Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden

Part 6

Chapter 63,712 wordsPublic domain

Het was altijd zijn ijverig streven om den vrede met alle volken van Europa, inzonderheid met Engeland en Frankrijk, te bewaren. In lateren tijd wendde hij een gevaarlijk geschil met de Fransche regering af door de meening van het Congres omtrent het Mexicaansche keizerrijk niet te vragen.

De redevoering, welke Mr. Lincoln op het Congres in zijne gewone zitting van December 1861 hield, was een document, doortrokken met dat wijze conservatisme, dat al zijne vroegere redevoeringen gekenmerkt had. Bij het spreken over de politiek, die gevolgd moest worden ten einde den opstand te onderdrukken, vermeldde hij, dat de onvermijdelijke strijd, noodwendig tot de bereiking van het doel, niet moest ontaarden in een verbitterd revolutionair gevecht. In ieder document, dat hij uitvaardigde, zoowel als in zijne gesprekken over de kwestiën van den dag, was het niet twijfelachtig, welke zijne persoonlijke meeningen waren. En zijne persoonlijke inzigten—zoo als zij onder anderen zijn uitgedrukt in zijn brief aan Fremont, waarin hij de laatste woorden van diens bevel tot emancipatie wijzigde, en in zijn brief aan den Gouverneur Magoffin, van Kentucky, waarin hij weigerde om de federale troepen uit dien staat te verwijderen en de weinig vaderlandslievende verzoeken van dien ambtenaar berispte—die inzigten hebben in alle opzigten en ten allen tijde de volkomene instemming van zijne landgenooten mogen ondervinden. Weinige weken waren voldoende om aan het publiek de wijsheid en de regtvaardigheid te doen inzien van iedere handeling, waarbij de President geroepen was om zijne magt als hoofdbevelhebber des legers en uitvoerder van de wetten uit te oefenen.

Op den 6{den} Maart 1862 ontving het Congres eene boodschap van den President, waarin hij de aanneming van maatregelen tot eene trapsgewijze emancipatie der slaven voorstelde. Dit voorstel was van den volgenden inhoud:

»Er wordt besloten, dat de Vereenigde Staten hunne medewerking zullen verleenen aan iederen Staat, welke tot eene trapsgewijze afschaffing der slavernij besloten heeft, door aan zulk een Staat geldelijken onderstand te geven, welke zulk een Staat naar eigen goedvinden kan gebruiken, ten einde op die wijze te gemoet te komen in de bezwaren, welke door zulk een verandering van stelsel noodzakelijk moeten te weeg gebragt worden.”

»Zulk een voorstel,” zeide hij, »van den kant van de algemeene regering des lands uitgegaan, geeft echter aan deze regering geen regt om zich te bemoeijen met de slavernij binnen de grenzen van eenigen Staat, want het laat het geheele bestuur dezer zaak in ieder geval over aan den Staat en aan de bevolking, die daarbij belang hebben. Het wordt gedaan als eene zaak, die geheel van hunne vrije keuze afhangt.”

Deze belangrijke maatregel werd in bijna alle deelen des lands, die aan de Unie getrouw gebleven waren, met ingenomenheid begroet. Een bewijs dat ook het buitenland daarmede ingenomen was, werd uit Engeland ontvangen, terwijl de liberale pers het voorstel van den President als het uitvloeisel eener wijze en edelmoedige politiek roemde.

Mr. R. Conkling, uit New-York, bragt eenige dagen later in het Huis der Vertegenwoordigers eene gunstige meening omtrent het voorstel van den President uit. Het werd aangenomen met 89 tegen 31 stemmen en later in den Senaat met 32 tegen 10 stemmen. De wet werd op den 10{den} April door den President bekrachtigd. Deze wet werd algemeen slechts als eene proefneming beschouwd, maar de aanneming daarvan was eene gewigtige stap tot de geheele afschaffing der slavernij, welke door alle staten der Unie vurig gewenscht werd.

Op den 9{den} Mei vaardigde generaal Hunter, die het bevel voerde over het leger in de staten Zuid-Carolina, Georgia en Florida, een dagorder uit, waarin hij verklaarde, dat alle slaven in de genoemde staten voortaan »voor immer vrij” zouden zijn, als eene zuiver militaire noodwendigheid. Daarop vaardigde de President eene proclamatie uit, waarin hij de dagorder van generaal Hunter opnam, maar deze toch ophief, daar hij het verkieselijker achtte om, ingeval de noodzakelijkheid zulks vereischte, de uitvaardiging van zulke bevelen aan zich zelven toe te vertrouwen, in plaats van de kwestie aan de beslissing van zijne militaire ondergeschikten over te laten. In deze proclamatie laschte Lincoln ook het besluit in van het Congres, waarvan wij zoo even gesproken hebben, en verzocht zijne medeburgers in de ernstigste bewoordingen om eene kalme en rijpe overweging der zaak.

Wanneer de eerste stappen tot de verwezenlijking van het een of ander groot beginsel gedaan zijn, volgen de overige al spoedig. In de maand April 1862 werd de slavernij in het district Columbia afgeschaft.

In Mei werden de havens van Beaufort, Port-Royal en New-Orleans voor den wereldhandel opengesteld.

De President hield op den 12{den} Julij eene bijeenkomst met de leden van het Congres uit de grensstaten, waarin de slavernij nog heerschte, ten einde hen te bewegen om, zoo mogelijk, bij hunne respectieve Staten op eene trapsgewijze emancipatie aan te dringen. Hij bragt hun daarbij ernstig onder het oog, dat zulk eene handelwijze ongetwijfeld zou bijdragen tot bevordering van het welzijn hunner Staten en deze nog meer van de zaak der geconfedereerden zou losmaken. Lincoln rigtte zijne voorstellingen omtrent dit onderwerp tot hen op die bepaalde, ernstige wijze waarop hij steeds gewoon was te spreken.

De meerderheid van die leden, welke zoo ernstig en zoo welsprekend toegesproken waren, gaf een antwoord, waarin zij verklaarden van den President te verschillen in zijn inzigt, dat het nemen van maatregelen tot de aanneming der emancipatie gunstig op de zaak der Unie zou terugwerken of het einde van den oorlog verhaasten; terwijl de minderheid in een antwoord hare instemming met de inzigten van den President verklaarde.

Hierop volgde de Confiscatie-Wet, die door andere gewigtige maatregelen voorafgegaan en gevolgd werd, en het Congres werd tot den 17{den} Julij verdaagd.

Op den 6{den} Augustus werd er een groote krijgsraad te Washington gehouden, waarbij de president Lincoln tegenwoordig was en eene belangrijke redevoering hield.

De gewigtigste officiëele handeling van dat jaar en van de geheele eeuw volgde op den 22{sten} September 1862. Op dien dag vaardigde Lincoln de beroemde proclamatie uit, waarbij alle personen, die in de oproerige staten in slavernij zuchtten, op en na den eersten Januarij des volgenden jaars voor immer vrijverklaard werden.

Er waren slechts twee dagen verloopen sedert de uitvaardiging van de proclamatie betreffende de emancipatie, toen er een ander mandaat van bijna gelijk gewigt als een bom te midden van de rijen der Zuidelijken viel. Dit stuk betrof de opheffing van de _habeas-corpus_-acte. Hierin werd verordend:

»Gedurende den tegenwoordigen opstand en als een noodzakelijke maatregel tot onderdrukking daarvan, zullen alle rebellen en insurgenten hunne aanhangers en medepligtigen binnen de Vereenigde Staten, en alle personen, die vrijwillige dienstneming tegenwerken, de plannen van het leger belemmeren, of schuldig zijn aan eenige schandelijke praktijk door bieden van hulp aan de rebellen in strijd met het gezag van de Vereenigde Staten—onderworpen zijn aan de krijgswetten en verhoord en gestraft worden door een krijgsraad of eene militaire commissie.

»De habeas-corpus-acte is opgeheven ten opzigte van alle personen, die gearresteerd zijn en die nu en later gedurende den opstand zullen opgesloten worden in eenig fort, kamp, arsenaal, militaire gevangenis of andere plaats, hetzij door eenige militaire autoriteit, of bij een vonnis van een krijgsraad of eene militaire commissie.”

Deze wet—zonder eenigen twijfel ontsproten uit het aangroeijende gevaar van den geest van misnoegdheid, die door de vrienden der slavernij in het Noorden opgewekt was—breidde de magt van den President in zulk eene mate uit, dat zij aan vele democraten onwelkom was. De misnoegden stonden er nu ieder oogenblik voor bloot om door den sterken arm der militaire wet aangegrepen te worden, en de weldadige uitwerking van deze wet openbaarde zich al spoedig in het oogenblikkelijke en geheele ophouden van alle bemoeizucht met aanwervingen van soldaten.

Dit was tevens het vermaarde tijdperk, dat sedert met den naam van het oorlogssaizoen van 1862 bestempeld is. De zomer was getuige geweest van de nederlaag van het groote leger van M'Clellan, hetwelk met zoo veel zelfvertrouwen tot de verovering van Richmond opgetrokken was. Het werd door de zuidelijke bajonetten verdreven, waardoor de neêrslagtigheid in het Noorden algemeen werd. Het zou ons te ver afleiden, als wij hier uitvoerig wilden handelen over de twisten, die er na deze ramp ontstonden over dengene, die er verantwoordelijk voor was. De vrienden van generaal M'Clellan verdedigden hunnen held met den grootsten ijver, en laadden al de schande op den President en zijn Secretaris van Oorlog, terwijl de aanhangers der regering deze met gelijken ijver tegen alle aanvallen verdedigden en de nederlaag enkel en alleen aan de onbekwaamheid en de vreesachtigheid van M'Clellan toeschreven. Het valt moeijelijk om de uitspraak van den toekomstigen en onpartijdigen geschiedschrijver vooruit te loopen. Maar door weinige beoordeelaars in den tegenwoordigen tijd zal de schuld op de regering geworpen worden.

Generaal Pope werd tot opvolger van M'Clellan in het bevel over het leger van de Potomac benoemd; en op den 27{sten} Augustus gelastte generaal Halleck, die naar Washington ontboden was, aan generaal M'Clellan om het geheele bestuur op zich te nemen van het zenden van troepen van Alexandrië ter versterking van de legermagt van generaal Pope, die door het leger der zuidelijken in de nabijheid van Warrenton duchtig in het naauw gebragt werd.

De President Lincoln toonde zich in zijne geheele briefwisseling met generaal M'Clellan zoo bedaard als hij maar zijn kon. Hij berispte altijd met gematigdheid; en ofschoon hij nu en dan misschien een weinig sarcastisch geweest is in zijne antwoorden op de klagten van den bevelhebber, waren deze antwoorden toch altijd op een gemeenzamen toon en gewoonlijk in den vorm van brieven gesteld.

Het Noorden was door dezen ongelukkigen zomer met angst en vrees vervuld, maar de verslagene harten werden opgebeurd door de roemrijke geruchten van Hooker en Burnside bij Antietam en Penyville, die, al waren het ook geene werkelijke overwinningen, het land in allen gevalle van de invallen der vijanden bevrijdden.

Op het Congres, dat in December daaraanvolgende bijeenkwam, hield Lincoln eene rede, die zich door wijze gematigdheid kenmerkte. De vrienden der afscheiding, zoowel in het Noorden als in het Zuiden, hadden de onregtvaardigheid en de ondoordachtheid van den oorlog, tegen het Zuiden gevoerd, sterk doen uitkomen en beweerd, dat de strijd slechts eene poging tot het verkrijgen der opperheerschappij was. Lincoln weêrlegde deze beschuldiging door de dwaasheid en onmogelijkheid eener afscheiding aan te toonen en de aanneming van maatregelen aan te bevelen, welke voor immer de drogredenaars tot zwijgen moesten brengen, die beweerden, dat het Noorden even onverschillig omtrent de regten der slaven was als het Zuiden en de verdediging dier regten slechts als een voorwendsel tot den strijd bezigde. Hij besloot zijne rede met de aanbeveling van de volgende resolutie en artikelen, als amendementen op de Constitutie der Vereenigde Staten:

»Er wordt door den Senaat en het Huis der Vertegenwoordigers der Vereenigde Staten van Amerika, op het Congres vereenigd, besloten:

»Dat de volgende artikelen aan de Wetgevende Vergaderingen (of conventiën) van de verschillende staten zullen voorgesteld worden als amendementen op de Constitutie der Vereenigde Staten, en dat, in geval al deze artikelen of een daarvan door drie vierden van de genoemde Wetgevende Vergaderingen (of conventiën) aangenomen worden, zij als een bestanddeel of als bestanddeelen van de genoemde Constitutie zullen gelden, namelijk:

»Artikel.—Iedere staat, waarin de slavernij nu bestaat en welke deze zal afschaffen vóór den eersten Januarij van het jaar onzes Heeren negentien honderd, zal eene schadeloosstelling van de Vereenigde Staten ontvangen, op de volgende wijze:

»De President van de Vereenigde Staten zal aan zulk een Staat obligatiën van de Vereenigde Staten afgeven, een interest opleverende van .... percents jaars tot een bedrag van .... voor iederen slaaf, welke obligatiën aan zulk een staat in termijnen of in eens zullen afgegeven worden, wanneer de slavernij daarin geheel afgeschaft is. Iedere staat, die de bovengenoemde obligatiën ontvangen heeft en later de slavernij binnen zijne grenzen weder invoert of duldt, zal aan de Vereenigde Staten de ontvangene obligatiën teruggeven, of de waarde daarvan, met en benevens den interest, die reeds betaald is.

»Artikel.—Alle slaven, die ten gevolge van den oorlog in het werkelijk genot der vrijheid zullen gesteld zijn, en dat wel vóór het einde van den opstand, zullen voor immer vrij zijn; maar alle eigenaars van slaven, die zich niet aan de Unie onttrokken hebben, zullen daarvoor schadevergoeding krijgen volgens denzelfden maatstaf, die vastgesteld is voor staten, welke de afschaffing der slavernij aangenomen hebben, met dien verstande, dat voor geen slaaf tweemaal zal betaald worden.

»Artikel.—Het Congres zal geld beschikbaar stellen, en op andere wijzen zorg dragen voor kolonisatie van vrijverklaarde slaven, met hunne eigene toestemming, op de een of andere plaats of plaatsen buiten de Vereenigde Staten.”

De nederlaag van Burnside bij Fredericksburg, op het einde van 1862, ontmoedigde het Noorden weder; doch spoedig zouden er helderder dagen aanbreken, ofschoon de nederlaag van Hooker bij Chancellorsville in April daaraanvolgende een ongunstig begin van het nieuwe jaar scheen. Het leger der Zuidelijken deed later een inval in Maryland en Pensylvanië, doch werd bij Gettysburg door de overmagt teruggedreven met een verlies van veertien duizend gevangenen en vijf en twintig duizend geweren en ander wapentuig.

Later werd er een stuk gronds in den omtrek van Gettysburg afgepaald voor een kerkhof tot begraving der duizenden verdedigers der Unie, die bij dit hevige gevecht gesneuveld waren. Tot de plegtige wijding van dit uitgestrekte kerkhof kwam de President en zijn kabinet over, vergezeld door een talrijk militair geleide en eene groote menigte belangstellenden. Edward Everett hield daarbij eene redevoering, waarbij de President nog de volgende schoone woorden voegde:

»Zeven en tachtig jaren geleden hebben onze vaderen op het vasteland van Amerika een nieuw volk doen ontstaan, in vrijheid ontvangen en vast in de overtuiging, dat alle menschen gelijke regten hebben. Thans zijn wij in een grooten burgeroorlog gewikkeld, waarin zal blijken, of dat volk, of eenig volk, in vrijheid en gelijkheid geteeld, kan bestaan. Wij zijn bijeengekomen op een uitgestrekt slagveld van dien oorlog; wij zijn bijeengekomen om een gedeelte daarvan toe te wijden tot eene laatste rustplaats voor hen, die hier hun leven opofferden, opdat die natie zou leven. Het is billijk, dat wij dit doen.

»Maar in zekeren zin kunnen wij dezen grond niet wijden, niet inzegenen, niet heiligen. De dappere mannen, levenden en dooden, die hier gestreden hebben, hebben het beter ingewijd dan wij het doen kunnen. De wereld zal er weinig acht op slaan, zal al spoedig vergeten, wat wij hier zeggen, maar zij kan nooit vergeten, welke heldendaden hier verrigt zijn. Het staat aan ons, de levenden, om ons hier toe te wijden aan het onvoltooide werk, dat zij tot dusverre zoo krachtig bevorderd hebben. Het staat aan ons om ons hier toe te wijden aan de groote taak, die ons weggelegd is, opdat wij met nieuwe kracht aangegord worden, tot den strijd voor de zaak, waarvoor zij goed en bloed opgeofferd hebben,—opdat wij hier het vaste besluit nemen, dat die dooden niet te vergeefs zullen gestorven zijn,—opdat de natie, onder Gods zegen, tot vrijheid wedergeboren worde,—en opdat de regering van het volk, door het volk en voor het volk nimmer verdelgd worde.”

De gevechten bij Vicksburg en Port-Hudson, waarin de wapenen der Noordelijken de overwinning behaalden, volgden al spoedig op dat bij Gettysburg. Dat bij Vicksburg namelijk had plaats op den 4{den} Julij en was zeker wel de beste wijze, waarop die nationale heiligen-dag ooit gevierd is.

De vruchten, die dit jaar opgeleverd had, waren van dien aard, dat er overvloedige reden bestond om een dag af te zonderen, ten einde dien aan dankzegging aan God toe te wijden. Diensvolgens schreef Lincoln een dankdag uit bij eene proclamatie, welke zich door nederigheid van inhoud, schoonheid van vorm en opregtheid van gevoel kenmerkte. Wij kunnen ons niet onthouden, haar hier mede te deelen. Zij luidde aldus:

»Het jaar, dat ten einde spoedt, is rijk geweest in zegeningen van een overvloedigen oogst en een gewenschten gezondheidstoestand. Bij deze weldaden, in wier genot wij ons zoo bestendig mogen verheugen, dat wij maar al te zeer geneigd zijn om de bron te vergeten waaruit zij voortvloeijen, hebben zich nog andere gevolgd, die van zulk een buitengewonen aard zijn dat zij zelfs het hart moeten treffen, dat doorgaans ongevoelig is voor de steeds wakende Voorzienigheid van den almagtigen God.

»Te midden van een burgeroorlog, die met ongehoorde verbittering gevoerd wordt en somtijds aanleiding dreigde te geven tot een inval van vreemde mogendheden, is de vrede met alle natiën bewaard gebleven, is de orde gehandhaafd, zijn de wetten geëerbiedigd en gehoorzaamd, en heeft er allerwege eene goede verstandhouding geheerscht, behalve op het tooneel des oorlogs, welk tooneel echter zeer verkleind is door het voortrukken van de land- en zeemagt der Unie.

»Het was noodzakelijk om geld en kracht, die in vreedzamer tijden tot andere doeleinden gebezigd worden, tot de verdediging des lands aan te wenden, maar toch hebben de landbouw, de koophandel en de zeevaart niet behoeven stil te staan. De bijl heeft de grenzen van onze koloniën uitgebreid, en de mijnen, zoo wel van ijzer en steenkolen als van kostbare metalen, hebben zelfs meer dan vroeger opgebragt. De bevolking is gedurig toegenomen, niettegenstaande de verwoestingen, welke in het legerkamp, bij belegeringen en op het slagveld aangerigt zijn; en het land, dat zich mag verheugen in de gevolgen van toenemende sterkte en kracht, mag de volgende jaren te gemoet zien met de hoop op eene uitbreiding der vrijheid.

»Geen menschelijke raad heeft deze groote dingen ontworpen, geen sterfelijke hand heeft ze gewrocht. Het zijn de genadegaven van den Allerhoogsten God, die, terwijl hij zijn toorn over onze zonden had kunnen uitstorten, ons nogtans in genade gedachtig geweest is.

»Het is mij wenschelijk voorgekomen, dat die weldaden door het geheele Amerikaansche volk als met één hart en ééne stem plegtig, eerbiedig en dankbaar erkend worden. Ik noodig mijne medeburgers in ieder gedeelte der Vereenigde Staten, en tevens hen die op zee zijn, alsmede hen, die hun verblijf in vreemde landen houden, daarom uit om den laatsten Donderdag in November af te zonderen tot het houden van een dank en bededag, toegewijd aan onzen weldoenden Vader, die in de hemelen woont. En ik beveel hun aan, dat zij, terwijl zij Hem de verschuldigde offers brengen voor zulke merkwaardige verlossingen en zegeningen, tevens met ootmoedig berouw over de verkeerdheid en de ongehoorzaamheid des volks, al diegenen in zijne hoede aanbevelen, welke door den beklagenswaardigen burgeroorlog, waarin wij zonder ons toedoen gewikkeld zijn, weduwen, weezen, treurenden of lijdenden geworden zijn, en dat zij vurig smeeken om de tusschenkomst van de hand des Almagtigen tot heeling van de wonden der natie en tot herstelling, zoo spoedig als dit met de goddelijke bedoelingen overeenkomstig is, van het volle genot van vrede, eensgezindheid en rust.”

Het zij ons vergund om hier nog een gedeelte van den brief mede te deelen, waarin Lincoln aan generaal Grant zijne erkentelijkheid betuigt voor de inneming van Vicksburg. Uit deze brief toch blijkt de openhartigheid en de nederigheid van den President. Hij luidt aldus:

Washington, 13 Julij 1863.

»Mijn waarde generaal!

»Ik kan mij niet herinneren, dat ik u ooit persoonlijk ontmoet heb. Ik schrijf u dezen tot eene dankbare erkentenis van de bijna onschatbare dienst, die gij aan het vaderland bewezen hebt. Ik schrijf u dezen om u nog meer te zeggen. Toen gij in de nabijheid van Vicksburg gekomen waart, dacht ik, dat gij terstond zoudt doen, wat gij eindelijk gedaan hebt.... Ik dacht dat gij u met generaal Banks zoudt vereenigen, en toen gij noordwaarts opruktet, vreesde ik, dat dit eene verkeerde beweging was. Ik wil daarom hierbij de gulle bekentenis voor u afleggen, dat gij de zaak goed beschouwd hebt, terwijl mijne inzigten verkeerd waren.

»Met alle achting

»A. Lincoln.

»Aan den generaal-majoor Grant.”

Op den 9{den} December 1863 hield Lincoln de jaarlijksche openingsrede in het Congres. In eene proclamatie, die daarbij tevens uitgevaardigd werd, deed Lincoln, ingevolge een vroeger besluit van het Congres, het aanbod van eene »algemeene amnestie” aan alle burgers der oproerige staten, die geneigd zouden zijn om een eed af te leggen tot de ondersteuning van de constitutie der Vereenigde Staten en van alle wetten, »met betrekking tot de slaven” uitgevaardigd. Er werden daarbij echter eenige uitzonderingen gemaakt ten opzigte van de ambtenaren en agenten van de »zoogenoemde geconfedereerde regering.” De proclamatie deelde insgelijks mede, »dat wanneer er in een van de afgescheidene staten een getal personen was, niet minder bedragende dan een tiende gedeelte der stemhebbende bevolking, dat de vroegere staatsregeling hersteld wilde hebben, zulks aan een zoodanigen staat het regt zou geven om weder in de Unie opgenomen te worden.” De wijsheid van deze beide maatregelen bleek al spoedig uit den afval van duizenden personen van de oproerige staten, die zich haastten om den vereischten eed af te leggen, en uit de bijzonderheid, dat daardoor twee belangrijke staten tot de Unie teruggebragt zijn.

Terwijl de afgescheidene staten zich op deze wijze, tengevolge van eene verstandige en verdraagzame politiek, geneigd betoonden om tot de Unie terug te keeren, werd er tevens eene verandering opgemerkt in de wijze, waarop de Noordelijken zich omtrent de Zuidelijken uitlieten. Dit bleek ten duidelijkste uit de meerdere gematigdheid, die er in het Huis der vertegenwoordigers omtrent hen aan den dag gelegd werd. Eene gestrenge afkeuring van het gedrag van den secessionist Harris uit Maryland, en van zijn medestander, Alexander Long, uit Ohio, werd door het Huis met groote meerderheid van stemmen aangenomen.

Op den eersten dag der zittingen van het Congres, in de laatste dagen van Februarij, werd er een besluit, waarbij een luitenant-generaal over het leger aangesteld werd, door de beide Huizen aangenomen en door den President bekrachtigd. Aller oogen waren nu gevestigd op generaal Ulysses S. Grant, den held in zoovele overwinningen, die zoo al niet de ijverigste en de onbaatzuchtigste, dan toch de gelukkigste aanvoerder geacht werd in een oorlog, waarin zoovele officieren zich eene hooge plaats in de achting des volks verworven hadden. Hij werd dan ook als de meest geschikte persoon beschouwd om dezen hoogen rang, waaraan zulk eene zware verantwoordelijkheid verbonden was, te bekleeden. Terstond werd hij tot luitenant-generaal benoemd, en zijne benoeming op den tweeden Maart met eenparige stemmen door den Senaat bekrachtigd. Onmiddellijk werd hij naar Washington ontboden, ontving zijne aanstelling en begon aanstonds toebereidselen te maken tot een grooten veldtogt, waarbij de vereenigde legers van het Oosten en Westen eene poging zouden doen om den strijd tot eene beslissing te brengen.