Chapter 7
Holland heeft steeds ten allen tijde voor de Fransche litteratuur groote belangstelling aan den dag gelegd. Toen de dichter #Paul Verlaine# in zijn geboorteland nog slechts door een intiemen kring van bewonderaars gewaardeerd werd, werd hij bij het verschijnen van zijn eersten dichtbundel hier te lande reeds door velen naar waarde geschat en begrepen. Men las en genoot zijn gevoelvolle verzen en toen Mr. #van Hall# en enkele bekende literatoren van ons land een comité wilden vormen om den dichter naar Amsterdam te doen over komen en hem hier te huldigen, toonde men zich terstond bereid daaraan gevolg te geven.
Men noodigde den dichter daarop uit voor een uitgelezen gehoor eenige van zijn laatste gedichten te komen voordragen, doch Paul Verlaine liet weten, dat door een kortgeleden ziekte zijn middelen hem dit niet veroorloofden. Terstond werd hem toen zes honderd francs toegezonden met verzoek den dag en het uur van zijn komst te willen opgeven. Het comité bestaande uit zes heeren had zich naar het station begeven om den dichter plechtstatig te ontvangen, terwijl twee open landauers aan den uitgang de komst van Paul Verlaine verbeidden.
De trein arriveert, de zes heeren snellen naar de wagon eerste klasse.... Niemand!.... Men zoekt de volgende wagons af, alweer zonder resultaat. Men maakt zich reeds vol spijt gereed maar weer heen te gaan. Een slordig uitziend man, in een grijs colbertje met slappen hoed, in zijn rooden zakdoek wat hemden en boorden geknoopt, loopt zoekende het perron af en na zich het zweet van zijn ontblooten schedel geveegd te hebben, roept hij met schorre stem uit.
--Waar zijn die bliksemsche kerels nou, die me zouden opwachten?...
Geheel uit het veld geslagen door de verschijning van dezen ongeschoren, als een zwerver uitzienden man, besluiten enkelen van het comité er stil van door te gaan. Een van de heeren offert zich op, daar hij begrijpt dat men Verlaine, die onze taal natuurlijk niet machtig is, niet aan zijn lot kan overlaten. Hij schiet zijn overjas aan, slaat snel zijn kraag op om zijn witte das te verbergen, neemt Verlaine bij den arm en stopt hem in den hôtelomnibus, terwijl de overige heeren in de gala rijtuigen plaats nemen. Op deze wijze maakte Paul Verlaine zijn entrée te Amsterdam.
Maurice Barrès.
Een Hollander was mij in mijn woning te Parijs aan den Boulevard Hausmann komen opzoeken en na onze zaken beeindigd te hebben, maakten wij een wandeling in de buurt. Telkens wanneer iemand mij groette of ik door iemand aangesproken werd, wenschte hij den naam van dien persoon te weten, zeker om bij zijn terugkeer in Holland te kunnen vertellen, dat hij aan verschillende beroemdheden te Parijs was voorgesteld.
Toevallig kwamen wij dien middag bij Café de la Paix #Tristan Bernard# tegen en hoe ik er bij kwam, weet ik zelf niet, bij zijn vraag wie deze heer met zijn gitzwarten vollen baard was, antwoordde ik: #Maurice Barrès#.
--Maurice Barrès, van de Académie, kent U die ook al! Ik heb veel van hem gelezen, zou ik hier ergens zijn portret kunnen koopen?
--Dat denk ik wel.
We slaan de Avenue de l'Opéra in, ik breng hem tot voor het magazijn van Hautecoeur, waar verschillende photo's van Parijsche beroemdheden uitgestald liggen en nam toen onder één of ander voorwendsel afscheid van mijn vraagzieken bezoeker.
Den volgenden dag kwam hij bij mij afscheid nemen.
--Die Parijzenaars denken met vreemdelingen toch maar alles uit te kunnen halen!.... Verbeeld je, bij mijn vraag naar een portret van Maurice Barrès biedt men mij een photo van een geheel gladgeschoren heer aan. Ik zeg natuurlijk, dat ik het portret van Maurice Barrès moet hebben, dien ik persoonlijk ken en dat ze zich vergissen. De winkelbediende houdt vol, dat het portret het goede is, waarop ik zoo nijdig word, dat ik hem toesnauw: "Het geeft geen pas iemand in wien men den vreemdeling herkent maar wat in de handen te willen stoppen!...." Woedend verlaat ik het magazijn, terwijl ik zie, dat dat heerschap me nog uitlacht op den koop toe.
Ik heb mijn Hollandschen vriend nooit meer te Parijs ontmoet, doch mocht ik hem nog eens tegenkomen, ik denk, dat ik dan beter doe, hem maar stil te laten doorloopen.
Mme Segond-Wéber.
Deze beroemde Sociétaire van het Théater Français heb ik meerdere malen met een tooneel-ensemble rondgeleid. Overal speelde zij met het grootste succes haar lijfrollen "Phèdre", "Andromaque", "Pauline" (Polyeucte) en "Chimène" (Le Cid). Ook in ons land werd haar komst steeds met verlangen tegemoet gezien. Daarom verzochten verscheidene directeuren uit de provincie, die anders niet door mij bezocht werden, ook in hun schouwburgen een voorstelling te komen geven. Het meest dringend verzoek ontving ik van den schouwburgdirecteur te Haarlem.
Ik antwoordde hem dat ik wel daartoe te vinden was, mits mij een vast bedrag gegarandeerd werd, hetgeen hij terstond aannam. Ik zond hem daarop de text van het affiche, waarop ik omgaand het volgend briefje ontving:
Meneer Schürmann.
Ik heb niets afgedongen op het bedrag, dat U van mij verlangde voor de voorstelling van Mme Wéber van de Comédie Française. Ik wil dus ook niet bedrogen worden. Ik heb U voor Mme Wéber betaald en vergenoeg mij niet met een tweede Mme Wéber!... (J'ai payé pour avoir la première, je ne veux pas de la seconde.)
Sacha Guitry.
#Sacha#, de thans reeds zoo beroemde zoon van #Lucien Guitry# is op reis al even charmant en geestig als hij zich in zijn blijspelen en op de planken toont.
Ik was zoo onverstandig te meenen dat zijn eigenaardig Parijsch repertoire ook in het buitenland zou geapprecieerd worden. Ik ondervond helaas het tegendeel, want het publiek scheen zijn geestigheden niet te snappen en verliet meermalen reeds den schouwburg vóór z'n stukken geeindigd waren.
Sacha scheen zich hier weinig van aan te trekken en bleef er doodkalm bij. Waar hij zich meer ongerust over maakte, dat was over zijn gezondheid. Hij, die in lichaamsomvang veel van een reus heeft, toonde zich vaak nog bezorgder dan Molière's "Malade Imaginaire". Hij was dan ook zoo benauwd zeeziek te worden, dat hij weigerde zich in te schepen, toen wij van Odessa naar Konstantinopel moesten oversteken. Niets kon deze dwaze angst wegnemen en ik was verplicht de "tournée" door Turkije op te geven, die mij misschien schadeloos zou hebben gesteld voor de verliezen, die ik in Rusland met hem had geleden.
Ik had hem, te Parijs teruggekeerd, een proces kunnen aandoen en vergoeding kunnen eischen, hetgeen ik evenwel nagelaten heb, omdat ik, eerlijk gezegd, te veel op zijn vriendschap gesteld was.
Dat wist hij en daarom schreef hij op het titelblad van zijn tooneelstukken, die hij mij later aanbood:
A. J. J. Schürmann qui m'a fait tourner en Orient et que j'ai tourné en bourrique, mais amicalement.
_Sacha Guitry._
Hetgeen vrij vertaald met verlies van de geestige woordspeling wil zeggen: Ter herinnering aan onze reis door het Oosten, waarbij ik je leelijk den voet heb dwars gezet zonder het te willen.
_S. G._
Maurice Maeterlinck.
Eén mijner belangrijkste en meest succesvolle tournée's is wel die met #Georgette Leblanc# geweest in de bekende stukken van haar beroemden echtgenoot.
#Maurice Maeterlinck# vergezelde ons geregeld en overal waar wij optraden, organiseerde men feesten en soupers hem ter eere. Hij weigerde echter steeds daaraan deel te nemen behalve te Berlijn en te Praag. Hij ontving dagelijks stapels brieven van jonge meisjes, die hem om zijn handteekening of om een korte autografie verzochten en die zich voorstelden, dat de auteur van "Pelléas en Mélisande" een jong, teer uitziend, en vooral dichterlijk personage was. Groot was dan ook haar teleurstelling, toen zij een luidruchtig, zwaarlijvig en ietwat burgerlijk type te zien kregen, wiens eerste woorden steeds luidden, wanneer hij in een vreemd hôtel afstapte met zijn geprononceerd Gentsch accent: "Wat kan ik hier te eten krijgen en wat voor bier wordt hier geschonken?"
Nimmer heb ik een schrijver onverschilliger voor zijn werk gezien, wanneer hij eenmaal de laatste hand er aan gelegd had. Op de repetities zag men hem nooit. Hij stoorde zich evenmin om de "coupures", die men noodig achtte aan te brengen en stelde ook weinig belang in de aankleeding van zijn stukken.
Toen in den Gymnase schouwburg door mijn toedoen het eerst "Joyzelle" werd opgevoerd, is hij het stuk eerst bij de zevende voorstelling komen bijwonen en toen bleef hij zelfs niet eens tot het einde.
--Na tienen is men nergens zoo goed als in bed!..
Wij speelden "Monna Vanna" te Lodz in Polen. De schouwburg bevindt zich op de binnenplaats van een complex gebouwen en vlak tegenover is een badinrichting.
Een heer begeeft zich naar het loket en vraagt "Vanna". De bureaulist ziet aan zijn kleeding dat hij geen bezoeker voor de fauteuils is en geeft hem een galerijplaats.
--Hoeveel?
--Een roebel.
--Dat is duur!
--Goedkooper heb ik ze niet.
Na eenige minuten komt deze heer woedend terug.
--Zeg, ben je mal!... Laat je mij een roebel betalen voor een plaats in een zaal, waar ik een man en vrouw hoor schreeuwen in een taal, waar ik geen woord van versta, terwijl ik nergens gelegenheid zie om een bad te nemen, niettegenstaande ik duidelijk om "Vanna" gevraagd heb!..
Mijn bureaulist had gemeend, dat hij "Vanna" wilde zien en vermoedde niet dat "vanna" op zijn Poolsch "bad" beteekent.
Eens vroeg ik Maeterlinck of hij alleen werkte, wanneer hij zich geïnspireerd gevoelde?
--Geïnspireerd!.. Als ik daarop moest wachten, kwam er geen woord op papier!
Björnsterne Björnson.
In samenwerking met #Etienne de la Neuville#, wiens "nom de plume" #Jacques Lemaire# luidt, had ik een Fransche vertaling van #Bjoernson#'s "Faillissement" het licht doen zien. #Antoine# besloot het drama in studie te nemen, nadat wij de vijf bedrijven tot vier ingekort hadden. Toen de repetities reeds aangevangen waren, schreef Bjoernson.
--Ik zie door deze willekeurige inkorting van mijn stuk, waarover men mij niet geraadpleegd heeft van mijn auteursrecht af en wil ook niet op de affiches genoemd worden.
Het drama heeft veel succes. Prachtige verslagen verschijnen in de dagbladen, terwijl #Antoine# en #Gémier# om strijd geprezen worden.
Terstond telegrafeert Bjoernson.
--Laat mijn naam aankondigen en zend mij omgaand exemplaar der bewerking.
Sindsdien liet Bjoernson het stuk overal in de nieuwe bewerking opvoeren, die hij eerst afgekeurd had en nog steeds wordt "Faillissement" in vier bedrijven vertoond.
Ibsen.
"Hedda Gabler", "Nora" en "Spoken", hetzij door #Duse#, #Agnes Sorma#, #Suzanne Desprès# of #Antoine# gedurende mijn "tournées" gespeeld, hadden steeds het grootste succes. Geen wonder, dat toen ik mij in 1903 te Christiana bevond, ik van verlangen brandde met den auteur dier beroemde stukken kennis te maken. Ik had vernomen, dat #Ibsen# eertijds gewoon was tegen half drie in het Grand-Hotel zijn middagmaal te gebruiken, temidden der vele stamgasten en vreemdelingen, niet weinig trotsch den schrijver van zooveel meesterwerken in hun midden te hebben, wiens bronzen konterfeitsel op het plein van het "National Teatret" tegenover dat van Björnsterne Björnson prijkt.
Ik trof het echter slecht. Ibsen kwam al lang niet meer in het Grand-Hotel, omdat de groote schrijver aan het sukkelen was geraakt en zijn kamer moest houden. Nog steeds waren zijn hersenen even gezond als in vroeger dagen, doch zijn gedachten in woorden omzetten scheen hij verleerd en hij sprak geheel andere woorden, dan hij wilde bezigen. Wanneer hij bijvoorbeeld iemand een stoel aanbood, zei hij: "neem een sigaar".
Eerst hadden deze vergissingen hem woedend gemaakt, zeer tot nadeel van zijn gezondheid. Daarom had zijn familie besloten hem zoo weinig mogelijk uit te laten gaan en verboden dat hij bezoekers ontving. Deze afzondering van de wereld had den bejaarden schrijver melancholiek gestemd. Hij, die gewoon was door de menigte toegejuicht te worden, kon zich niet goed aan deze kalmte wennen.
Als bewijs hoezeer hij op publieke hulde gesteld was, diene volgende bijzonderheid.
Zoodra Ibsen een stuk geëindigd had, meldden alle kranten van Christiana met vette letters: "Hendrik Ibsen heeft een nieuw stuk voltooid. Morgen tegen tien uur zal hij het manuscript naar den schouwburg brengen."
Wanneer dan de schrijver den volgenden dag op het vastgestelde uur deftig en met afgemeten passen zijn manuscript opgerold in de rechterhand zich naar den schouwburg begaf, stond het publiek aan weerszijden van den weg "en haie" opgesteld. Zoodra Ibsen zijn stuk afgegeven had en huiswaarts keerde, begonnen de toeschouwers, die tot nog toe zich kalm hadden gehouden luidkeels te juichen. Ibsen wuifde hen met de hand toe en glimlachte zelfbewust zijn roemvollen taak van apostel volbracht te hebben.
Zijn familie had nu het volgende verzonnen om hem van de hulde te laten genieten waaraan hij zoozeer gewoon was. Daar hij zich niet meer in het publiek bewoog, dekte men de tafel vlak vóór het venster van de eerste étage zijner woning, die links van het paleis van koning Oscar II aan den wandelweg gelegen was.
Zoodoende konden de inwoners van Christiania hun afgod aan het middagmaal zien zitten en hiervan was ik op mijn beurt eveneens getuige.
De oude meester zag er nog kranig uit. Zijn hoogrood gelaat werd door zijn sneeuwwitte haren en baard waardig omlijst en men kon hem niet aanzien, dat hij lijdende was. Zijn dochter naderde hem en fluisterde hem iets in het oor: Ibsen stond toen op, wuifde met zijn servet naar het publiek, waarna de gordijnen werden neergelaten. De voorstelling was afgeloopen...
Gabriele d'Annunzio.
d'Annunzio is een trouw bezoeker van Parijs en men weet, dat hij zijn laatste tooneelstuk in het Fransch heeft geschreven. Hij is op en top een "charmeur" en wie hem heeft leeren kennen of onder zijn gehoor is geweest, moet toegeven, zelfs al is men geen vriend van zijn werk, dat er een bijzondere bekoring van hem uitgaat, terwijl men verbaasd staat over zijn uitgebreide kennis en artistieken smaak.
Meermalen ben ik met verschillende gezelschappen in Athene geweest en heb bij die gelegenheid den Acropolis en het Parthenon bezocht, zonder evenwel sterk onder den indruk der schoonheden van het oude Griekenland te komen. Die grauwe bergen, de onverdraaglijke stof, de vele kopieën van standbeelden,--de echte bevinden zich grootendeels te Londen in het Britsch-Museum--lieten mij vrijwel koud, zoodat ik mij veel liever naar Phalera aan zee begaf, waar ik tenminste van de frissche lucht kon genieten.
Tijdens onze omzwervingen met #Eleonora Duse# en haar gezelschap door Europa, vergezelde de schrijver van "La Gioconda", "la Gloria" en "Il Sogno" zijn beroemde en geliefde ster. Toen wij te Athene kwamen vroeg Annunzio mij hem naar den Acropolis te vergezellen. Veel lust toonde ik om bovengenoemde redenen nu juist niet.
--Als het je niet interesseert, dan heb je er ook niets van begrepen en gezien. Ik wil niet dat je Athene met zoo'n oordeel weer den rug toekeert. Ga met me mee en je zult je tocht niet berouwen.
Daar viel niet veel tegen in te brengen en samen bestegen we het Parthenon.
Dien dag zal ik niet licht vergeten, al ontbreekt mij het talent mijn gevoelens in schoone woorden om te zetten. Gedurende vier uur luisterde ik met één en al verrukking naar zijn woorden, toen hij het roemrijke verleden van Hellas uit het stof wist te doen herrijzen. Ik leefde wederom de heldendaden der oude Grieken mee en door zijn dichterlijke verklaringen kwam het mij voor als of ik naast den ouden, blinden #Homerus# liep, dien onuitputtelijken verteller van Grieksche sagen, nu een tweede dichter als #Gabriele d'Annunzio# opnieuw aan mijn verrukte oogen deze wonderen uit het grijze verleden wist te verklaren.
Osman Pacha.
Toen =Abdul-Hamid= over Turkije nog den scepter zwaaide, werden de buitenlandsche gezelschappen, die Konstantinopel aandeden, vaak op hoog bevel uitgenoodigd te Yildiz Kiosk op te treden.
Een voordeel was dit overigens niet, hetgeen uit het volgende blijken zal.
De sultan had voor deze privé-voorstellingen naar gelang van haar beteekenis veel over, alleen gingen zijn "cachets" door zooveel handen, dat de belanghebbende directie er hoogstens een vierde van ontving.
Toen Osman Pacha, de held van Plewna, mij dan ook verzocht in het Paleis van den Sultan een voorstelling te komen geven met het vaudeville-gezelschap, waarvan #Valentine Joissant# de ster was, had ik daar ternauwernood ooren na, omdat ik in den Winterschouwburg "des Petits-Champs" van de hoofdstad meer kon verdienen. De beroemde generaal begreep niets van mijn terughoudendheid en drong er op aan de reden te vernemen.
Ik deelde hem mee, dat ik door mijn vroegere ervaringen steeds geld bij zoo'n voorstelling ten paleize had moeten bijpassen, waarop hij mij verzekerde, dat hij er borg voor bleef, dat ik het volle bedrag, door den sultan vastgesteld zonder één enkele korting zou ontvangen.
Hieromtrent dus gerustgesteld, besloot ik de "Dame van Maxim" voor deze gelegenheid te kiezen en de affiches werden met strooken beplakt, vermeldend, dat de avondvoorstelling eerst om elf uur zou aanvangen, omdat het gezelschap in het paleis van den sultan dien dag optrad.
De zaal van het paleis bood den gewonen aanblik. De haremdames in de loges waren aan het oog van de artiesten onttrokken door breede gazen gordijnen die van den éénen hoek van het balcon naar den anderen waren gespannen, terwijl neger-eunuchen de toegangen bewaarden, gekleed in lange zwarte overjassen. Alleen de sultan en Osman Pacha zaten in de zaal. Natuurlijk hadden de artiesten alle moeite van de wereld om in zoo'n ongezellige omgeving behoorlijk hun rollen te vertolken en wat méér zegt, de noodige "entrain" aan den dag te leggen. Het eerste bedrijf loopt ongestoord af te midden van een doodsche stilte. In het tweede bedrijf weerklinkt nu en dan het gelach der haremdames, alleen de sultan verroert zich niet.
Ontmoedigd door zoo weinig bijval, gaf ik onzen regisseur last de pauze zoo kort mogelijk te maken en terstond met het derde bedrijf aan te vangen, doch aleer dit gebeurt, komt men mij waarschuwen, dat Osman Pacha mij wenscht te spreken.
Ik ga naar hem toe.
--Zijne Majesteit is zeer in zijn schik. Het tweede bedrijf staat hem bijzonder aan. Laat dus het derde weg en laat het tweede nogmaals opvoeren.
Ik moest dit vreemde verzoek wel opvolgen en had er geen spijt van, want terwijl ik achter de schermen de zaal inkijk, zie ik een bijna onmerkbaren lach om de lippen van den heerscher der geloovigen zweven, den eenigen man ter wereld, die nooit lacht.
Na afloop word ik voor de tweede maal geroepen en ben reeds bezorgd, dat men mij opnieuw dit bedrijf zal laten spelen. Gelukkig was deze angst ongegrond.
Een hooge beambte overhandigt mij een zijden beurs vol goud, voorzien van het keizerlijk zegel.
--Laat het scherm rijzen, zei hij tot mij, en groet zijne Majesteit. Draag daarbij zorg dat zijne Majesteit zich overtuigen kan, dat men u de beurs ter hand gesteld heeft en de zegel nog ongeschonden is.
Ik verschijn ten tooneele, buig en toon de zijden beurs.
De sultan staat op, richt zijn kijker naar mij en wenkt mij, dat hij tevreden is.
Ik open de beurs op mijn bureau. Er zaten vier honderd Turksche ponden in, de eerste en eenige maal, dat ik in Turkije bij een voorstelling ten paleize het volle bedrag ontving.
Anna Judic.
Bij een tournée met deze beroemde operette-ster waren wij te Napels aangekomen en besloten wij de bouwvallen van Pompeï eens van nabij te aanschouwen. We troffen het echter heel slecht, de doodenstad was gedurende vier dagen voor bezoekers gesloten, juist zoolang als wij te Napels zouden vertoeven.
Wat te doen?....
Na een tijdlang ons bedacht te hebben, verzon ik er het volgende op. Ik bestelde een zeer elegant open rijtuig, waar #Anna Judic#, #Henri Emmanuel# en #Edouard Georges# in plaats namen, terwijl ik als vierde met hen mee reed. Als hoofddeksel had ik een echt Turksche "fez" opgezet.
Voor de poort van Pompeï aangekomen, stapt Emmanuel uit en vraagt den directeur der opgravingen te spreken.
--De zwager van den Sultan bevindt zich in ons rijtuig en wenscht Pompeï te bezoeken. We hebben zoo juist vernomen, dat de toegang voor het publiek gedurende eenige dagen verboden is.
Moet Zijne Keizerlijke Hoogheid naar Napels terug keeren om de Italiaansche regeering verlof aan te vragen de belangrijke opgravingen in oogenschouw te nemen en zijn bezoek een dag uitstellen?
--Is die meneer met zijn fez op de zwager van den sultan?
--Juist.
--Spreekt hij Fransch of Italiaansch?
--Geen van beide.
--Laat dan zijn Keizerlijke Hoogheid onder een of ander voorwendsel eenige minuten geduld hebben, opdat ik mij even kan aankleeden en ik zal Zijne Hoogheid zelf rondgeleiden.
--Afgesproken, doch laat zijn Hoogheid niet lang wachten.
Binnen enkele minuten kwam de geleerde ingenieur terug, onberispelijk gekleed, met een hoogen zijden hoed. Hij liet ons alles zien, doch deed geen mond open. Alleen bij het afscheid nemen, wees hij op zijn knoopsgat om mij te toonen, dat hij nog nimmer gedecoreerd was.
Ik glimlachte veelbeteekenend en bij het afscheid nemen drukte de directeur met groot ontzag een kus op mijn hand.
Den volgenden dag vertelden de Napolitaansche bladen van het keizerlijk bezoek te Pompeï, tot groote verwondering van de Turksche ambassade, die natuurlijk van niets afwist.
Wat de directeur betreft, hij wacht nog steeds op het lintje van zijn zwijgenden vorstelijken gast.
Amerikaansche Indrukken.
Mijn tournée door de Vereenigde Staten met #Eleonora Duse# in 1896 is in alle opzichten voorspoedig geweest, zoowel artistiek als financieel met uitzondering alleen gedurende ons verblijf te Chicago, waar de groote actrice niet verkoos op te treden.
Ik had met Mme Duse gecontracteerd voor zestig voorstellingen verdeeld over New-York, Washington, Boston, Philadelphia, Chicago, Brooklyn, St.-Louis en Quibec. Den 10en Januari was ik te Hâvre met de "Bretagne" van de Trans-Atlantische Maatschappij scheep gegaan, terwijl Mme Duse twee weken later te Liverpool aan boord stapte van de "Majestic". Haar gezelschap vertrok van Genua met den "Bismarck". 27 April bevonden wij ons wederom te Parijs, nadat wij den 18en New-York hadden verlaten.
Reeds op de heenreis deed mijn goed gesternte mij kennis maken met den heer #Malcolm Turner#, chef van de douane, die uit respect voor de groote kunstenares haar zeven en twintig koffers ongemoeid liet. De heer #Davis#, vertegenwoordiger van Mr. #Miner#, den directeur van het "Fifth Avenue Theater", wachtte mij te New-York op en van hem ontving ik een vingerwijzing, die mij de Amerikaansche manier van optreden en zaken doen duidelijk verklaarde.
Het was bij mijn aankomst een echt hondenweer geworden. De regen gudste met stroomen van den hemel, vandaar, dat Mr. Davis een rijtuig aanhield en den koetsier vroeg:
--Hoeveel van hier naar het Fifth Avenue Theater?
--Drie dollars.
--All right!
In tien minuten waren wij aan onze bestemming aangekomen.
--Hoe nu! riep ik verwonderd uit. U betaalt drie dollar voor zoo'n kleinen afstand?
--Zeker. Ik heb twee dollar te veel betaald, doch U moet niet vergeten "time is money". Als ik was gaan afdingen en op mijn stuk was blijven staan om niet meer dan één dollar te geven, zou de goeie man geprotesteerd hebben en hoogst waarschijnlijk stonden wij er nog. Nu zijn we voor den regen geborgen, de man rijdt extra hard. Had ik hem niet betaald, wat hij mij vroeg, dan zou hij zich niet haasten, zoo mogelijk iemand aanrijden en hiermee mijn tijd in beslag nemen, dien ik inderdaad beter kan besteden. Iedereen wil hier veel geld verdienen. In plaats van ons woedend te maken op hem, die van de omstandigheden profiteert, bewonderen wij hem integendeel en spitsen wij ons op onze beurt nog meer te verdienen, zoodra wij in de gelegenheid zijn.