Achter Den Sluier In Perzie En Turksch Arabie De Aarde En Haar
Chapter 7
De bewoners van Mosoel zijn over het algemeen een eenvoudig slag van menschen. Zij zijn gemakkelijk te vermaken; men wint licht hun hart; maar ze winden zich ook spoedig op tot drift. Meestal zijn ze goedgehumeurd en geduldig en, in aanmerking nemend, hoezeer bij hun opvoeding de lessen in zelfbeheersching worden verwaarloosd, moet men erkennen, dat ze minder voet geven aan hun hartstochten, dan men zou verwachten.
Ze hebben veel maatschappelijke verplichtingen en zijn gezellig van aard, houden ervan, verhalen te vertellen en ernaar te luisteren onder het drinken van koffie en het rooken van een pijp. Ongelukkig drinken ze niet alleen koffie, en al die gezelligheid leidt tot drankgebruik. Arak vooral wordt veel gedronken, zoowel door Christenen als door Mohammedanen. Het is een sterk vocht, dat in Mosoel wordt bereid door Christenen en Joden en door hen aan de Mohammedanen wordt verkocht. Geen feest of welke plechtigheid ook kan er zijn, of er moet arak bij. Bij huwelijken, begrafenissen, maaltijden wordt dat vuurwater geschonken. Het spijt mij te moeten zeggen, dat de vrouwen ook drinken, maar lang niet zoo algemeen als de mannen.
Natuurlijk wordt het als groote zonde beschouwd voor een Mohammedaan, om wijn of sterken drank te gebruiken, daar beide in den Koran verboden zijn; maar hun liefde voor den arak is in veel gevallen sterker dan die voor den Koran. Een Mohammedaansche in Mosoel vertelde mij onlangs, dat ze niet dacht, dat er één Mohammedaan in Mosoel was, die niet nu en dan wijn of arak dronk. Ik hoop, dat zij overdreef; maar de neiging, om zich voor de drinkgewoonte niet te schamen en er met minder bezwaar toe over te gaan, wordt steeds algemeener. Het is een droevige gedachte, dat de Christenen in de stad de vervaardigers en verkoopers zijn van wijnen en sterke dranken, en dat zij verantwoordelijk zijn voor het gebruik in Mosoel.
Opmerkelijk is het, hoe bijgeloovig de menschen in Mosoel zijn. Onze meid Judy is ook een vrouwtje, vol van bijgeloovige denkbeelden. Toen wij in Mosoel woonden, kreeg ik het treurige bericht van den dood van mijn vader. Toen ik mijn smart liet blijken was de arme Judy dood ongelukkig, omdat ik bij te diepe of te zeer aan den dag gelegde droefheid God wel eens kon tarten, om ook mijn man weg te nemen. Daar er veel primitiefs is in de kleermakerskunst van Mosoel, wou ik sommige stukken zwart laten verven. Judy wou daar niet van hooren en zei, dat alleen weduwen zwarte kleeren moesten dragen, en dat ik, als ik zwart ging dragen voor mijn vader, zeker ongeluk over mijn man zou brengen.
Een ander voorbeeld van haar bijgeloof. Ze zou er zich wel voor wachten, over onze voeten te stappen! Op zomeravonden zaten wij in onze veranda, die nog al smal was, en als we bij toeval onze voeten zetten op een voetkussen vóór ons, bleef er weinig plaats over, om te passeeren. Ik kon eerst niet begrijpen, waarom Judy nooit daarlangs ging, als ze aan dien kant de kamer moest ingaan, tot ze mij eens vertelde, dat zij, als ze over onze voeten stapte, gevaar liep, ons leven af te snijden, en dat het, als wij stierven, dan haar schuld zou zijn.
Het is verbazend, hoe dom bijgeloovig ook de menschen van de hoogere standen zijn. De vrouw van een zeer rijken christelijken koopman in Mosoel had een kind, dat hevig aan de oogen leed. Zij bracht den jongen naar het hospitaal; maar toen ze merkte, dat de behandeling hem pijn deed en aan het schreien bracht, hield ze hem thuis. Wij hoorden later, dat ze een griezelig middel had toegepast, door bijgeloof voorgeschreven. Er werd een schaap gekocht en geslacht, en het kind moest met het hoofd midden in het doode dier gaan liggen en het er een kwartier houden. Kan men zich iets weerzinwekkenders voorstellen? En toch zijn dit rijke en op den voorgrond tredende leden van de gezellige wereld in Mosoel, die werkelijk geloofden, op die manier de oogen van hun kind te genezen. Onnoodig te zeggen, dat de gewenschte uitwerking uitbleef, en maanden later brachten ze het kind weer. Door de ervaring wijzer geworden, lieten ze den dokter zijn gang gaan met het gevolg, dat na twee maanden van dagelijksche behandeling de oogen totaal genezen waren.
Ik weet niet, wat het voordeel is van het dooden van een schaap of een geit, maar in Mosoel doet men het bij allerlei gelegenheden. Bij onze terugkomst van Beiroet, toen we drie maanden uit waren geweest, werd een levende geit ons tegemoet gezonden in de woestijn, en toen wij uit het rijtuig stapten, werd het arme beest vlak vóór onze oogen doodgestoken. In Perzië was het zelfs bij de Armeniërs gewoonte, bij een huwelijk een schaap te dooden juist als bruid en bruidegom over den drempel van hun nieuwe woning gingen. Het werd niet als gelukkig beschouwd, indien de bruid niet juist haar voet had gezet in het bloed. Ik geloof, dat in Mosoel ook bij trouwpartijen op deze manier een schaap wordt geslacht, maar ik heb het nooit bijgewoond.
Als een vrouw graag moeder wil worden, zijn er allerlei bijgeloovige methoden, waar ze haar toevlucht toe kan nemen; maar de meest algemeene is die van Sjeik Matti. Dat is een klooster, dat een twaalf uur rijdens van Mosoel verwijderd is op een eenzaam gelegen berg. De vrouw doet een pelgrimtocht naar die plaats, en men zegt haar dan, dat zij een nacht moet doorbrengen in de eenzame kapel daarboven. In haar slaap zal een engel het gebouw bezoeken, en als haar gebed zal worden verhoord, zal hij een appel bij haar hoofd leggen. Wil de engel bijzonder vriendelijk en welwillend zijn voor de vrouw, dan zal hij twee of zelfs drie appels neerleggen, en het aantal appels zal aanduiden, hoeveel kinderen haar zullen worden geschonken. Vreemd genoeg, hebben die engelenbezoeken nooit plaats, als er niet een zeer voldoend aantal bakschisch is gegeven, om ze uit te lokken!
Er zijn ook een massa bijgeloovigheden aangaande medische behandeling van ziekten en ongelukken, maar die verdwijnen tegenwoordig snel, nu de menschen de europeesche behandeling beter leeren kennen. Door ervaring leeren ze, hoeveel beter de engelsche methode is dan de hunne. Zoo bij voorbeeld was het algemeen de gewoonte van koortslijders, naar den mollah te gaan, die zijn handen op het hoofd van den zieke placht te leggen onder het lezen van eenige Koranverzen. Als de koorts niet dadelijk week, wel, dan was dat de schuld van de koorts, niet van den mollah. Ik meen wel, dat koortspatiënten beginnen te begrijpen, dat engelsche medicijnen meer helpen dan handopleggingen van den mollah.
Als iemand door een dollen hond is gebeten, wat, het aantal straathonden in aanmerking genomen, niet dikwijls gebeurt, gaat hij dadelijk naar den sjeik, die hem een tegengif zal geven. Dit bestaat in een dadel, waar de steen uit is genomen, en waar de sjeik twee- of driemaal in heeft gespuwd, om de opening te vullen, waar de pit heeft gelegen. Heeft de gebetene die vrucht opgegeten, dan behoeft hij niet meer bang te zijn voor het krijgen van hydrophobie.
Droomen en vizoenen hebben grooten invloed op den oosterschen geest. De menschen gelooven stellig, dat God daardoor dikwijls tot zijn kinderen spreekt en ze gebruikt als waarschuwing voor dreigend gevaar of als een stem, die leering geeft. Kort geleden kwam een mohammedaansche vrouw in het hospitaal, lijdende aan dubbel cataract. Ze was al vele jaren blind geweest en verlangde naar een operatie. Ze zei, dat, als ze maar genoeg kon zien, om het erf aan te vegen, dat ze dan wel in haar onderhoud kon voorzien. De dokter onderzocht haar oogen en deelde de vrouw mede, dat hij niet voor het resultaat kon instaan, omdat haar oogen niet gezond waren. Maar daar ze totaal blind was, kon men het probeeren, en misschien zou ze zooveel kunnen onderscheiden, dat ze zich alleen kon redden. Dus werd ze in het hospitaal opgenomen, om op geschikten tijd te worden geopereerd. Het was een hartelijke, gevoelige vrouw met veel intuïtief waarnemingsvermogen. Als ik de deur van haar zaal maar naderde, riep ze reeds, vóór ik nog een woord had gezegd: "Daar is mijn khatoen!" Soms sloop ik stil binnen, om eens te zien, of ze zou merken, dat ik in het vertrek was. Dat deed ze bijna altijd en als ze opzat in bed, luisterde ze gespannen, of ze mij hoorde en zei dan tot een van de andere zieken: "Is de khatoen niet hier?" Voelde ze dan mijn hand, dan greep ze die en zei: "Ik wist het; ik voelde het hier!" Daarbij wees ze op haar hart. Zij was zoo opgewonden, dat mijn man bang was, haar de een of andere dwaasheid te zien doen òf vóór de operatie òf erna. Hij waarschuwde haar, dat, als ze zich niet rustiger hield, ze haar oogen wel heelemaal kon verliezen; maar bij het naderen van den gewichtigen dag werd ze al zenuwachtiger. Op een morgen echter vonden wij haar heel kalm en ze haastte zich, ons de reden van haar rustigen gemoedstoestand mee te deelen. In den nacht had ze een vizioen gehad, dat al haar vrees had weggenomen en haar geloovig vertrouwen had geschonken.
In haar droom was het, of ze in de woestijn liep, waar ze een mollah ontmoette, die haar uitschold en haar vervloekte. Toen ze wilde vluchten, zag ze een gestalte naar haar toe komen, die zij wist, dat Onze Heer Jezus was, den Levende, zooals hij in 't Arabisch heet. Hij sprak vriendelijk tot de vrouw en vroeg haar, waarom ze weende. Zij antwoordde den Heer, dat de mollah hard tegen haar was geweest. In haar droom zag ze toen, hoewel ze blind was, dat de Heer zich tot den mollah wendde en hem berispte, omdat hij de vrouw gehinderd had, en tot de verbaasde vrouw sprak hij: "Ween niet, mijn dochter, want de engelsche dokter zal u binnen weinige dagen het gezicht teruggeven." Toen verliet Hij haar. Zij ontwaakte vast overtuigd, dat dit een bijzondere openbaring van God was door Jezus, onzen Heer, om haar te verzekeren, dat ze het gezicht terug zou krijgen. Van dat oogenblik af was ze volkomen rustig en bleef dat al den tijd van haar verblijf in het hospitaal.
Den dag vóór de operatie werd ze weer gewaarschuwd, dat ze misschien niet beter zou worden, maar ze glimlachte en zei: "Morgen kan ik zien!" Haar vertrouwen werd niet beschaamd, daar de operatie goed gelukte, en na twee of drie weken kon ze vertrekken met één volkomen ziend oog, terwijl het andere later werd geopereerd.
Eens reisde mijn man met de post of tsjappa van Yezd naar Kerman, toen hij op een avond tot zijn grooten schrik bemerkte, dat hij zijn gouden horloge en ketting had verloren. Aan beide was hij zeer gehecht om de eraan verbonden herinneringen, dus speet het hem erg, dat hij ze moest missen. Dienzelfden avond ontmoette hij een anderen Engelschman, die naar Yezd terugkeerde. Hij deelde hem zijn verlies mee en vroeg hem, onderweg te willen informeeren, terwijl hij een belooning uitloofde voor ieder, die hem het verlorene terugbracht. Zijn vriend beloofde, te doen wat hij kon en riep toen zijn bediende, wien hij het geval vertelde, hem radend, goed op te letten op ieder, dien ze onderweg mochten zien. De bediende was een slimme baas. Den volgenden morgen ontmoetten ze een kameelkaravaan op den weg naar Kerman, en de bediende stapte op den drijver toe met de woorden:
"Gij, edele broeder, mocht uw goedheid nooit verminderen; mijn slaap is dezen nacht gestoord geworden door droomen van u."
"Estakfarullah!" (God verhoede het) zegt de kameeldrijver. "Waarom werd mijns heeren slaap gestoord door droomen over mij, die een onwaardige ben?"
"Ja, ik zag in mijn slaap u bukken en iets oprapen."
"Dan was uw droom verkeerd," zei de kameeldrijver snel, "want ik heb niets opgeraapt."
"Zie, in mijn droom," ging de slimme bediende voort, "zag ik, dat het ding, hetwelk door u werd opgeraapt, niet veel waarde had en maar een goedkoop iets is, waar ge geen voordeel van zult hebben."
Toen de kameeldrijver bedrukt keek, ging de bediende voort: "Maar de eigenaar van dat waardelooze ding zou het zeer gaarne terugvinden, daar het, ofschoon het geen waarde in geld vertegenwoordigt, hem zeer lief is als een aandenken."
"Maar ik zei u," herhaalde de kameeldrijver, "dat ik niets heb opgeraapt."
"In mijn droom," vervolgde de knecht, zonder op de herhaalde ontkenning van den drijver te letten, "zag ik u kijken naar het waardelooze voorwerp in uw hand en het toen wegstoppen in uw ala (jas)."
"Nee, nee," riep de drijver, "ik heb niets opgeraapt."
"Dus als je mij wilt aanwijzen, waar het is, kan ik je van het waardelooze voorwerp wel afhelpen."
Na nog wat heen en weer praten haalde de kameeldrijver het horloge en den ketting van mijn man te voorschijn en kreeg daarvoor een kleine fooi. De bediende was heel tevreden over den loop van zaken en over zijn eigen slimheid en dacht met welbehagen aan de uitgeloofde belooning van vijf tomans, dat is een pond sterling. De kameeldrijver bekende later, dat hij er zoo van geschrikt was, te hooren, dat zijn daden in een droom aan dien man waren geopenbaard, dat hij voor geen geld van de wereld het horloge had willen houden.
Onnoodig te zeggen, dat de droom maar een gefingeerde was, een bedenksel, om invloed te krijgen op den bijgeloovigen geest van den kameeldrijver.
In Mosoel vertelde het hoofd der Seyeds eens aan den dokter een geschiedenis van een merkwaardigen droom. Het ging aldus. Twee mannen bezochten eens een mollah, om hem een vraag te stellen over een punt, dat hen lang had beziggehouden. De oorzaak van hun verschil van meening was de volgende. Als ze naar hun werk gingen iederen dag, gingen die mannen een ladder voorbij, die tegen den muur stond. Een van hen beiden vermeed het altijd, eronder langs te gaan, opdat de ladder niet zou vallen en hem dooden, terwijl de ander zei: "Nee, ik loop niet weg voor het gevaar, want wat Allah heeft besloten, geschiedt. Als het geschreven is, dat ik door de ladder moet sterven, zal dat gebeuren." Nadat de beide vrienden veel tijd hadden zoek gebracht met die netelige vraag, besloten ze de zaak den mollah voor te leggen en zijn beslissing in te roepen. De mollah liet beiden uitspreken; maar zei toen, dat zulk een moeilijk vraagstuk veel overweging vereischte. Hij bepaalde een dag, waarop ze terug moesten komen en zijn uitspraak zouden vernemen. Na hun vertrek viel de mollah in slaap, en in zijn slaap droomde hij. In den droom zag hij een schoonen knaap, den zoon van een koning, aan wien hij zeer gehecht was. Later ontmoette hij een vreemdeling, die hem zeide, dat hij, de mollah, den dood zou veroorzaken van den jongen, dien hij zoo liefhad. De mollah, ten hoogste verontwaardigd, wierp het denkbeeld ver van zich, en zei, dat hij den knaap veel te lief had, om hem eenig kwaad te doen. "En toch," zei de vreemdeling, "zal het geschieden, want Allah heeft besloten, dat de jongen door u zijn lot moet ondergaan, en wat geschreven staat, staat geschreven."
De oude mollah keerde naar zijn huis terug in droevig gepeins, maar vast besloten, dat hij niets zou ondernemen, dat op eenige wijze den prins kon schaden. Weer in den droom ontving de mollah een oproeping, om bij den jongen prins te komen. Zich de woorden van den vreemdeling te binnen brengend, nam hij niets met zich, dat op eenige wijze den jongen kwaad kon doen, niets dan als eenige gift een appel. De jongen ontving den mollah in zijn mooie woning op een eiland, en de beiden hadden een prettig onderhoud te zamen.
Eer hij afscheid nam, gaf de oude man met uitgestoken hand een appel aan den knaap, die de vrucht gretig aannam en haar dadelijk wilde gaan opeten. De mollah nam een pennemesje uit zijn binnenzak, schilde den appel en gaf dien op de punt van het mesje aan den jongen prins. Deze greep toe, maar bij het aannemen drong de punt van het mesje in den vinger van den knaap met het gevolg, dat er bloedvergiftiging bij kwam, en dat de bloeiende knaap na korten tijd dood terneerlag. De mollah weende luid, en onder het schreien werd hij wakker. Met een nederig hart en in een neerslachtige stemming gaf hij zich gewonnen en prees Allah.
Op den vastgestelden dag kwamen de beide mannen terug, om de uitspraak van den wijzen mollah te vernemen. Hij ontving hen vriendelijk, maar bedroefd, en verzekerde hen, dat het niet het minste verschil maakte, of ze onder de ladder doorliepen of niet.
"Want," zei de oude, "als het geschreven staat, dat gij door een vallende ladder om zult komen, zal dat gebeuren; ge kunt er niet aan ontkomen. Wat Allah besloten heeft, moet vervuld worden. Zijn plannen kunnen niet tegengehouden worden."
Die leer, die den ouden mollah door middel van zijn droom was voorgehouden, staat zeer sterk in den geest van alle tegenwoordige Mohammedanen.
Toen we in Perzië woonden, hadden we een indischen bediende, die Mohammedaan was. Hij vertelde ons, dat drie nachten achtereen Onze Heer hem in den droom was verschenen in de gedaante van een ouden man met een langen, witten baard. Hij was zoo getroffen door den herhaalden terugkeer van dien droom, dat hij naar een engelschen geestelijke ging en vroeg, of hij onderwijs mocht ontvangen in den christelijken godsdienst.
De vrouwen in Mosoel hebben mij dikwijls verhalen gedaan van wonderbaarlijke dingen, die mij zouden overkomen, omdat zij ze in droomen hadden aanschouwd. Zelfs nu nog krijg ik vaak brieven van enkele dier vrouwen, waarin ze zeggen, dat ze mij zoo dikwijls in haar droomen zien.
De eerste vrouwelijke inwonende patiënten in ons zoogenaamd hospitaal moesten zich behelpen in een soort van buitenloods. Wij konden niet anders voor haar vinden als vrouwenverblijf dan een groote ruimte, waar hout werd bewaard. Mijn man had er witkalk op de muren laten aanbrengen en alles was flink schoongemaakt en ontsmet. De eerste vrouw, die er werd geïnstalleerd, was een heel rustige, zachte Mohammedaansche, die geopereerd moest worden. Haar moeder was meegekomen, en ze waren alleen in de niet al te geriefelijke ruimte.
Twee of drie dagen na de operatie verklaarden die vrouwen, dat in den nacht een groote gedaante, die er als een dragonder uitzag, van den grond was opgerezen naast de zieke. En een paar weken later werd een klein joodsch meisje in die zaal opgenomen, een kind, dat zich ernstig gebrand had, terwijl haar moeder en haar grootmoeder op haar pasten. Er waren toen nog twee of drie andere vrouwen in de zaal. Op een morgen heel vroeg kwam men ons berichten, dat alle bewoonsters van de bedoelde ruimte er verschrikt waren geworden in den nacht. Toen we erheen gingen, om te zien, wat gebeurd was, vonden wij ze allen in de gang liggen, terwijl ze het beddegoed erheen mee hadden genomen. Ze zagen er ongelukkig en verschrikt uit en verzochten, het hospitaal onmiddellijk te mogen verlaten, daar ze niet nog weer een nacht op die verschrikkelijke plek wilden doorbrengen. Daarna begonnen ze allen hun ervaringen mee te deelen, allen tegelijk, zoodat het voor ons heel moeilijk was, gewaar te worden, wat er precies was gebeurd.
Het schijnt, dat kort na middernacht ze nog met elkander aan het praten waren, toen ze plotseling twee soldaten zagen zitten op randen van haar bedden. Ten hoogste verschrikt, vroegen ze de mannen, hoe ter wereld ze daar kwamen, en of ze niet wisten, dat dit een harem of vrouwenverblijf was. Eerst antwoordden de soldaten niet, maar later vertelden ze aan de vrouwen, dat ze gekomen waren uit een dorp op twaalf mijlen afstands. Dat hun in een droom was verteld, hoe ze hadden te gaan naar het huis van den "beit hakeem Engelisi," het huis van den engelschen dokter. Gehoorzamend aan dat bevel waren ze gekomen. Toen waren ze verdwenen even plotseling, als ze waren gekomen. De vrouwen waren zeer angstig, terwijl enkelen geloofden, dat het echte soldaten waren, en anderen, dat het geesten waren in de gedaante van soldaten. Ze hadden terstond de kamer verlaten, hadden haar beddegoed meegenomen en brachten het overige deel van den nacht in vrees en beven door. Den volgenden morgen werd het dak nauwkeurig onderzocht, om te zien, of op eenige manier soldaten op ons erf hadden kunnen komen. We bevonden, dat in het naaste huis het hoofd van de soldaten woonde, en het kon wezen, dat enkele van de wachthebbende soldaten over de muren waren geklommen en den weg hadden gevonden naar ons huis.
Er werd intusschen nooit iets bewezen; maar niemand was er weêr toe te bewegen, die kamer te betrekken, want de vrouwen beweerden, dat er booze geesten huisden. Ten slotte maakten we er een kippenhok van; maar de kippen en kalkoenen werden alle ziek en stierven, zoodat er waarschijnlijk iets niet in orde was met de lucht in dat vertrek. Zoo was onze eerste proef met een vrouwenzaal mislukt; maar er is toch iets goeds uit die mislukking voortgevloeid. Daar de vrouwen de spookzaal niet wilden gebruiken, moest er wat anders worden gezocht, en wij gaven ons huis haar ten gebruike, terwijl wij in het daarnaast gelegen trokken, dat grooter was. De kamer, waar noch menschen, noch dieren het konden uithouden, werd nu als houtschuur gebruikt.
Op een woestijnreis kan licht de verveling u overvallen, wanneer iederen dag volkomen gelijk is aan den anderen, en elk voorval, dat dan van het gewone afwijkt, wordt als een welkome afwisseling beschouwd. Eens gedurende onze middagrust naast een pas verlaten arabisch kamp hoorden we janken, en rondkijkend, vonden we een klein hondje van misschien een paar dagen oud. Dat hondje gaf ons wel een week lang afleiding; we koesterden het in flanel, zetten het in de zon, om wat warmte te wekken in het rillende lichaampje, en hadden eindelijk de voldoening, dat het piepen ophield, toen het diertje warm werd. We onderhielden het leven in het beestje nog verscheiden dagen, maar daar er haast geen melk in de woestijn is te krijgen, was het onmogelijk voor de goede voeding te zorgen.
Op een avond kwamen we aan een arabisch kamp en dachten, dat het verstandiger zou zijn, het arme hondje bij een van de Arabieren achter te laten, want er wordt van de Arabieren gezegd, dat ze veel van honden houden. Dus haalden we onzen bediende over, het hondje mee te nemen en naar een van de tenten te brengen. Hij deed het met tegenzin en dacht, dat hij wel kon worden doodgeschoten, omdat hij in donker naderde. Maar hij sloop toch voorzichtig naar het kamp en wist het hondje binnen een van de tenten te leggen. Terstond riep de eigenaar, wie daar was; maar Aboo, onze bediende vluchtte weg, zonder te antwoorden. Wij hoorden den Arabier vloeken, en toen hij het arme hondje zag, nam hij het op en wierp het naar buiten in de woestijn. We konden het stumpertje hooren piepen en klagen, en mijn man ging erheen en zag het liggen op een vuilnishoop. Hij bracht het weer in onze tent en wij probeerden weer, het te warmen en te koesteren. Den volgenden dag evenwel was het kleine levensvonkje gebluscht. Zoo eindigde de korte geschiedenis van dien kleinen, verlaten zwerveling in een droevig treurspel, en mijn man nam den treurigen plicht op zich, het lijkje aan het diepe water van de rivier toe te vertrouwen.
Zulke kleine episoden breken de eentonigheid, maar er zijn ook andere ervaringen. Ons was vaak voorgehouden, dat het reizen door de woestijn gevaarlijk was, maar wij hadden aan den kreet van "De Wolf, de wolf!" gedacht en begonnen al te denken, dat de veelbesproken roovers in de woestijn alleen in de verbeelding van de menschen bestonden. Spoedig echter zouden we het anders leeren.