Chapter 2
Kwart voor achten stond ik in de vestibule zijn Hoogheid op te wachten. Het werd acht, half negen, negen uur, nog steeds kwamen de rijtuigen niet voor. Eerst om tien minuten na negen verscheen de koning en zijn gemalin.
--Bent u de impresario, is 's konings eerste vraag. Hoe ver staat het met het stuk?
--Men wacht nog steeds op uw Majesteit. Ik dorst niet eerder te laten beginnen.
--Daarmee hebt u verkeerd gedaan. Zoo aangenaam vind ik het niet. In ieder geval zorgt u maar, dat het spoedig afloopt. De koningin om haars gemaals uitspraak eenigszins te verzachten, informeerde naar de verschillende artiesten en gaf dien avond verscheidene malen door applaus haar ingenomenheid met het vertoonde te kennen.
Ook de keizer van Oostenrijk, die tweemaal een voorstelling onder mijn leiding bijwoonde, was niet bepaald wat men noemt een tooneelliefhebber.
De eerste maal in 1881 tijdens de voorstellingen van #Sarah Bernhardt# in het "Ring Théâter" te Weenen, de tweede maal in 1885 in de Weensche "Musik Verein", toen Mme #Patti# weigerde een vierde nummer te zingen, voorgevend vermoeid te zijn, niettegenstaande het geestdriftige publiek er haar als 't ware om smeekte.
#Franz Joseph# had mij bij die gelegenheid opgedragen "la divine sérinette" uit zijn naam te complimenteeren en op mijn beurt drong ik er bij de diva op aan nog een extra nummer te geven.
Zou de keizer haar wel gecomplimenteerd hebben, wanneer hij Patti's antwoord had kunnen hooren?....
--Vraag hem Zaterdag voor mij te zingen, dan zal ik nu voor hem nog iets ten gehoore brengen.
* * * * *
In 1886 gebeurde mij te Kopenhagen het volgende bij mijn tournée met Mme #Judic#. Vóórdat de voorstelling aanving--de koning had nog niet in zijn loge plaats genomen--werd ik op het tooneel door een bejaard heer aangesproken, die mij allerlei bijzonderheden omtrent het debuut en het repertoire van onze ster vroeg. Plotseling word ik door Mme Judic geroepen.
--Schürmann, zou je me even kunnen helpen?
Excuseer en metéén gaf ik den ouden heer m'n claque over. Ik kom terstond terug.
Haast u maar niet, is zijn lachend antwoord.
Toen ik terugkwam, was hij verdwenen en een veel jongere heer geeft me met een woedend gezicht mijn hoed terug.
--Ik zou een andermaal eerst informeeren tot wien u spreekt. Weet u wel, aan wien u uw hoed te bewaren hebt gegeven? Aan den koning, meneer, aan den koning, die U dit waarschijnlijk zeer kwalijk heeft genomen.
Ik keek leelijk op m'n neus en dorst zijn Majesteit niet meer onder de oogen komen.
In de pauze kwam #Christiaan IX# wederom op het tooneel. Het eerste wat ik deed was hem mijn verontschuldiging aan te bieden.
--Het is wel, het is wel. Ik moest er zelf om lachen!
Toen ik in 1896 met #La Duse# Kopenhagen bezocht wist de bejaarde monarch dit voorval van tien jaar geleden zich nog best te herinneren. De koning woonde alle voorstellingen van Eleonora Duse bij, de eerste maal was hij vergezeld van de koningin, den keizer en keizerin van Rusland, den prins en prinses van Wales, den koning van Griekenland, prins Waldemar en den troonopvolger van Zweden.
De thans overleden vorst van Denemarken had zijn bijnaam van "schoonvader van Europa" terdege verdiend. Elk voorjaar kwam de uitgebreide vorstelijke familie in het kasteel Fredensborg bijeen en voor de verschillende regeerende hoofden van Europa was deze rustkuur, vrij van zorg en etiquette aan de familietafel van koning Christiaan steeds een der aangenaamste perioden uit hun leven.
Men stoorde zich hier letterlijk aan niets. De heeren liepen in een huisjasje met slappen hoed of stroohoed door de tuinen en waren aan niets van de Deensche burgerij te onderscheiden, de dames in eenvoudige robes tailleur deden in de stad hun inkoopen of speelden tennis en golf; kortom "des bourgeois en villégiature."
Op een goeden dag waren de heeren ter jacht uitgetrokken zonder gevolg, alleen in gezelschap van hun honden. Het wild bleek nog al schaarsch te zijn, want de jagers waren al heel ver over de velden voortgeloopen, zonder een enkelen fazant te hebben neergelegd. Plotseling begon de lucht te betrekken en brak er een geweldige regenbui los. Nergens in de buurt bleek een schuilplaats te zijn, toen onverwacht een boer kwam aanrijden op een breeden overdekten groentekar. Men houdt hem aan en na eenig praten stemt hij toe de heeren naar de stad te rijden.
Onderweg begint de boer aan het jongmensch dat naast hem op den bok heeft plaats genomen te vragen, waar die heeren toch wel vandaan kwamen, omdat hij hun taal--er werd Fransch gesproken--maar niet kon thuis brengen.
De jonge man--die niemand minder was dan de erfprins van Denemarken--antwoordde: Ik ben één van je landgenooten.
--Waar woont u dan?
--Te Fredensborg.
--Mag ik vragen, wat u daar voor een beroep uitoefent?
--O, niet veel bijzonders, ik ben maar erfprins.
--Hé, dat is toevallig! En die oude heer, achter u?
--Dat is mijn vader, koning Christiaan.
--Dacht ik het niet! En die twee heeren met hun baard.
--Wel dat zijn mijn zwagers, de keizer van Rusland en de koning van Engeland.
--Prachtig! Ik reis in fijn gezelschap, merkt het boertje spottend op.
En die twee anderen in den hoek?
--De oudste is mijn broer, de koning van Griekenland en die jongere, prins Karel.
--En hij, die op de honden past?
--De prins van Zweden.
--Het kan niet mooier! Welnu, laat ik u nu op mijn beurt eens in vertrouwen nemen, maar u moet me beloven het niet over te vertellen, wat ik u ga meedeelen.
--Mijn woord er op.
--Nou moet u eens raden, wie ík feitelijk ben.
--Wel, wie weet!
--Ik ben, maar u moet het niet verder vertellen. Ik ben "Onze lieve Heer."
Eleonora Duse.
"Tijdens de voorstellingen van _Sarah Bernhardt_ in Italië, woonde ik een opvoering bij te Turijn van een gezelschap, onder leiding van Sg. _Cesare Rossi_. Ik werd getroffen door het buitengewone talent van een jeugdige actrice, toen in haar land nog tamelijk onbekend: _Eléonora Duse-Checci_. Zij stelde dien avond één der heldinnen van den ouden _Sardou_ voor en speelde zoo natuurlijk en hartstochtelijk, dat men vergat het bedachte in de tooneelfiguur van den handigen dramaturg en slechts voor zich zag een lijdende vrouw, met wier lotgevallen men innig te doen had. In de uitbeelding van haar smart was zij niet te evenaren en ik durf hier gerust neerschrijven, dat ik nimmer een actrice ontmoet heb, die met meer gevoel en natuurgetrouw het lijden van anderen wist uit te beelden.
Ik begreep terstond, dat deze jonge Italiaansche zich weldra een internationalen naam zou verwerven en dat haar kunst geen tooneelliefhebber ongeroerd zou laten, zelfs vermoedde ik, dat haar genie den strijd met de grootste beroemdheden op tooneelgebied zou kunnen aanbinden en tenslotte als overwinnares uit dezen kamp te voorschijn zou treden. In mijn verbeelding zag ik reeds de schitterendste triomfen haar deel worden, waar zij ook optrad, en berekende ik de fabelachtige recettes, die met zoo'n kunstenares te maken zouden zijn. Ik moest dus tot elken prijs haar zien te bewegen haar huisgezin, haar gezelschap te verlaten en haar onder het oog brengen, dat haar kunst universeel eigendom was, omdat ze iets nieuws, iets geheel persoonlijks te genieten gaf.
Wat ik haar echter ook voorspiegelde, zij ging er niet op in. Eleonora Duse had toen nog geen vertrouwen in haar ontluikend genie. Zij was bevreesd, niet begrepen te worden en wilde liever de ster blijven te Turijn, in Piemont en Toscana, dan de nationale ijdelheid en eigenliefde van vreemde toeschouwers trotseeren.
Overtuigd als ik was, dat ze weldra in zou zien, dat Italië voor haar genie en ambitie te klein was, drong ik niet langer aan en besloot ik een betere gelegenheid af te wachten want ik bleef bij mijn voornemen, het kostte wat 't wou, de impresario te worden van deze "tragédienne", die toen reeds zich aan mij geopenbaard had, als de "Notre Dame de la Douleur". Mijn vurig verlangen kwam in vervulling.
1 Januari 1895 ontving ik volgend telegram: "Indien nog steeds van plan met mij een Europeesche tournée te beginnen, kom terstond naar Florence, waar ik u wacht". Een uur later was ik al op weg naar Italië, om mijn ster tegemoet te reizen, die gedurende al dien tijd mijn gedachten zoodanig in beslag had genomen, dat ik mijn koelbloedigheid, zoo hoog noodig in mijn vak, er bijna bij verloren had.
Zonder de minste moeilijkheid werden wij het over de voorwaarden eens en wij besloten de veroveringstocht door Europa aan te vangen met een "tournée" van een maand door Holland, België en Duitschland. Haar belangeloosheid trof mij wel het meest. Boven alles stond haar kunst, aan al het overige hechtte zij minder waarde en ik prees mij-zelf reeds gelukkig, nu eindelijk eens de hand gelegd te hebben op een actrice, die alleen dacht aan haar rollen en de verdere rompslomp aan mij overliet. Weldra zou ik inzien in hoeverre ik mijn vreugde had te temperen.
Den 8sten Maart begon onze tournée te Amsterdam met "La Dame aux Camélias". Een succes, dat mijn verwachting ver overtrof. Het publiek buiten zichzelf van geestdrift, juichte de ster toe met een warmte, een uitbundigheid, waaraan ik in Holland niet gewoon was. Ook de bladen waren één en al lof. Mijn "flair" had zich dus niet bedrogen. Ik had de phenix ontdekt, die, herboren uit de asch eener kunst van conventie, een nieuw licht ontstak en droomde van reeksen succesvolle opvoeringen en bergen gouds.
Ik had echter buiten haar nerveus gestel gerekend en juist die bezorgdheid voor haar kunst, waarover ik mij eerst zoo verheugd had, werd later voor mij een onuitputtelijke bron van moeilijkheden, soms zelfs van zeer ernstigen aard.
Mme Duse heeft zich nooit om tucht, om regelmaat bekommerd. Recette, directie, engagementen, publiek, pers, alles liet haar onverschillig.
Zij had alleen oog voor haar kunst, daaraan gaf zij zich geheel. De geringste tegenspoed, een lichte, voorbijgaande ongesteldheid, regen, sneeuw, de weinig aanlokkelijke aanblik van een haar onbekende stad, deed zijn invloed op haar inspiratie gelden. Zij meende zich dan niet geheel en al aan haar rol te kunnen geven en het publiek teleur te stellen. Op het laatste oogenblik moest dan de voorstelling afgelast worden en door een andere vervangen, of wat nog vaker gebeurde eenige dagen uitgesteld. De enorme kosten, door zulk een uitstel veroorzaakt, rekende zij niet. Of ik zoo'n avond op zijn minst een tienduizend francs verloor, afgezien nog van de onaangenaamheden met de directie van den gepachten schouwburg zoowel als de teleurstelling van het publiek, dat zich tevergeefs gederangeerd had, wanneer Mme Duse zich niet "lekker" gevoelde, het legde niet het minste gewicht in de schaal. Zij bleef bij haar voornemen en trad niet op. Ik kreeg alleen van haar dit lakoniek briefje: "Niets aan te doen. Verzin er maar op, wat je wilt. Ik speel vanavond niet".
Toch kwam het publiek steeds terug. Wanneer voor andere artiesten een uitgestelde voorstelling een verloren zaak is, scheen deze regel voor Mme Duse niet op te gaan. Niettegenstaande haar vaak ongemotiveerde weigering, om op te treden en de hierdoor geleden verliezen, heb ik gedurende de zeven jaren, dat ik met haar overal rondtrok niet eenmaal een proces, of iets van dien aard met de verschillende directies te voeren gehad.
Na haar triomftocht door Holland en België met "La Dame aux Camélias", "Magda", "La Femme de Claude", "La Locandiera", "Cavalleria Rusticana", bezochten wij het eerst Keulen, waar haar 'n succes wachtte, dat ongehoorden omvang aannam. De directeur van den schouwburg had eerst geen vertrouwen in haar optreden en weigerde zijn gebouw af te staan, welke aanlokkelijke voorstellen ik hem ook deed. Tenslotte kreeg ik alleen verlof om gedurende twee matinée's per week het "Stadt-théâter" te bespelen, waarbij hij zoo vriendelijk was mij nog toe te voegen, dat ik geen "sou" zou maken, omdat het publiek niet gewoon was naar middag-voorstellingen te gaan. Ik stoorde mij echter niet aan zijn wenken en liet doodkalm mijn eerste middagvoorstelling aanplakken: 19 April, om één uur "La Dame aux Camélias". Dien middag maakten we 9910 mark, dus een goede 12,000 francs.
Vóór het einde der voorstelling waren de plaatsen voor de volgende "matinée" van "Magda" die eerst drie dagen daarna plaats zou vinden, reeds verkocht. In den loop van den avond kreeg ik een telegram van de zuster van den keizer, die te Bonn woonde... "Verzoeke een loge te reserveeren, waar, komt er niet op aan. Tegen het middaguur, ik was juist van plan naar den schouwburg te gaan, verzocht La Duse mij haar even te komen opzoeken.
--Waarde heer Schürmann, u moet de voorstelling uitstellen. Ik kan niet spelen.
--Bent u ongesteld?
--Dat juist niet.
--Wat dan?
--Ik voel me niet "lekker". Ik zal mijn rol niet naar behooren kunnen spelen. Stuur het publiek dus maar terug.
--Onmogelijk mevrouw.
--Hoezoo?
--Er is een recette van 12,000 francs.
--12,000 francs!... Dan staat mijn besluit vast. Wanneer het publiek in zoo'n groote getale opkomt om mij te zien, dan heeft het ook recht op een vlekkelooze voorstelling. Ik heb u gezegd, dat ik me niet in staat gevoel "goed spel" te geven. Ik wil 't publiek niet bestelen.
--En de recette? En de kosten?
--Doet er niet toe! Wat zijn uw eigen verdiensten bij zoo'n recette?
--Ongeveer 2500 francs.
--Welnu, die zal ik u betalen. Ik wensch niet, dat u er iets bij verliest. Alle kosten van 't gezelschap en den schouwburg zijn voor mijn rekening.
--Het spijt me, mevrouw. Onmogelijk! De zuster van den keizer is speciaal uit Bonn voor u overgekomen. Men had haar vooruit moeten waarschuwen niet op reis te gaan.
--Zij behoort tot het publiek als alle anderen. U zult haar dus ook moeten terugzenden.
--Neen, mevrouw, het is te laat. Als u mij vanmorgen vroeg gewaarschuwd had, zou ik maatregelen hebben kunnen nemen. Nu is de schouwburg geopend en het publiek reeds binnen. Ik weet geen enkele geldende reden om de voorstelling af te kondigen.
--U moet er één vinden.
--Ik zeg u, dat dit niet gaat. U moet spelen en als u weigert, zeg ik zonder omwegen, dat u met het publiek een loopje neemt.
--Dus u eischt, dat ik speel?
--Ja mevrouw.
--Goed, dan zal ik spelen. Maar ik waarschuw u, dat ik morgen er ziek van ben en ik in twee weken niet meer optreed.
--Wanneer u heden niet optrad, zou het succes van uw "tournée" voor goed gecompromitteerd zijn.
--Het zij zoo, ik ga.
La Duse ging naar den schouwburg. Zij speelde verrukkelijk en behaalde haar gewoon succes. Na afgerekend te hebben, begaf ik mij naar mijn hotel, waar een briefje van haar reeds op mij wachtte.
--Ik ben ziek. Ik kan in veertien dagen niet optreden. Laat 't gezelschap naar Straatsburg vertrekken, waar ik 7 Mei eerst zal spelen. Ik ga voor mijn herstel naar Italië.
_Eleonora Duse._
Inderdaad, zij was vertrokken.
* * * * *
Gedurende de zeven jaar, dat ik met La Duse rondgetrokken ben, heb ik haar nooit over zaken kunnen spreken. Elken morgen maakte ik bij haar mijn opwachting. We spraken dan over litteratuur, de laatst verschenen romans, de Parijsche "premières", over Shakespeare, kortom over alles, maar nooit over zaken. Zoodra ik dat chapiter aanroerde, stond zij op en sprak:
--Bederf mij mijn dag niet. Als u mij iets daarover te zeggen of te vragen hebt, doe dat dan per brief. Ik zal u terstond antwoorden, wat mij goed dunkt. Wanneer u echter in vriendschap met mij wenscht om te gaan, dan nimmer een woord over zakelijke belangen of diensten. Ik onderscheid in u twee personen, de "homme du monde", waarmee ik met genoegen van gedachten wissel en de "homme d'affaires", waarmee ik ten mijnent niets te doen wil hebben. Onthoud dit goed en reken het u voor gezegd.
Nooit is Mme Duse van dit programma afgeweken en welke belangrijke zaak zich ook mocht voordoen, steeds moest die schriftelijk plaats vinden.
Evenmin heeft La Duse zich met bezoeken of interviews willen inlaten, wanneer zij eenmaal in den schouwburg was. Te Brussel had zij geweigerd aan de uitnoodiging van koningin Louise te voldoen, die haar door mij liet verzoeken in de koninklijke loge te komen, waar zij haar persoonlijk over haar spel wenschte te complimenteeren.
De teleurgestelde vorstin antwoordde mij: "Het zij zoo. U zegt, dat Mme Duse niet kan komen. Brengt u haar dan mijn vereering voor haar buitengewoon talent zelf over en voeg er aan toe, dat zij gerust had kunnen komen: ik eet de artiesten niet op."
In den koninklijken schouwburg te Stuttgart, liet Zijn Majesteit vragen, wanneer hij de groote artieste zijn eerbiedige hulde zou kunnen aanbieden?
--Zeg aan Zijn Majesteit, dat ik zeer gevleid ben over zijn welwillendheid, maar dat ik hem onmogelijk kan ontvangen. In den schouwburg behoor ik mijn kunst toe. Bezoeken van welken aard ook, roepen mij tot de werkelijkheid terug en verbreken de illusie, die ik noodig heb om mijn rollen naar behooren te vertolken. Ik ben ten zeerste verheugd, dat mijn kunst Zijn Majesteit behaagd heeft. Bedank hem hartelijk voor zijn welgemeende gelukwenschen en doe hem tegelijkertijd inzien, dat dit voldoende is.
Ik wachtte er mij wel voor haar antwoord persoonlijk aan den koning te gaan overbrengen en belastte hiermee den baron Van Putlitz, intendant van den koninklijken schouwburg, die 't op zijn beurt aan den hofmaarschalk meedeelde.
In de eerstvolgende pauze kwam de koning, vergezeld van den intendant en zijn generaal-adjudant zelf op het tooneel.
--Meneer, wilt u mij aan Mme Duse voorstellen?
--Sire, tot mijn spijt heb ik reeds aan uw intendant gezegd, dat Mme Duse zeer vermoeid is en onmogelijk in staat is u te ontvangen.
--Wees dan zoo goed mij de deur der loge van uw ster aan te wijzen.
Ik haastte mij dit bevel op te volgen.
De koning klopt aan.
--Wie daar?
--De koning.
--Het spijt me "meneer de koning" niet te kunnen ontvangen, ik kleed me.
--Dat doet er niet toe. Ik zal wachten, tot u gereed zijt.
--Doe dat niet, meneer. Ik heb reeds de directie laten verzoeken Zijn Majesteit mee te deelen, dat ik niet in staat ben bezoek te ontvangen.
--Mevrouw....
--Onnoodig aan te dringen. Ik zal mijn loge niet verlaten, alvorens men mij is komen berichten, dat u vertrokken bent.
Woedend verliet de koning het tooneel. Eenige oogenblikken later sprak Van Putlitz mij aan.
--U zult wel begrepen hebben, meneer Schürmann, dat het "Théâtre-Royal" voortaan voor u niet meer te krijgen is. Uw verzoek zou in geen geval meer toegestaan worden.
Men ziet, dat zoo'n tournée den impresario naast veel succes, niet minder moeilijkheden bracht.
* * * * *
Na voorstellingen te Kopenhagen en Stockholm gegeven te hebben, scheepte La Duse zich naar Noord-Amerika in. Overal hetzelfde succes. In November 1896 treedt zij te Berlijn op in het Neues Théâter, waar de ook bij ons bekende #Sigmund Lautenberg# de directie voerde. Vandaar gaat de kunstreis naar St. Petersburg. De gemiddelde recette van de veertien voorstellingen bedroeg veertienduizend francs. Te Moskou loopt de glorievolle tournée mis. Hier wordt de tragédienne ongesteld. De sneeuw, het gure klimaat schijnen voor haar zwak gestel niet te deugen. Hoewel er voor haar serie voorstellingen reeds over de honderdtienduizend francs besproken is, moet zij haar optreden telkens weer uitstellen, tot zij plotseling, op raad van haar geneesheer, naar Italië terugkeert en de teleurgestelde impresario genoodzaakt is, het geld terug te geven. Zelfs de zegelkosten, de z.g. stedelijke belasting, krijgt hij niet eens vergoed.
Tot nog toe was La Duse nimmer te Parijs opgetreden, hetgeen toch de droom is van de meeste buitenlandsche artiesten. La Duse had er ook wel ooren naar, alleen zij zag tegen de noodzakelijke reclame en "interviews" op. Ik wist haar evenwel te bepraten; beweerde, dat ze daar geen last van zou hebben en La Duse gaf tenslotte toe, op voorwaarde, dat zij door #Sarah Bernhardt# uitgenoodigd zou worden en in haar schouwburg zou optreden (in die jaren "La Renaissance"). Niet als concurrente, maar als genoodigde wilde zij voor de Parijzenaars spelen, wat niemand haar kwalijk zou kunnen nemen.
Dit ultimatum bracht mij in groote verlegenheid, doch wie niet waagt, niet wint. Daar ik met Sarah Bernhardt door vroegere "tournées" op goeden voet verkeerde, zocht ik haar op, om haar over het bezoek van La Duse te polsen. Sarah maakte niet de minste bezwaren; zij had juist voor een serie voorstellingen te Brussel afgesloten, haar schouwburg stond dus leeg en zij stelde er een groote eer in, dezen zoolang aan haar Italiaansche kunstzuster af te staan.
Nu deed zich de moeilijkheid voor een stuk uit te kiezen. #Annunzio's# "Citta morte" was reeds door den auteur aan Sarah verkocht en het ging dus niet aan, deze noviteit in haar schouwburg op te voeren. Men ried haar de bekende "Dame aux Camélias" aan, het publiek was met den inhoud voldoende vertrouwd, het was nog steeds het beste kasstuk, daar Sarah met de rol van Marguérite de grootste lauweren had geoogst. Voor La Duse was de proef gewaagd, hoewel aanlokkelijk. In een vreemde wereldstad, in 'n Parijsch stuk, in den schouwburg van Frankrijk's beroemdste actrice met haar lijfrol op te treden; men kan zoo ongeveer beseffen, wat er bij La Duse moet zijn omgegaan, toen zij dien avond voor het eerst het tooneel betrad.
Het succes was overweldigend... Sarah, die de voorstelling in de zaal had bijgewoond, was zóó verrukt over de uitbeelding van haar groote collega, dat zij haar in haar loge om den hals vloog! En de pers?...
Een artikel van den thans overleden criticus #Gustave Larroumet#, getiteld: "La Duse et le public parisien" deelt mee:
La Duse had bij deze gelegenheid dezelfde reserve tegenover de pers in acht genomen als zij dat gewoon was te doen. Zij legde noch bezoeken af, noch wilde bezoeken van krantenmenschen ontvangen. De Parijsche koningen der kritiek, die, als sommige tooneelsterren, hun mannelijke en vrouwelijke vereerders en beschermelingen er op na houden, waren door het gedrag van La Duse ten zeerste gebelgd. Het verschil in de ontvangst van het publiek en van de pers was dan ook teekenend, enkele gunstige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken. Het publiek één en al geestdrift, de verslagen onbillijk en weinig hoffelijk. Sommigen gingen zelfs zóó ver, om met het enthousiasme van de zaal den spot te drijven en noemden de pretentie van La Duse, om zich met de eerste Parijsche actrices gelijk te willen stellen, zelfoverschatting. La Duse trok zich daar echter niet veel van aan, haar reputatie achtte zij door hen niet aangetast. Zij meende, dat de Parijzenaars hun artistieke voorlichters genoeg kenden, om te weten wat zij ervan gelooven moesten, nu de pers niet op haar hand was.