusten.
Aliabad bestond zoowat uit een vijftigtal huizen, alle bewoond door Mohammedanen van nog al een dweepziek type. Aan alle kanten was het dorp omringd door bergen en heuvels, wat ons een ingesloten gevoel gaf. Na zonsondergang was het er dan ook vochtig en koud, want er lagen veel tuinen in dien tijd van het jaar onder water, de gewone manier van irrigatie. Ik wou graag kennis maken met de vrouwen uit het dorp, en dus maakte ik bekend, dat ik in den regel 's morgens in den tuin zou zijn en graag ieder, die mij zou willen bezoeken, zou ontvangen. Op die manier kreeg ik de meeste vrouwen te zien; maar er was over 't geheel niet veel uit ze te krijgen. Zoo zittend in den tuin, spraken we over den rozenkrans, dien de vrouwen bij 't gebed gebruiken, en vernamen toen een eigenaardige aanwending van dat voorwerp.
Het tellen van de kralen gebeurt namelijk ook om voorspellingen te doen, op de manier waarop in 't Westen de blaadjes van een madeliefje dienst doen. Men moest den rozenkrans met beide handen vóór zich uit houden en dan een willekeurig aantal van de kralen afzonderen, zijn oogen sluiten, gaan tellen onder het uitspreken van de mystische woorden "Adam, Eva, Satan," tot de laatste kraal bereikt is. Als het treft, dat die Adam is, gaat het geluk met u mee; valt de laatste op Eva, dan blijft het lot neutraal en uw wensch kan al of niet worden vervuld, terwijl Satan het ongeluk aangeeft, zoodat de teller een voorgenomen plan gerust kan opgeven.
Het kwam vaak voor, dat we vrouwen zagen, die haar kralen telden en in zichzelf mompelden: "Adam, Hava, Sjaitan, Adam, Hava, Sjaitan," ook wel in ons hospitaal, vóór ze de medicijn al of niet innamen. Of een patiënt werd door den dokter een operatie aangeraden, en hij ondervraagt zijn kralen, of hij des dokters raad zal volgen of niet. Het is echter een feit, dat, als ze heel erg verlangen iets te doen, ze er wel een middeltje op weten, om bij Adam uit te komen, of anders blijven ze maar door tellen, tot de gelukkige naam komt, en dan is alles in orde.
Toen wij eenige dagen in Aliabad waren geweest, bracht de prinselijke gouverneur van Yezd zijn anderoen of vrouwenvertrek over naar dezelfde plaats. Natuurlijk was er geen plaats voor de dames in het dorp, zoodat er een stadje apart werd ingericht. Het ontstond in één nacht, en des morgens leek het, alsof een groot gezelschap soldaten voorbij was gekomen en hun kamp bij ons had opgeslagen. Het kwartier voor de dames bestond uit twintig groote tenten, omsloten door een hoogen, linnen wal, die haar geheel van de buitenwereld afsloot. De gouverneur had zijn ontvangtent en ook andere tenten buiten het zeildoek, maar dicht in de buurt.
Een paar dagen na de aankomst zond de prinses haar rijtuig, om mij af te halen, met het verzoek, of ik haar een bezoek wilde brengen, wat ik met genoegen deed. Ik vond haar in haar huiselijkheid en gekleed in een mooi zijden gewaad. In het vervolg liet ze mij geregeld driemaal per week halen, en wij praatten en wandelden samen. Als we aan een tuin kwamen met groenten en vruchten, stapten zij en de dames-begeleidsters altijd naar binnen en aten van de vruchten, blij met het toevallige picnic, zonder een oogenblik te denken aan den armen eigenaar, die de opbrengst van zijn tuin zag verminderen.
Een tweetal eunuchen liep altijd vooruit, wanneer de prinses ging wandelen, om de mannen weg te jagen, die op haar pad mochten verschijnen. Op een dag veroorloofde haar gemaal haar, mij een bezoek te brengen. Dit was de eerste maal, waarop het haar werd vergund, een bezoek af te leggen. Het speet mij, dat wij niet in ons eigen huis waren, omdat ik haar graag de gezelligheid van een engelsch home zou hebben laten zien. Maar wij maakten onze woning zoo knap en gezellig als 't kon voor haar ontvangst. Mijn man moest natuurlijk worden verbannen en ook alle mannelijke bedienden. Bagi, onze meid, maakte alle lekkernijen gereed, maar de eigen bedienden van de prinses presenteerden ze haar, daar Bagi een Parsi-vrouw was, en het zou ontwijding voor een Mohammedaansche zijn geweest, om voedsel aan te nemen uit de hand eener volgelinge van Zoroaster.
De prins bracht het grootste deel van zijn tijd op de jacht door, en mijn man ging verscheiden keeren met hem mee. De sport leek niet bijzonder interessant, want de Jalal nam zoo'n dertig of veertig volgelingen mee, die een soort van cordon vormden om de plek, waar zich gazellen ophielden. Ze sloten de dieren dan in al engeren kring, tot de dieren te zien kwamen en alle ruiters erop inreden en links en rechts schoten. Wij werden in dien tijd zoo overvloedig van wild voorzien, dat ik er voor altijd genoeg van kreeg.
Vlak bij Aliabad waren groote kelders, waar de dorpelingen bevroren sneeuw hadden bewaard, zoodat wij zelfs midden in den zomer elken dag over een groot blok ijs konden beschikken. Het was een prettige tijd, en het speet ons dat die vacantie om was en we naar de broeihitte van Yezd moesten terugkeeren.
Het leven van Europeanen in Perzië is zeer verschillend naar gelang van de stad, waar men woont. In sommige plaatsen is vroolijkheid en drukte genoeg, terwijl die elders totaal ontbreken. In Teheran, waar onze legatie is gevestigd, is de levendigheid het grootst. Ook in Ispahan is een groote europeesche kolonie. Toen wij er in 1900 en in 1903 waren, hadden een vijftigtal Europeanen het er heel gezellig en aardig. Van Ispahan gingen wij naar Kerman, waar wij vijf à zes maanden lang de eenige vreemdelingen waren; maar ofschoon er niemand was, wien wij visites moesten maken of behoefden te ontvangen, waren we er zeer gelukkig. Later werd er een engelsche consul benoemd, wat ons veel genoegen deed, en het was een blijde dag, toen ik een europeesch "at home" kon openen, waar elken Woensdag onze consul de vaste en eenige bezoeker was. Hij verlangde altijd erg naar huis en hield van al wat hem het dierbaar vaderland te binnen bracht.
Bij één gelegenheid hadden we zelfs vier Engelschen te eten, daar er een paar reizigers gelijktijdig door Kerman trokken, van wie de eene Savage Landor was, die ons hartverscheurende verhalen deed over zijn verblijf onder de Thibetanen. Kort vóór ons vertrek kwamen er twee engelsche dames, zoodat de gezelligheid in Kerman toenam, en tegenwoordig wonen er heel wat Europeanen, consuls van verschillende naties, en verder zendelingen en beambten van banken en van de telegraaf.
Bij onze komst in Kerman hadden we groote moeite met het huren van een huis. Er waren genoeg menschen, die ons hun huis lieten zien en ons verzekerden, dat al wat ze bezaten het onze was, om mee te doen wat we wilden; maar als het er dan op aan kwam, definitieve schikkingen te maken, viel het heel anders uit. Zoolang er enkel gepraat moest worden, waren de verschillende huisheeren bereid tot alle mogelijke beloften; maar er kwam niet veel van terecht, als men de bepalingen op papier wilde zetten. Ten laatste kozen we een huis buiten de stad met een mooien, grooten tuin, al had het huis zelf maar twee kamers, die er nog al vervallen uitzagen.
De huisheer, een Parsi beloofde te verbouwen volgens onze aanwijzingen en de huur van de eerste drie jaren te besteden voor verbetering en uitbreiding van de woning. Het gevolg van die mooie schikking was, dat er den langsten tijd van ons verblijf in Kerman gebouwd werd, en toen wij zoowat klaar waren om te vertrekken, was alles gereed. Onze zendelingen zijn er later blijven wonen.
Onze tuin was heel groot, maar de helft slechts was aangelegd. We hadden gehoopt aan het eind een tennisveld te krijgen; maar het kwam niet gereed. Alle steenen voor het bouwen werden gemaakt van den tuingrond zelf. Het proces is zoo eenvoudig mogelijk. Water wordt met de aarde vermengd, tot het een dikke pap is geworden; dan geeft men aan de brokken den gewenschten vorm met behulp van een houten bakje en laat ze in de zon drogen. Soms wordt er stroo door de brij gemengd, als het noodig is zeer sterke steenen te hebben.
Dadelijk toen we ons huis betrokken, bemerkte ik tot mijn schrik, dat het vol zat met witte mieren. Dit was mijn eerste ervaring met die ellendige dingen, en ik hoop dat het mijn laatste mag blijven. Ze zijn vernietigers van iemands geestkracht, want als ze eenmaal in een huis zijn, is het onmogelijk, ze kwijt te raken, en de eenige hoop, die u overblijft, is door onophoudelijken strijd ze een beetje in bedwang te houden. Ik herinner mij nog zoo goed den dag toen ik voor het eerst kennis maakte met die schadelijke beestjes. Ik was er met veel moeite in geslaagd, onzen salon in orde te krijgen en, alles wel beschouwd, gevoelde ik mij voldaan; het was er wel niet weelderig, maar toch keurig en gezellig. Helaas, hoe spoedig zou mijn trots worden gebroken! Na een paar dagen vroeg mijn man naar een boek en toen ik het van de plank nam, waren er groote gaten in gebeten! Ik ging aan het zoeken en vond de kamer vol van die beesten, onder het karpet, achter de schilderijen, diep weggedoken in boeken. En overal waar ze waren, schenen ze het naar hun zin te hebben. Van dien dag af tot den dag van ons vertrek hield ik niet op die alomtegenwoordige mieren te bestrijden.
Er werden twee nieuwe vertrekken bij gebouwd, en ik zei tegen mijn man: "Een geluk, dat er geen mieren in de nieuwe kamers kunnen zijn!" Maar, helaas, mijn hoop bleek ijdel. De bouwers hadden een oud stuk als balk gebruikt, waar de zoldering op rustte, en dit zat vol witte mieren, zoodat die dieren binnen heel korten tijd ook die kamer hadden, om pret in te maken. Ik beproefde allerlei middelen om ze kwijt te raken en vond nog het meest doeltreffend het brengen van petroleum in gaten, waar ze uit kwamen. Ze verdwenen dan daar, maar hadden al gauw weer een nieuwe opening geboord, om weer een uitweg te hebben. Een engelsch ingenieur, die in Kerman kwam, vertelde, dat hij, toen hij in Indië woonde, een huis bouwde en vóór hij de fundamenten legde, loofde hij hooge premies uit voor ieder die een mierenkoningin inleverde, want zoolang de koningin van een nest blijft leven, kan men ze niet uitroeien.
De witte mieren en de bedienden waren in Kerman mijn grootste zorg. Het personeel, dat wij uit Ispahan hadden meegebracht, weigerde in zoo'n afgelegen plaats als Kerman te blijven, en al heel spoedig zeiden ze, de een na den ander, ons den dienst op. Toen aan het zoeken, wat in Kerman allermoeilijkst was. Men kan haast geen fatsoenlijk dienstpersoneel krijgen, en een groot bezwaar is, dat het allen opiumrookers zijn. Gelukkig hadden wij Bagi, onze trouwe Parsivrouw, die er zoo schilderachtig uitzag met haar wijde broek als een zak, daarboven het kleurige overkleed, dat tot op de knieën hing en de vele hoofddoeken, die de leer van Zoroaster voorschrijft.
Toen wij pas in Kerman kwamen, had men mij gezegd, dat ik vooral niet door de bazars moest rijden; men had daar nooit een Engelsche gezien. Ik mocht te paard buiten de stad gaan en de bazars uit de verte bekijken; maar dat was mij niet voldoende, en zoodra wij wat op orde waren, vroeg ik mijn man, mij de bazars te laten zien. Dus reden wij op een middag uit voor een experiment en namen twee bedienden mee, die vóór en achter ons liepen. Ik zal niet ontkennen, dat toen wij de sombere, donkere poorten doorgingen, mijn hart wel wat sneller klopte dan te voren, als ik dacht aan al de gruwelijkheden, die mij verteld waren over wat er kon gebeuren met een Engelsche, die openlijk in de bazars werd gezien. Natuurlijk had ik uit voorzorg een dichten sluier voorgedaan. Er gebeurde niets; maar bij een tweede bezoek had juist het Moharramfeest plaats, en toen werd de zaak opwindender. De optocht was afgeloopen, toen wij rustig door de bazars reden, maar een groep van de deelnemers kwam met bebloede hoofden en handen terug van den tocht, waarbij zij zichzelven allerlei wonden toebrengen in hun godsdienst-extase. Ze hadden hun zwaarden en dolken nog in de handen. Onze bedienden waren doodverschrikt en wendden de koppen onzer paarden in een nauw steegje, in de hoop, dat de menschen ons niet zouden zien. Maar dat gebeurde wel en "Feringhi feringhi!" (vreemdelingen) werd er geroepen. De massa ging toen vóór het straatje, waar wij stonden, haar dansen uitvoeren, die een woesten, griezeligen indruk maakten met de blinkende zwaarden en de gillende, schreeuwende en dansende mannen. Wij waren blij, toen ze na eenige minuten verder trokken, voldaan dat ze voor de vreemdelingen hun voorstelling hadden gegeven. Na die ervaring begreep ik wel, dat er geen reden was voor vrees, en van dien tijd af liep en reed ik vrij in en door de bazars.
Perzen zijn dikwijls de Franschen uit het Oosten genoemd. Ze zijn inderdaad een zeer beleefd volk, voor het uiterlijk ten minste, en ze zijn meesters in het maken van complimenten. Maar voor een nieuweling is het niet juist gemakkelijk, te leeren hoe ver die vleierij moet gaan, en het is haast even verkeerd iemand te veel te vleien als hem te weinig eer te geven. De kunst is te weten, wat aan ieders rang toekomt. Als gij iemand wilt bezoeken, schrijft ge, dat ge uzelf wenscht te eeren door zijne hoogheid te bezoeken en krijgt ten antwoord, dat ge als 't u blieft, uwe waardigheid moet doen verschijnen. Toch is het jammer, dat de aanzienlijke Perzen meer en meer europeesche manieren aannemen, want die passen lang niet zoo goed voor deze oostersche Franschen als hun eigen zeden en gewoonten.
Toen wij in Kerman waren woonde er een gouverneur, die lang in Europa was geweest en graag alles à la Feringhi deed. Hij hield veel van engelsche afternoon tea's, van eigen gebakken koekjes en zoo meer. Wij kregen al gauw een uitnoodiging voor een diner in de volgende week. Op den vastgestelden avond kwam een rijtuig en bracht ons naar de "Arg", zooals het gouvernementshuis heet. Wij vonden daar een prachtig diner, voorgediend in franschen stijl met omstreeks twintig gerechten van uitstekend toebereide schotels. Na den maaltijd werden we geamuseerd door perzische zangers en muzikanten. Onze gastheer was een neef van den gouverneur, die excuses maakte over de afwezigheid van zijn oom. Deze zou volgens hem een hevige koorts hebben opgedaan, zoodat hij niet aan tafel kon verschijnen. Wij hoorden later, dat de ware reden van zijn wegblijven niet koorts was, maar vrees om te worden uitgelachen. Hij wist hoe de dingen moesten gebeuren naar europeeschen trant en was bang, dat hij niet alles in voorraad had, om een diner naar den eisch te geven. Daarom gaf hij er de voorkeur aan, zich maar niet te vertoonen.
Maar toen hij merkte, dat alles voortreffelijk in orde was, en dat het eerste diner een succes was geweest, besloot hij een tweede te geven, en een week later kregen wij weer een uitnoodiging. Dien keer zat de gouverneur zelf aan het hoofd van de tafel en nam de honneurs naar eisch waar. Er was niets waar hij zich over behoefde te schamen, want alles had in volmaakten franschen stijl plaats. Van de soep tot het dessert, met alle tusschengerechten, werd alles voorgediend op zeer mooi porselein, en het kristal zoowel als de tafelversiering zou op geen enkele europeesche tafel hebben misstaan.
De gouverneur van Yezd daarentegen hield er meer van, het perzische gebruik te volgen, en ik heb veel genoegen gesmaakt aan een diner met zijn gezin. Alles werd toen naar den ouden perzischen trant voorgediend en genuttigd.
Terwijl ik in Perzië was, had ik volop gelegenheid, goed bekend te worden met enkele mohammedaansche vrouwen. Vóóral in Kerman bestond die gelegenheid, daar ik er eenigen tijd de eenige Engelsche was, zoodat de vrouwen zich tot mij moesten wenden, om iets te zien en te hooren van het leven der Feringhi's. De perzische vrouwen zijn veel levendiger en natuurlijker dan haar arabische zusters; maar toch geef ik in 't algemeen aan de laatste de voorkeur; misschien ook doordien ik meer met ze te doen heb gehad. De perzische dame is dadelijk, als ze u ziet, klaar met veel complimenten, terwijl de strengere Arabische zich den tijd geeft, om te zien, of ge een betrouwbaar persoon zijt of niet. Als zij dan na eenigen tijd u genegen blijkt te zijn, is haar toenadering ook de moeite waard.