Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden
Part 5
De onverwachte aankomst van Lincoln te Washington baarde allerwege verwondering. Er waren op groote schaal toebereidselen tot zijne ontvangst gemaakt; de Mayor had een adres van gelukwensching en verwelkoming opgesteld; de soldaten hadden nieuwe uniformen gekregen en hunne wapenen gepoetst, de beide Huizen van het Congres zouden hem en corps verwelkomen, en »de verwachte man” was het algemeene onderwerp der gesprekken. Alle gemaakte toebereidselen werden echter verijdeld, want hij kwam in hun midden als een onverwachte gast. Toen het bekend werd, dat hij zich in de stad bevond, werd zijn hôtel door eene groote menigte omsingeld, daar allen verlangend waren om een woord te wisselen met den man, die het lot der republiek ten goede of ten kwade kon keeren. Maar hij was voor niemand te spreken. Ten elf ure bragt hij, in gezelschap van Mr. Seward, een bezoek aan Mr. Buchanan. De verwondering van den bewoner van het »Witte Huis” was groot, maar toch begroette hij zijn opvolger met de meeste hartelijkheid. Daar er juist een kabinetsraad gehouden werd, begaf Mr. Lincoln zich naar het vertrek, waar dit plaats had, tot groote verwondering en blijdschap van al de leden van het kabinet. Hij legde een bezoek bij generaal Scott af, doch vond dezen niet te huis. Zoo brak de republikeinsche President terstond met alle officiëele formaliteiten, en gaf een goed voorbeeld van republikeinsche eenvoudigheid van manieren en van vriendelijkheid.
Gedurende het overige van den dag verleende hij gehoor aan allen, die hem kwamen bezoeken. Alle partijtwisten schenen vergeten, en democraten wedijverden met republikeinen om bij den nieuwen President hunne opwachting te maken. Alleen de zuidelijke ultra's bleven achterwege: zij hadden geen woord van gelukwensching voor den man, die—men gevoelde het—zonder vrees zou regeren en zich getrouw betoonen aan zijn eed om »de Constitutie en de wetten te handhaven.”
Des avonds ontving Mr. Lincoln de leden van het »Vredes-congres.” Het geheele corps werd aan hem voorgesteld, en een aangenaam uur doorgebragt met wederzijdsche begroeting en kennismaking, waarbij niet de minste stijfheid heerschte. Hiermede werd de eerste dag van het verblijf van den nieuwen President in de hoofdstad besloten.
Spoedig daarop moest hij het doornige veld der regering betreden. Er moest een kabinet zamengesteld, er moesten ministers benoemd, er moesten politieke beginselen blootgelegd worden. De korte tusschenruimte van tien dagen, die vóór zijne inhuldiging verliepen, behoorde tot de moeijelijkste dagen van zijn leven; want de verzoeken van personen om eereposten, de regeling van strijdige belangen, de begeving van posten, waartoe eene bijzondere bekwaamheid vereischt werd,—dat alles behoorde tot die kleine lasten, aan het bestuur des lands verbonden, welke maakte, dat dit juk alles behalve gemakkelijk te dragen was.
De 4{de} Maart 1861 was een schoone dag, en de gebeurtenis, die daarop zou plaats hebben, had eene menigte menschen naar Washington doen toestroomen, waarbij iedere staat ruim vertegenwoordigd was. In den senaat droeg de Vice-President Breckinridge zijne betrekking met eenige hoffelijke woorden aan zijn opvolger, den Vice-President Hamlin, over; de plaatsen, voor de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden bestemd, werden al spoedig ingenomen door de verschillende ministers, die in gala-kostuum gekleed en met hunne verschillende ridderorden versierd waren. De regters van het Hooge Geregtshof kwamen vervolgens de zaal binnen. Toen de vergadering vernam, dat Mr. Lincoln het gebouw binnen getreden was, begaven allen zich naar de oostelijke gaanderij van het kapitool, waar eene tribune opgerigt was, en waarvoor eene groote menigte, zeker wel uit dertig duizend menschen bestaande, zich verzameld had. De verkozene President werd door den Senator Edward D. Baker, van Oregon, aan hen voorgesteld, te midden van het gejuich der opgewondene volksmenigte. Toen de stilte hersteld was, las Mr. Lincoln met eene duidelijke stem de inwijdingsrede voor.
Dit stuk is misschien het belangrijkste document van dien aard, dat tot hiertoe in Amerika geleverd is. De steller daarvan kon blijkbaar nog niet gelooven, dat de misnoegdheid der Zuidelijke staten reeds zoolang bestaan had, en meende de Zuidelijken tevreden te kunnen stellen door hen terug te brengen van hunne dwaalbegrippen omtrent de gevoelens die in het Noorden heerschende waren en hun gerustheid in te boezemen omtrent de wijze, waarop hij het land voortaan zou besturen. Deze toon van verzoening, welwillendheid en gematigdheid was een hoofdtrek in deze toespraak. De ambtseed werd hem toen afgenomen door den President van het Geregtshof Taney, waarop hij zich in gezelschap van den gewezen President Buchanan naar het »Witte Huis” begaf.
De inwijdingsrede werd in de getrouw geblevene Staten met algemeene instemming ontvangen, en over het algemeen ook in de zoogenoemde grensstaten. Doch in de laatstgenoemde staten waren er, even als in het Zuiden, duizenden gereed om daarvan eene verkeerde voorstelling en uitlegging te geven. Er werden dan ook allerlei pogingen aangewend om in de grensstaten het denkbeeld veld te doen winnen, dat de inwijdingsrede moest dienen tot eene bedekte oorlogsverklaring aan de Zuidelijke staten, en die pogingen bereikten haar doel bij velen.
De eerste handeling van den President was, een kabinet zamen te stellen door de benoeming van William H. Seward, uit New-York, tot Secretaris van Staat; van Salmon P. Chase, uit Ohio, tot Secretaris van Financiën; van Simeon Cameron, uit Pensylvanië, tot Secretaris van Oorlog; van Gideon Welles, uit Connecticut, tot Secretaris van Marine; van Caleb B. Smith, uit Indiana, tot Secretaris van Binnenlandsche Zaken; van Montgomery Blair, uit Maryland, tot Directeur-generaal der Posterijen; en van Edward Bates, uit Missouri, tot Procureur-generaal. Nadat de Senaat al deze benoemingen bekrachtigd had, maakten de genoemde heeren terstond een begin met hunne werkzaamheid bij de verschillende departementen.
Het Zuiden had zich met den meesten ijver tot den oorlog toegerust, het Noorden hoopte nog op de voortduring van den vrede en had geene toebereidselen hoegenaamd gemaakt. Waarlijk Mr. Buchanan schijnt het schip van den Staat als een wrak aan zijn opvolger overgegeven te hebben. Mr. Lincoln vond alle departementen der regering niet alleen in een toestand van wanorde, maar het schadelijke begrip was met opzet verspreid, dat de regering des lands niet bij magte was om de wetten in al hare kracht toe te passen. Vandaar hielden zelfs de ambtenaren der regering de wetten niet langer in eere, daar zij toch geene magt hadden om het volk tot gehoorzaamheid daaraan te dwingen.
Op den 12{den} Maart vertoonden zich twee heeren, John Forsyth, uit Alabama, en Crawford, uit Georgia, die zich »afgevaardigden” van de Zuidelijke confederatie noemden, te Washington met het doel om te onderhandelen over eene bijlegging van alle kwestiën, die er tusschen de »beide regeringen” bestonden. Te dien einde verzochten zij om audiëntie bij den Secretaris van Staat, welke hun geweigerd werd, daar het niet als geldig beschouwd kon worden, dat de staten, die zij vertegenwoordigden, zich wettig of feitelijk aan de Federale Unie onttrokken hadden, want dat zij dit alleen konden doen met toestemming en bewilliging van de bevolking der Vereenigde Staten, te geven door eene nationale vergadering, bijeen te roepen overeenkomstig de bepalingen van de »Constitutie der Vereenigde Staten.” Deze mededeeling werd op den 15{den} Maart gedaan, maar met de toestemming der afgevaardigden zelve geheim gehouden tot op den 8{sten} April, toen zij openbaar gemaakt werd. Toen de zaak te Charleston bekend werd, vond men daarin eene aanleiding om het treurspel van het fort Sumter te verhaasten, hetwelk, naar men meende, de geheele Zuidelijke bevolking als een eenig man tegen het Noorden zou doen opstaan.
Diensvolgens werd aan Generaal Beauregard, den kommandant van het leger der geconfedereerden te Charleston, de last opgedragen om de overgave van het fort Sumter te eischen, rondom hetwelk de rebellen langzamerhand zulk een sterk cordon van batterijen opgeworpen hadden, dat eene bestorming, in geval van eene weigering, noodwendig moest slagen. Generaal Beauregard deed dien eisch dan ook op den 11{den} April; maar Majoor Anderson, de kommandant van het fort, gaf daarop terstond ten antwoord, »dat zijn gevoel van eer en zijne verpligtingen ten opzigte zijner regering hem verhinderden om in dien eisch te bewilligen.” Er werd nog verder over die zaak gecorrespondeerd, maar de standvastige, getrouwe krijgsman kon niet aan het wankelen gebragt worden in zijn plan om het hem toevertrouwde fort te verdedigen en het niet eer over te geven, voordat het in puin geschoten was.
Het is niet noodig om breedvoerig te spreken over de gevangenneming van Anderson en zijn handvol manschappen door de vereenigde legermagt van Zuid-Carolina en de overige afgescheidene staten. Op den 12{den} April werd het vuur geopend, en het fort Sumter werd zoolang gebombardeerd, dat het viel, terwijl de formele overgave en ontruiming daarvan op Zondag morgen, den 14{den} plaats had.
De slag was eindelijk toegebragt, het dreigende onweder losgebarsten. De olijftak, door het Noorden en door de Unie aangeboden, was met voeten getreden. De oorlog was niet alleen verklaard en door het Zuiden doorgedreven, maar reeds werkelijk begonnen; het zwaard was niet alleen dreigend opgeheven, maar het blanke lemmer was roodgekleurd met broederbloed. Wat bleef er nu voor het Noorden over? Eenvoudig wat er volgde—oorlog; oorlog voor de wetten, voor de constitutie, voor het behoud der natie—oorlog voor eer en vrede. Het land had tot dusverre alles met kalmte verdragen—maar nu was de maat tot overvloeijens toe vol, de broederhand was rood van broederbloed, en het Noorden, dat als een eenig man naar de wapenen greep, deed de gedwongene keus van een oorlog, die hun zoo onverwachts op het lijf gevallen was. In dezen gevaarvollen toestand was het waarlijk gelukkig voor de Unie, voor de vrijheid en voor de beschaving, dat het Noorden dien volksman aan het hoofd had, wiens geest in den grooten strijd des levens gehard was—Abraham Lincoln.
Op den dag na de ontruiming van het fort Sumter, werd die beroemde oproeping gedaan, om een leger van 75,000 man ter onderdrukking van den opstand op de been te brengen, eene oproeping, die in het geheele land eene ontzaggelijke geestdrift te weeg bragt. Iedere staat, die nog aan de Unie getrouw gebleven was, beantwoordde daaraan terstond en leverde een groot getal zijner zonen ter verdediging des vaderlands. Kort na de uitvaardiging der proclamatie rukten de legerscharen der Unie reeds op de hoofdstad aan. Het waren echter donkere dagen, die er in dien tusschentijd verliepen: want ieder uur stond er een aanval op Washington, hetzij van Virginië of van Maryland, te vreezen en de kleine legermagt van vrijwilligers, die generaal Scott uit het district had kunnen bijeenbrengen, was slechts eene zwakke verdediging. In dit moeijelijk tijdsgewricht begaven hem de hoop, de moed en het vertrouwen op den man, die aan het hoofd der zaken stond, geen enkel oogenblik. En kort daarop kwam het dappere New-Yorksche zevende regiment in de hoofdstad aan en bragt door zijne aanwezigheid licht in de duisternis. Het zesde van Massachusetts volgde—het eerste regiment, als er sprake is van roem, daar het zijn bloed voor het vaderland vergoten, en zich al vechtende een weg gebaand heeft door de zuidelijke drommen van Baltimore.
De moorddadige aanval op de vrijwilligers der Vereenigde Staten te Baltimore werd door alle staten, die aan de Unie getrouw gebleven waren, als een hoon beschouwd. De gouverneur Hicks en de Mayor Brown schreven gezamenlijk een brief aan den President, waarin zij verzochten, dat er geen troepen meer door Maryland zouden trekken. In het antwoord, dat Lincoln door zijn secretaris Seward liet geven, diende hij aan deze trouwelooze ambtenaren eene duchtige berisping toe.
Op den 19{den} April vaardigde Lincoln een proclamatie uit, waarbij de havens van afgescheidene staten geblokkeerd verklaard werden. Deze en verscheidene andere orders waren de stappen, die de regering deed om zich te verdedigen; want de toon, dien de zuidelijke pers voerde, zoowel als de verklaring der zuidelijke ambtenaren, bewezen genoegzaam, dat het hun doel was om den oorlog, dien zij bij Charleston begonnen hadden, meer naar het Noorden te verplaatsen. Jefferson Davis had dit reeds lang te voren te kennen gegeven, en Mr. Walker, de secretaris van Oorlog der Geconfedereerden hield, toen hij vernam dat de aanval bij Sumter begonnen was, eene rede, waarin hij zeide, »dat daar niemand kon zeggen, waar de oorlog zou eindigen, hij wel durfde voorspellen, dat de vlag, die nu in het Zuiden wapperde, vóór den eersten Mei op het koepeldak van het oude Kapitool te Washington zou geplant worden.” Het Zuiden had reeds 20,000 man naar Virginië afgezonden, en de President Lincoln was dan ook ten volle geregtvaardigd, toen hij zijne eerste krijgsverrigtingen tot de verdediging van Washington beperkte.
Virginië onttrok zich omstreeks dezen tijd aan de Unie; andere slavenstaten volgden dit voorbeeld; en van daar werd de blokkade van zuidelijke havens op den 27{sten} April bij eene proclamatie ook tot Virginië en Noord-Carolina uitgestrekt. Op den derden Mei werden er nog meer troepen opgeroepen en een bevel uitgevaardigd, dat er eene ligting van recruten zou plaats hebben voor het leger te land en ter zee.
De nieuwe regering was er al spoedig op bedacht om de verhouding, waarin zij tot vreemde mogendheden stond, vast te stellen. Mr. Adams, Minister te Londen, kreeg instructiën omtrent den weg, dien hij te volgen had, welke zich door voorzigtigheid en kloekheid kenmerkten. Men vreesde, dat de Engelsche regering, vóór de aankomst van den Minister Adams, in overeenstemming met Frankrijk zou handelen ten opzigte van de erkenning van het Zuiden als eene oorlogvoerende mogendheid. Mr. Adams kreeg instructiën om daartegen bepaaldelijk te protesteren. Op den 15{den} Junij verzochten de Engelsche en Fransche ministers te Washington om eene audiëntie bij Mr. Seward, ten einde dezen de bepaalde instructiën mede te deelen, welke zij van hunne respectieve regeringen ontvangen hadden; maar toen de Secretaris van Staat den aard dezer instructiën vernam, weigerde hij ze te hooren voorlezen, of zelfs officiëele notitie daarvan te nemen.
Van het begin des oorlogs af was het de politiek van Lincoln, alles wat naar eene inmenging van vreemde mogendheden in den burgeroorlog van Amerika zweemde, bepaald van de hand te wijzen.
Het Congres hield op den 4{den} Julij 1861 eene buitengewone zitting. De republikeinen hadden in de beide Huizen de overhand, en werden bovendien ondersteund door enkele democratische leden, die er op aandrongen, dat de oorlog met alle kracht zou voortgezet worden. Galusha A. Growd, een ijverig voorstander van den oorlog, werd tot redenaar van het Huis verkozen. Op den 5{den} Julij hield de President Lincoln de openingsrede van het Congres. In deze rede ontwikkelde hij de omstandigheden, welke aan het bombardement van het fort Sumter voorafgegaan waren, in duidelijke bewoordingen, en verdedigde daarop de wijze, waarop hij zich ten opzigte van de afgescheidene staten gedragen had, totdat hun bloedvergieten hem tot het nemen van ernstiger maatregelen gedwongen had. Nadat het eerste schot op het fort Sumter gevallen was, was ook alle mogelijkheid op verzoening verdwenen. Het was de eerste stap tot het voeren van den oorlog, en die stap was onherroepelijk. Er bleef dus geen andere keus over, dan zich tot den oorlog toe te rusten en tegen de legermagt, tot vernietiging der Unie gebezigd, eene legermagt tot hare instandhouding over te stellen.
De President gewaagde daarop met een enkel woord van de afscheiding van Virginië en van de oorzaken, die daartoe medegewerkt hadden, en stelde de onregtmatigheid en de onhoudbaarheid van de »neutraliteit” van Kentucky in het licht, waarop hij eene korte schets gaf van de maatregelen, die zouden genomen worden. Daarop besprak hij de kwestie der afscheiding en ontkende hare wettigheid op duchtige gronden.
De draad, die door deze geheele rede liep—en inderdaad door ieder document van een dergelijk karakter, dat de President uitvaardigde—was eene regtvaardiging van gevoelens, die in overeenstemming zijn met de regten der menschheid en den voortgang der beschaving.
De handelingen van de buitengewone zitting waren geheel overeenkomstig met de inzigten van het uitvoerend bewind: een ontwerp, door M'Clernand, uit Illinois, voorgesteld, werd door het Huis met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen. Daarbij verbond dit staats-ligchaam zich om zijne goedkeuring te hechten aan elke som gelds en elk getal manschappen, welke noodig mogten geacht worden tot de onderdrukking van den opstand.
De zitting werd op den 6{den} Augustus gesloten, nadat de krachtigste maatregelen tot de voortzetting van den oorlog genomen waren, maar toch werd elke handeling, die aanleiding zou kunnen geven tot verdeeldheid of tot verzwakking van den volksgeest vermeden. De natie beantwoordde de handelingen van het Congres met eene geestdrift en eene eenstemmigheid, die waarlijk opmerkelijk mogten heeten.
Het nationale leger trok op den 16{den} Julij van de Potomac op, onder het bevel van generaal M'Dowell, en het gevecht bij Bull Run nam vijf dagen later een aanvang. De uitslag daarvan was de volkomene nederlaag van de ongeoefende legermagt der federalisten, die, door schrik overmeesterd en in verwarring gebragt, de vlugt naar Washington nam, na een verlies van 480 dooden en 1000 gekwetsten geleden te hebben. Hadden de geconfedereerden kennis gedragen van het volslagene dier nederlaag, dan zou de inneming van Washington daarop ongetwijfeld gevolgd zijn.
Doch de hand, die het roer van den Staat in handen hield, was die van een man, die zich een pad gebaand had door de digte bosschen van het verre Westen en de wateren van den koning der stroomen met zijne roeiriemen gekliefd had; die man verloor den moed niet, zelfs toen de overige manschappen op het verdek van het schip van staat door vrees aangegrepen werden. Hij had één doel—het zuiden tot onderwerping te brengen, en dit kon niet anders geschieden dan door nederlagen zoowel als door overwinningen. Hij wist, dat hij een volk onder zijn bestuur had, bereid om hem te ondersteunen in iedere poging tot bereiking van dit doel, en hij ging voort »zonder vrees en met een onversaagd hart.” Er was niemand in het noorden, die zich geheel liet ontmoedigen door de verliezen bij Bull Run geleden. Het leger werd gereorganiseerd, in getalssterkte vermeerderd, terwijl er intusschen maatregelen genomen werden om zoo wel op de kust als in het hart van het zuiden vasten voet te krijgen.
Op den 28{sten} Augustus viel het fort Hatteras in handen der Noordelijken met alle kanonnen en de geheele bezetting. Port Royal volgde en gaf zich op den 31{sten} October over, waardoor de krijgsmagt der federalisten vasten voet in Zuid-Carolina kreeg. Ship-Island, tusschen Mobile en New-Orleans gelegen, werd op den 3{den} December bemagtigd. Nu werd er een krijgstogt naar New-Orleans ondernomen. De geconfedereerden werden insgelijks uit Westelijk-Virginië, Kentucky en Missouri verdreven.
Generaal Scott gaf zijne positie op den 31{sten} October op, en de generaal-majoor M'Clellan werd met het bevelhebberschap belast, ten einde een nieuwen aanval op Richmond te doen.
Tot dusverre had het Congres bij de voortzetting van den oorlog zoo veel mogelijk vermeden om eenige maatregelen te nemen ten opzigte van de slavernij, die dan ook slechts zouden gestrekt hebben om de vooroordeelen van de grensstaten op te wekken. De Confiscatie-Acte had dan ook alleen betrekking op die slaven, »welke door hunne meesters zouden geprest worden en van hen de vergunning zouden verkrijgen om de wapenen in het belang der Zuidelijken op te vatten.”
Op den 27{sten} Mei 1861 bezigde generaal Butler de benaming van »contraband” voor slaven, die als vlugtelingen in zijne legerplaats kwamen. De vraag: »Wat zullen wij met hen doen?” was een tijd lang moeijelijk op te lossen, maar Butler begon zijn voorraad »contraband” gedurig te vermeerderen, en dat niet alleen, maar hij gebruikte dien ook ten dienste van de federale regering. De politiek van het departement van Oorlog was van den beginne af op dit punt zeer wankelend en voorzigtig; maar het heeft nooit voor een enkel oogenblik aan de teruggaven van zulke slaven aan hunne meesters gedacht; en vóór het einde van Augustus gaf de Secretaris van Oorlog instructiën aan generaal Butler, om alle vlugtelingen, die zich in zijn leger vertoonden, op te nemen, onverschillig of zij aan getrouwe of ontrouwe meesters behoorden. Er werd echter te gelijker tijd voorgesteld om aanteekening van dergelijke vlugtelingen te houden, ten einde aan die meesters, welke aan de zaak der Unie getrouw gebleven waren, bij het einde der vijandelijkheden eene vergoeding daarvoor te geven.
Generaal Fremont voerde toen het bevel over het leger in Missouri. Deze vaardigde op den 31{sten} Augustus een dagorder uit van den volgenden inhoud: »De eigendommen, zoowel roerende als onroerende, van alle personen in den staat Missouri, die de wapenen tegen de Vereenigde Staten zullen opvatten, of die op het slagveld een werkzaam aandeel aan de zaak van de vijanden der Unie zullen nemen, worden hierbij verbeurd verklaard tot algemeen gebruik, en aan hunne slaven, indien zij die hebben, wordt tevens de vrijheid geschonken.” Dit was natuurlijk eene overschrijding van de magt, waarmede Generaal Fremont toen bekleed was. Het Congres alleen kon zulk een besluit uitvaardigen. De President Lincoln beschouwde de zaak ook uit dat oogpunt. Hij zou het zelfs als eene overschrijding van de magt, die hem zelven door het Congres verleend was, beschouwd hebben, en haastte zich om die fout te herstellen. Op den 11{den} September schreef hij daarom een brief aan Generaal Fremont, waarin hij hem gelastte zijne woorden zoo te wijzigen, dat zij overeenkwamen met de bepalingen van de Confiscatie-Acte van den 6{den} Augustus 1861.
De tijd heeft sedert geleerd, dat Lincoln in deze moeijelijke en teedere zaak uiterst verstandig te werk gegaan is. Er werden van verscheidene kanten gedurig pogingen aangewend om den President van zijne voorzigtige en gematigde politiek af te brengen. De groote meerderheid zijner vrienden wenschte, dat hij niet alleen terstond alle slaven der rebellen vrij zou verklaren, maar hun ook wapenen in handen geven en hen als soldaten gebruiken. Maar de voorzigtige man liet zich niet afbrengen van de politiek, welke de toen bestaande omstandigheden van hem vorderden. Hij verklaarde zijn politiek stelsel aldus: »Mijne heeren! ik ben in deze belangrijke kwestiën geen _aanvoerder_ des volks; ik ben slechts een _werktuig_ in de handen mijner landgenooten. Als _zij_, bij voorbeeld, eene proclamatie tot vrijverklaring der slaven van mij verlangen, dan hebben zij hunne wenschen slechts door bemiddeling van het Congres uit te spreken, en dan zullen zij in mij een werktuig vinden om aan hun verlangen te voldoen. Ik wil de publieke opinie niet naar mijne meeningen fatsoeneren, maar ik zal in den noodlottigen toestand, waarin de republiek verkeert, voor haren wil buigen. Zoo behoef ik, daar ik de grenzen mijner magt niet overschrijd, nooit iets terug te trekken. Wat ik doe, is onherroepelijk.” Zeer bepaald werd de politiek van den President door de groote meerderheid des volks ondersteund. Zij werd niet minder geregtvaardigd door den uitslag, en de omzigtigheid, waardoor zijne handelingen gekenmerkt waren, is een van de merkwaardigste bewijzen, dat hij juist de man was, die de geschiktheid bezat om de heerschende krisis ten beste te leiden.