Abydos De Aarde en haar Volken, 1906

Part 2

Chapter 2 1,750 words Public domain Markdown

Hij beperkte zijn eerzucht niet tot een bleeke navolging van het vaderlijk paleis, hij liet ten zuiden van den Kom-es-Soeltan een tweeden tempel bouwen ten westen van den tempel van Osiris; maar hij had de onvoorzichtigheid, die beide gebouwen van kalksteen te laten optrekken, en nu is er bijna niets meer van overgebleven, daar de kalkbranderijen er bruikbaar materiaal in vonden voor hun industrie.

Buitendien bouwde hij te Abydos een kleine kapel dichtbij het westelijke gebergte, middenin de doodenstad. Daarvan is nu niets meer over dan het gebroken voetstuk van een kolossaal beeld van Nekhao. Abydos is dus uit het oogpunt van monumenten in 't geheel niet te vergelijken met enkele andere steden, zooals Thebe bij voorbeeld, omdat Memphis is verwoest; wat dit betreft, kan men de stad niet op één lijn stellen met de beide hoofdsteden van het oude Egypte; maar van het standpunt der decoratieve kunst, der intieme kunst, die tot het hart meer spreekt dan tot het verstand, is Abydos zonder weêrga in geheel Egypte, en alle reizigers, die den tempel van Seti I hebben bezocht, zijn onder de bekoring gekomen en hebben van daar de levendigste herinnering aan hun reis in Egypte medegenomen.

Doch wat het meest bewonderenswaardig was in Abydos, was zijn reusachtige doodenstad, necropool van meer dan twee mijlen lengte bij een gemiddelde breedte van ongeveer een kilometer. Daar zijn, het eene na het andere, alle geslachten ter ruste gegaan, die sinds het ontstaan der stad in Abydos hebben geleefd. Mariette heeft er negentien jaren aaneen opgravingen gedaan; hij hield ermee op, omdat het werk hem tegenstond, juist op een plek, waar het bijzonder interessant werd; maar de doodenstad had hem bij de vijftienhonderd gedenkzuilen opgeleverd, die op hun manier de geschiedenis van de stad bevatten. En toch, hetgeen Mariette vond in de negentien jaar, door zijn opgravingen ingenomen, gevoegd bij hetgeen men onlangs heeft gevonden, is slechts een zeer klein, ongelukkig gedeelte van de rijkdommen, die er begraven waren. De inboorlingen zijn, van den ouden keizertijd af tot op onze dagen, de grootste vernielers der monumenten geweest; er is geen enkel graf in deze doodenstad, dat niet geschonden is, zoo het niet twee keer aan roof heeft blootgestaan.

Maar het is recht en billijk, naast die eerste oorzaak van verwoesting, die terstond moet opvallen, een tweede te stellen, namelijk de dweepzucht der christenen, die even ruw en dom en bijgeloovig te werk gingen, en vooral van die christenen, die reikhalzend naar een leven, dat volmaakter moest zijn dan dat van andere stervelingen, schitterende daden wilden doen, waardoor ze op eenmaal zouden uitmunten boven hun gewone medemenschen. Wat de christelijke monniken al kwaads hebben gedaan in Egypte en vooral te Abydos, is eenvoudig onberekenbaar, en ik wil nu nog alleen spreken van den roof, gepleegd aan de grootsche bouwwerken, door het genie van 't oude Egypte nagelaten aan de bewonderende nakomelingschap. Hun domme woede keerde zich vooral tegen de groote beelden der groote goden, alsof die kunstwerken den nieuwen god, in wien zij geloofden, op zijn troon zouden hebben kunnen doen beven.

Tot de zesde eeuw van onze jaartelling was Abydos zoo goed als bevrijd gebleven van den ijver der christenen, ofschoon de monumenten niet voltooid waren en niemand acht sloeg op hun verval en ofschoon de inboorlingen, die behoefte hadden aan goud en zilver, en de geslachten, die elkander rijkdommen betwistten, vernield hadden wat zij konden. Toch werd er in de tempels, vooral in dien van Seti I nog dienst gehouden, en een deel der pracht was in stand gebleven. Vreemdelingen kwamen van heinde en ver de wonderen zien, en ten bewijze van hun bewondering namen ze de toevlucht tot kleineering van wat zij bewonderden, door te schrijven op de muren, op de voorstellingen der godentafereelen, zelfs in de geheimste kapellen. Daar prijkten dan hun aanmatigende, onbeduidende namen als schitterende blijken van hun dwaasheid. Ondanks die parasietische vereering, die altijd toenam, was de tempel van Seti I nog zetel van den pharaonischen eeredienst, dat is van den dienst, dien heel Egypte voor zijn grootste koningen hield en die hier vooral den vader van Ramses II betrof; de plechtigheden legden nog op veel personeel beslag, toen tegen de eerste jaren van de zesde eeuw een monnik, die zijn klooster ten noordwesten van de stad gebouwd had en die Mozes heette, met één slag èn den tempel èn den eeredienst, dien men den ouden koningen van Egypte wijdde, wilde vernietigen, zoowel als den invloed, dien de aan den tempel verbonden geestelijkheid nog bezat. Het was een grootsche strijd, en de dweepzieke monnik wist de zege te behalen. Op een dag van bloed en tranen ging de schijnheilige Mozes bidden, riep den toorn van zijn god in over den tempel en de priesters van den tempel, en even daarna schudde een aardbeving het huis tot in zijn diepste diepten, en alles stortte in, waarbij drie-en-twintig gewone en zes hooge offerpriesters omkwamen.

Als men dat zoo vertelt, lijkt het een wonder; maar de werkelijkheid is anders geweest. De monniken, geleid door hun opperhoofd Mozes, kwamen uit het Noordwesten; zij openden een bres, wat betrekkelijk gemakkelijk was, en, gewapend met zware ijzeren staven, beproefden zij, in grooten getale opgekomen en gerecruteerd uit alle aanhangers der nieuwe leer, die zich in de stad bevonden, een aanval. Op de stevige steenen van het gebouw vermocht de brand niet veel, maar de schilderingen op de muren werden een gemakkelijke prooi van het vuur, en al wat zij verder konden vernielen, bezweek onder de slagen.

Toch stieten zij op weerstand, en hoewel de tegenstanders een gruwelijken dood stierven, ook de dweepzieke bende had veel verliezen te lijden. Als men nog maar kon denken, dat het vernielingswerk plaats had in een oogenblik van toorn en opgewekte volkswoede! Maar de vernielingsarbeid duurde een heelen tijd, de woede was al lang bekoeld, toen nog de dweepzucht bleef gelden.

Te midden van de oude pracht, die zooveel herinneringen wekt, doorleefde ik een viertal winters. Het moderne leven der bewoners van Abydos was niet zoo begeerlijk voor mij, dat het mij weg kon lokken van de oude ruïnen. Elken dag en ieder oogenblik werd mijn aandacht getrokken door tooneelen uit de oudheid, die hun stempel hebben gedrukt op de tegenwoordige geslachten.

De dorpen, die thans verrijzen op de plek der oude stad van Osiris, zijn altijd in twee kampen verdeeld, dat der heftigen en dat der vreedzamen. Set heeft zelfs nog meer aanhangers dan de goede god, Osiris. De heftigen zijn goed georganiseerd onder leiders, die even slim zijn als geveinsd. Er bevond zich tijdens mijn verblijf in Abydos een bende boosdoeners, die werkte onder eene bij allen bekende leiding. Zij verwoestten het land tien mijlen in den omtrek, en de plaatselijke autoriteit onderhandelde met die menschen, blij, dat ze er met weinig kosten af was en daarbij nog haar deel ontvangend van den buit, door nachtelijke expedities opgebracht.

Als de leden van de bende van iemand in den omtrek hoorden spreken, die door slimmen handel en groote spaarzaamheid eenig geld had gewonnen en het zoo goed mogelijk had verborgen, en hun spionnen waren daarvan spoedig op de hoogte, dan begaven zich zestig of tachtig man, met goede geweren gewapend, naar de plek, sloten de huizen in, verwekten schrik en angst in de nabuurschap, traden overal binnen, zonder verlof te vragen en maakten zich van de begeerde schatten meester, alsof dat de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld was. Tijdens mijn derde verblijf plunderde die schrikwekkende bende een huis in een dorp, ten noorden van Abydos gelegen, en dreigde den oudsten zoon van het gezin, hem in stukken te snijden, als hij niet aanwees, waar zijn vader zijn geld bewaarde. De zoon hechtte meer aan zijn leven dan aan het geld, zooals te begrijpen is; hij wees den boosdoeners wat zij zochten, en de schurken trokken af met hun buit.

Zij gingen toen hun plunderingen zuidelijker vervolgen, en toen daar de man, op wiens geld zij het voorzien hadden, erin slaagde te ontvluchten, doodden zij hem den volgenden dag. Deze beide voorvallen hadden plaats in een tijdsbestek van veertien dagen. De plaatselijke autoriteit, ik bedoel den provincialen gouverneur, werd opgeschrikt door deze voorvallen en schreef een enquête uit, terwijl hij een bezoek ter plaatse bracht. De justitie kwam in beweging; er werd geschreven aan het hoofd der politie van het district, die op zijn beurt den magistraat van Abydos interpelleerde; en deze waardige man had niets haastigers te doen, dan de misdadigers te waarschuwen, dat zij al, wat tegen hen kon pleiten, moesten opruimen. Den volgenden dag kwam de politie, en de dieven en moordenaars hadden de volledigste ontkenningen klaar en de duidelijkste muzelmansche onschuld, in hun vuistje lachend om het gek figuur, dat de ambtenaren der regeering maakten.

Naast deze aanhangers van Set staan dan de aanhangers van Osiris, waar de eersten altijd mee lachen, nu zoowel als vroeger. Die vreedzame luidjes leverden het hoofdcontingent der werklieden bij de door mij geleide werken; maar ook zij zijn aangestoken door de leer van Osiris' tegenstander, zij hebben slechts matigen eerbied voor eens anders eigendom. Zij betoonden mij grooten eerbied, dankbaar dat ik hun iets liet verdienen, en soms noodigden ze mij uit, om enkele voorstellingen bij te wonen, gelijk aan die, welke op de graven waren afgebeeld, zoodat ik mij kon voorstellen, dat de godin Isis, de groote toovenares, nog altijd zooveel macht had als haar in 't verleden werd toegeschreven.

Wanneer ik des avonds thuis kwam, en hun dagtaak was volbracht, vergezelden ze mij al zingend, en als ik mijn verbeelding den vrijen loop liet, kon ik mij een zegevierenden intocht voorstellen in mijn goede stad Abydos. Indien bij het werk dien dag een goede vondst was gedaan van een of ander forsch steenen monument, brachten ze dat in mijn huis en trokken het met zestig of honderd man op een slede aan een touw voort, hun schreden afpassend naar de maat eener oude melodie, tevreden en gelukkig in hun armoedig bestaan. Bij het werk zag ik de opzichters nog dezelfde slagen toedienen met dezelfde zweepen, als er op de oude basreliefs te zien waren.

De zwarte aarde van Egypte heeft maar één gebrek: dat zij haar eigen bewoners zoo slecht voedt; maar overigens is dat land een aardsch paradijs. De natuur schenkt er, wat men maar wenschen kan. Zij biedt de allerschoonste tooneelen aan, en als des avonds de zon achter de bergen was verdwenen, was de stille rust van den schoonen nacht heerlijke balsem voor de ziel. Men zou hier eeuwig hebben willen leven.