Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden

Part 3

Chapter 33,641 wordsPublic domain

In de kwestie van de afschaffing der slavernij in het district Columbia stelde Lincoln een levendig belang en nam er een werkzaam aandeel in. Een zekere Mr. Gott had in het Huis een voorstel gedaan tot het nemen van een besluit tot afschaffing van den slavenhandel in het genoemde district. Hierop stelde Lincoln een amendement voor, om een besluit te nemen niet tot afschaffing van den slavenhandel, maar van de _slavernij_ in het district. Het voorstel, door hem gedaan, hield in, dat geen slaaf ooit in het district mogt ingevoerd worden, uitgezonderd in geval ambtenaren der regering zich om staatszaken een tijd lang in het district moesten ophouden, in welk geval zij voor zich en hun gezin de noodige dienstboden zouden mogen medebrengen. Het belette, dat iemand, in het district wonende of later daarin geboren, _buiten_ dit district in slavernij gehouden zou worden. Het verklaarde, dat alle kinderen van slavinnen, na den eersten Januarij 1850 in het district geboren, vrij zouden zijn, maar naar regt en billijkheid door de eigenaars van hunne moeders onderhouden en opgevoed zouden worden, en dat alle slavenhouders in het district den prijs, dien de slaven waard waren, uit de schatkist zouden krijgen, en dat de slaven daarop vrij zouden zijn.

De kwestie omtrent de »Territoriën”[2] kwam bij verschillende gelegenheden ter sprake. De voorwaarde van Wilmet was in de zitting van het vorige jaar behandeld; maar deze kwam op het congres van het loopende jaar weder herhaaldelijk ter sprake, toen er pogingen aangewend werden om deze voorwaarde insgelijks toe te passen op het grondgebied, dat men van Mexico verkregen had, en op Oregon. Zoo dikwijls die zaak in het Huis besproken werd, vond zij een verdediger in Lincoln, die dan ook bij gelegenheid van zijn geschil met Douglas verklaarde, dat hij zich daarover herhaalde malen ten gunste daarvan uitgelaten had. Zoo toonde hij zich in 1847 dezelfde voorvechter van de vrijheid der »Territoriën”, die hij later tijdens den strijd over Kansas was.

[2] Behalve de zes en dertig staten, waaruit de Unie bestaat, behoort tot de Vereenigde Staten nog eene groote strook lands, die zich tot aan de Stille Zee uitstrekt. Deze strook lands wordt verdeeld in negen districten, »Territoriën” genaamd. Ofschoon deze Territoriën eene ontzaggelijke oppervlakte beslaan, bevatten zij in 1860 slechts eene blanke bevolking van 220.149 zielen. Zij worden inzonderheid bewoond door wilde Indiaansche volksstammen. Zij staan onder het toezigt van het Congres, maar iedere Territorie kan eerst in de Unie als Staat opgenomen worden op dezelfde voorwaarden als de overige Staten, wanneer zij namelijk eene blanke bevolking verkregen heeft, voldoende tot het zenden van één vertegenwoordiger op het Congres, namelijk van 124.000 zielen. Sedert de aanneming van de Constitutie door de dertien oudste staten, zijn er drie en twintig nieuwe uit deze Territoriën ontstaan. Deze hebben ook de Constitutie aangenomen en zijn integrerende bestanddeelen der Unie geworden, die dus in het geheel uit zes en dertig staten zamengesteld is, terwijl er nog negen Territoriën overblijven. Voor elk dezer Territoriën wordt een gouverneur door den President benoemd, terwijl ook andere ambten door dezen begeven worden. De Constitutie en de wetten der Vereenigde Staten hebben dezelfde kracht binnen de grenzen der Territoriën als overal elders in de Vereenigde Staten. Elke Territorie zendt een afgevaardigde naar het Lagerhuis van het Generaal-Congres, die geregtigd is om het woord te voeren over alle aangelegenheden, waarin de Territoriën betrokken zijn, maar niet geregtigd is om zijne stem in het Huis uit te brengen.

Eene andere gelegenheid, waarbij de slaven-kwestie door het Huis behandeld werd, was in de vermaarde zaak van Pacheco. Het gevoelen, door de meerderheid omhelsd was, dat slaven volgens de Constitutie als »eigendom” moesten beschouwd worden, en dat zij, wanneer zij ten dienste van den staat gebezigd werden, daarvoor moest betaald worden. Het beginsel dat aan het wetsontwerp ten grondslag lag, was dan ook hetzelfde als dat, hetwelk de slavenhouders op zoo verschillende wijzen hebben trachten te handhaven. Gelijk zij dit later door eene beslissing van het Hoogste Geregtshof hebben pogen door te drijven, zoo trachtten zij dit nu door het Congres te doen erkennen. Lincoln verzette zich daartegen op het Congres met even veel kracht als hij er zich later tegen aankantte toen het den meer bedekten, maar niet minder gevaarlijken vorm van eene regterlijke uitspraak aannam.

Bij andere zaken welke op het Congres ter sprake kwamen, sloot Lincoln zich als Whig bij de overige voorstanders van zijne partij aan. Hij meende, dat het Congres regt had om zich met de verbetering van rivieren en havens te bemoeijen. Hij verklaarde er zich voor om de landen, aan den staat behoorende, niet aan speculanten, maar aan landbouwers te verhuren; en dat wel tegen zoo laag mogelijke prijzen; hij verklaarde zich voor een beschermend tarief en voor het afschaffen van het vrijheidsstelsel.

In 1848 was Lincoln afgevaardigde der Whig-partij en drong met kracht en klem op de benoeming van generaal Zachary Taylor tot President aan. Tijdens den strijd over de verkiezingen trachtte hij de staten Indiana en Illinois ten gunste van den kandidaat, door hem aanbevolen, te stemmen.

In 1849 werd hij door de Wetgevende Vergadering van Illinois als kandidaat voor een lid van den Senaat der Vereenigde Staten gesteld, doch moest toen het onderspit delven voor generaal Shields, daar de democraten de meerderheid in dien staat uitmaakten. De hevigheid van den vorigen strijd over de verkiezing van een President werd nog vermeerderd door den wensch om insgelijks eene Wetgevende Vergadering te verkiezen, die een democraat naar den Senaat der Vereenigde Staten zou afvaardigen. Lincoln bezocht Massachusetts eens gedurende den oorlog, en was tegenwoordig bij de conventie van den staat Massachusetts op uitnoodiging van enkelen die er op aandrongen, dat hij de goede verstandhouding tusschen de partij welke de slavernij met geweld wilde onderdrukken, en tusschen de Whig of »behoudende” partij, zou trachten te herstellen. Hij sprak in die vergadering echter niet, behalve te New-Bedford, waar hij een der gelukkigste pogingen tot verzoening aanwendde.

Gedurende de vijf jaren, die op den verkiezingsstrijd van 1848 volgden, bemoeide Lincoln zich slechts weinig met staatszaken. Hij nam zijne regtsgeleerde praktijk met ijver en voorspoed waar, en vermeerderde zoowel zijn roem als zijne fortuin. Zijne belangstelling in staatszaken, hoe levendig zij ook wezen mogt, hield hem niet van de balie terug. Maar de intrekking van de minnelijke schikking omtrent Missouri wekte hem weder uit zijne schijnbare werkeloosheid op. Illinois werd andermaal een slagveld voor den strijd der vrijheid, en de stoutmoedige aanvoerder, die de voorhoede van het leger reeds vroeger tegen de inbreukmaking op de regten der slaven in slagorde had geschaard, bleef niet doof voor de stem, die hem tot verdediging hunner regten riep. Het vroegere kontrakt, dat door de onvermoeide pogingen van Henry Clay gesloten was en vast stond als de zeeduinen van Holland om de woede van den alles verzwelgenden vloed te beteugelen, liep gevaar om aan stukken gescheurd te worden, en het schoone land, voor immer tot vrijen arbeid bestemd, zou weder in duisternis en doodsschaduw worden gedompeld. Daartegen druischte de geheele natuur van Lincoln aan. Wat beteekenden vrede en roem en fortuin, wanneer het land door verraad en listige kunstgrepen aangevallen werd? De krijger stelde al zijne eigene belangen ter zijde, gordde zijne wapenrusting aan en trok voort, even als Peter de Kluizenaar, om bij zijn volk het gevoel van schaamte op te wekken over de krenking hunner regten en het aan te sporen tot den strijd, opdat het Heilige graf hunner vrijheid niet door de Zuidelijke Moslemim en de Noordelijke Tartaren zou overweldigd worden.

De hevige politieke strijd van dat jaar had zijn ontstaan inzonderheid aan Lincoln te danken, en de overwinning, waarmede deze strijd bekroond werd, die aan Illinois zijne eerste republikeinsche Wetgevende Vergadering gaf, en Lyman Trumbull tot haren afgevaardigde bij den Senaat der Vereenigde Staten maakte, was inzonderheid aan de buitengewone inspanning zijner krachten te danken.

In 1854 bood de zoogenaamde anti-Nebraska (later republikeinsche) partij, aan Lincoln de benoeming tot gouverneur aan. Hij wees deze af, zeggende: »Neen, ik ben daar de man niet voor; Bissell zal een beter gouverneur zijn dan ik, en gij kunt hem met gerustheid verkiezen daar hij zich vroeger altijd als een echt democraat heeft doen kennen.”

Zoo woog zijne ingenomenheid met zijne partij en met de beginselen door haar voorgestaan, weder zwaarder bij hem, dan de begeerte om hun vaandrager en aanvoerder te worden.

In de eerste vergadering van de republikeinsche partij, op den 17{den} Junij 1856 te Philadelphia gehouden, werd de naam van Abraham Lincoln op de lijst der candidaten voor het ambt van Vice-President geplaatst: hij stond vlak onder William L. Dayton en kreeg honderd stemmen. Door die vergadering werden John C. Fremont en William L. Dayton tot kandidaten verkozen, en nu nam Lincoln een werkzaam aandeel in de daarop volgende verkiezingen. Aan het hoofd van de kandidatenlijst der republikeinsche partij van Illinois stond de naam van Lincoln, ofschoon de democraten door meerderheid van stemmen de overhand behielden.

De hevige geschillen in den Senaat van Illinois, tusschen Mr. Douglas aan den eenen kant en Mr. Lincoln aan den anderen, welke aanleiding gaven tot die debatten, welke eene belangrijke plaats in de geschiedenis der politiek van Amerika innemen, werden in den zomer van 1858 gevoerd.

Douglas had zich de vijandschap van de regering op den hals gehaald; doch zijn invloed, zoowel in als buiten Illinois, bleef nog ontzettend groot. Ten gevolge van zijn afval van de politiek zijner partij, die zich toen openlijk voor de instandhouding der slavernij verklaarde, en van den lof, dien hij bij verscheidene republikeinen ingeoogst had, was hij waarschijnlijk nog krachtiger dan te voren. Natuurlijk werd er onder deze omstandigheden een man van niet alledaagsche bekwaamheid en niet alledaagschen invloed op de publieke meening vereischt om tegen den »kleinen reus” (Douglas) in het strijdperk te treden. Als kandidaat der republikeinsche partij voor lid van den Senaat der Vereenigde Staten, en als iemand, die zich bij de behandeling van de zaak der Territoriën zoo gunstig had doen kennen, werd Lincoln beschouwd als een man, aan wien de voorstanders der vrijheid de verdediging hunner zaak gerust konden toevertrouwen. Diensvolgens werd hij door de republikeinsche Wetgevende Vergadering, welke op den 2{den} Junij 1858, te Springfield, bijeenkwam, verkozen.

In het ontworpen spiegelgevecht tusschen de beide kandidaten was Lincoln de eerste, die den handschoen toewierp, en wel in een kort briefje, gedateerd van den 24{sten} Julij, waarin hij de bepaling verzocht van den tijd, waarop zij met elkander in het strijdperk zouden treden. De uitdaging werd aangenomen, en de voorwaarden waarop, de plaatsen waar en de dagen, wanneer de strijd zou plaats hebben, vastgesteld.

Het is niet mogelijk om iets meer dan een vlugtig overzigt van deze beroemde debatten te geven. Het was de uitspraak van de pers en van het geheele land, dat Lincoln bij iederen strijd de overhand behield op zijn talentvollen tegenstander, en het is zeer waarschijnlijk, dat de meerderheid aan den eerstgenoemde den palm der overwinning toekende.

Die politieke strijd, welke Lincoln in 1848 met den Senator Douglas voerde, was misschien de zwaarste proef, waarop iemands gematigdheid kon gesteld worden. Lincoln echter deed zich niet alleen als een uitstekend redenaar en een bekwaam staatsman kennen, maar bewees ook, dat het mogelijk is om den hevigsten politieken strijd te voeren, zonder tot hatelijke personaliteiten en scherpe aanvallen af te dalen. Het getuigenis van iemand, die Lincoln en dien geheelen strijd gevolgd heeft, staat ons borg, dat er, niettegenstaande de verzoeking, waaraan hij gedurig blootgesteld was, geene enkele personaliteit tegen zijn tegenstander, geen enkel hard woord over zijne lippen gekomen is. Zijn gematigde aard maakte, dat hij het beneden zich achtte om zijne toevlugt tot zulke wapenen, die maar al te vaak in een politieken strijd gebezigd worden, te nemen, en menschen van een heftiger aard konden hun spijt niet verkroppen, dat hij zijn tegenstander te zacht en te beleefd behandelde. Lage personaliteiten en vuile lasteringen zijn zeker wel het laatste wat men aan Abraham Lincoln kan ten laste leggen. Zijn hart was te edel en zijne zelfbeheersching te groot om aan iets dergelijks toe te geven. De adel van zijn hart heeft zich gedurende zijn ganschen levensloop evenzeer geopenbaard als zijne gematigdheid, zijn zelfvertrouwen en zijn geestkracht.

In het dagelijksch leven was Lincoln kinderlijk eenvoudig. Hij hield van een goed diner, en at met den meesten eetlust, maar zijne tafel was altijd eenvoudig. Hij dronk nooit eenige bedwelmende dranken, en zelfs geen glas wijn. Hij was ook geen liefhebber van rooken.

Judah Benjamin, van Louisiana, een van de bekwaamste senatoren der Zuidelijke staten, later staatssecretaris in het kabinet van Jefferson Davis, zwaaide in den loop van eene redevoering, waarin hij gelegenheid vond om de beroemde debatten tusschen Douglas en Lincoln te bespreken, hoogen lof aan den laatstgenoemde toe. Sprekende over de vragen, die door Douglas aan zijn tegenstander voorgesteld werden, en over de antwoorden, die zij uitlokten, merkte Benjamin aan:

»Het is onmogelijk, mijnheer de president! om, al verschilt men ook met dien man in meening, die openhartigheid en vrijmoedigheid niet te bewonderen, waarmede deze antwoorden gegeven werden: er was daarin niets dubbelzinnigs, niets ontwijkends.”

Gedurende den strijd met Douglas bragt Lincoln de volgende hulde aan de Acte van Onafhankelijkheidsverklaring:

»Welaan, landgenooten! wanneer gij stellingen geleerd hebt, die in strijd zijn met den grootschen inhoud der Acte van Onafhankelijkheidsverklaring; wanneer gij het oor geleend hebt aan inblazingen, die ten doel hebben om hare grootheid te verkleinen of hare schoone evenredigheid te erkennen; wanneer gij geneigd zijt om te gelooven, dat alle menschen niet met elkander gelijk staan in het genot van die onvervreemdbare regten, welke door dat bewijsstuk onzer vrijheid opgesomd zijn, laat mij u dan smeeken om terug te keeren—terug te keeren tot die fontein, wier wateren bij het bloed der omwenteling ontspringen.

»Gij moogt met mij doen al wat gij verkiest, als gij slechts die heilige beginselen voorstaat. Gij moogt mij niet alleen de nederlaag doen lijden voor den Senaat, maar gij moogt mij zelfs ter dood brengen. Want, terwijl ik geene onverschilligheid voor wereldsche eer wil veinzen, moet ik toch verzekeren, dat ik tot dezen strijd aangespoord ben door iets hoogers dan door de zucht tot het verkrijgen van een eervol ambt. Wat gij met mij doet is onverschillig, maar vernietigt toch niet dat onsterfelijk zinnebeeld der humaniteit—de Acte van Amerika's Onafhankelijkheidsverklaring.”

De dag der verkiezingen was eindelijk daar. De uitslag der volksstemming was als volgt: voor den republikeinschen kandidaat 126,084; voor de democraten van Douglas 121,940; voor de kandidaten van Lecompton 5,091 stemmen. Doch bij de stemming voor senator, die in de wetgevende Vergadering plaats had, werd Douglas verkozen. Niettegenstaande dezen uitslag, hadden de pogingen van Lincoln gedurende de debatten veel bijgedragen om een groot getal stemmen op hem te vereenigen; en zijne partij behoefde het niet te betreuren, dat hare keus op hem gevallen was.

Lincoln bragt na het einde der geschillen over de keuze van een senator en vóór het begin van den verkiezingsstrijd in 1860 verscheidene bezoeken aan andere staten. Hij hield in het volgende jaar verscheidene redevoeringen in Ohio, en bezocht ook Kansas, waar hij met de meeste geestdrift ontvangen werd. In Februarij 1860 was hij te New-York en hield eene redevoering in eene republikeinsche club, waardoor hij zich verscheidene vrienden verwierf in eene streek, waar zij reeds bij duizenden geteld werden. Het was de schoonste redevoering, die tot dusverre door den uitstekenden redenaar uitgesproken was en de aandacht van mannen van allerlei stand trok.

Waarschijnlijk gedurende dit bezoek had er een treffend voorval plaats, hetwelk door een onderwijzer der zondagsschool, waar het gebeurde, op deze wijze verhaald wordt:

»Onze zondagsschool was op zekeren sabbatmorgen reeds begonnen, toen ik een man van een slanken ligchaamsbouw en een gunstig voorkomen het vertrek zag binnentreden en onder ons plaats nemen. Hij luisterde met gespannen aandacht naar onze oefeningen, en zijn gelaat verried zulk een waarachtige belangstelling, dat ik naar hem toeging en hem verzocht om eens een hartig woordje tot de kinderen te willen rigten. Hij voldeed aan dit verzoek met blijkbaar genoegen, ging voor de banken der kinderen staan en hield eene eenvoudige toespraak, welke alle jeugdige hoorders aanstonds zoozeer boeide, dat de diepste stilte in het vertrek heerschte. Zijne taal was uitnemend schoon, en de toon waarop hij sprak, verried het diepste gevoel. Op de gezigtjes der kleinen, die hij rondom zich zag, stond somberheid te lezen, toen hij woorden van waarschuwing tot hen rigtte, maar zij werden spoedig opgeklaard, toen hij hun op de schoone toekomst wees, die hun wachtte. Een paar malen wilde hij met spreken ophouden, maar het dringend verzoek: »ga voort! och, ga voort!” dwong hem om den draad zijner rede weder op te vatten. Toen ik naar de gespierde ligchaamgestalte van den vreemdeling keek, en mijne aandacht vestigde op zijn gelaat, waarop vastberadenheid te lezen stond, gepaard aan gevoel ten gevolge van den indruk des oogenbliks, gevoelde ik eene onweerstaanbare nieuwsgierigheid om iets naders van hem te vernemen, en toen hij het vertrek verliet, verzocht ik hem, zijn naam te mogen weten. Hij antwoordde daarop vriendelijk: »Ik ben Abraham Lincoln, van Illinois.””

Abraham Lincoln werd nu algemeen erkend als een van de bekwaamste, eerlijkste en meest besliste voorstanders van de republikeinsche partij. Zijne bekende populariteit alsmede zijne vroegere verdiensten wezen hem dan ook aan als den meest geschikten kandidaat van zijne partij voor de ophanden zijnde verkiezing van een President. Hij werd het eerst voor den hoogen post van President genoemd in de republikeinsche vergadering van den staat Illinois, waar een democraat uit het graafschap Macon twee keurig versierde palen aan de vergadering voorstelde, waarop de volgende woorden geschreven stonden:

»Abraham Lincoln, de houthakker, kandidaat voor het presidentschap in 1860. Dit zijn twee palen, welke in 1830 vervaardigd zijn door Thomas Hanks en Bram Lincoln, wiens vader de eerste pionnier in het graafschap Macon geweest is.”

Deze eigenaardige en geschikte zinnebeelden ter afbeelding van de eereposten, welke de Amerikaansche democratische instellingen aan de nederigste burgers aanboden, gaven aanleiding tot eene algemeene toejuiching. Lincoln, die bij dit tooneel toeschouwer was, werd dringend uitgenoodigd om eene redevoering te houden. Hij stond van zijne zitplaats op, erkende, dat hij dertig jaren geleden een houthakker geweest was, en zeide, dat men hem verzekerd had, dat die beide palen, welke men in de vergadering gebragt had, met zijne eigene bijl gehouwen waren.

In den herfst van 1859 hield Lincoln, tengevolge van uitnoodigingen, die hij uit verschillende staten gekregen had, verscheidene krachtige redevoeringen ten gunste der republikeinsche beginselen. Van een daarvan, welke hij op den 27{sten} Februarij 1860 in het Cooper-Instituut te New-York hield, hebben wij reeds gesproken. Deze redevoeringen droegen slechts bij om de overtuiging te versterken, die zich sedert 1854 al meer en meer onder het volk verbreid had, dat Mr. Lincoln—»de brave Bram,” zoo als hij algemeen genoemd werd—de man was voor President, als het volk zijn kandidaat kon benoemen Toch waren er slechts weinigen, die dachten, dat hij werkelijk zou verkozen worden.

De republikeinsche nationale vergadering kwam op den 16{den} Mei 1860 in de »Wigwam” in Chicago bijeen. Niet minder dan tienduizend personen waren in dit gebouw tegenwoordig, terwijl eene digte volksmenigte den toegang daartoe versperde en zich in den omtrek ophield, daar zij niet meer in de zaal kon komen.

Op Donderdag morgen kwam de vergadering ten tien ure weder bijeen en bij de vaststelling der bepalingen werd goedgevonden, dat eene meerderheid van stemmen voldoende zou zijn ter benoeming van kandidaten.

De commissie tot het nemen van besluiten gaf daarvan kennis, en deze mededeeling werd met geestdrift begroet, terwijl de ontzaggelijke menigte toeschouwers van hare zitplaatsen opstond en hare goedkeuring herhaalde malen door luide toejuichingen deed blijken.

Het was spoedig duidelijk geworden, dat de twee personen, die bij de verkiezing in aanmerking zouden komen, de heeren Seward en Lincoln waren. Er werd voorgesteld, dat de vergadering terstond tot de benoeming van kandidaten zou overgaan, doch het gevoelen, dat men dit tot den volgenden dag zou uitstellen, behield de overhand. Ware het voorstel om terstond tot de benoeming over te gaan goedgekeurd, dan is het meer dan waarschijnlijk, dat Seward zou benoemd zijn, daar zijn persoon door de vergadering toen nog boven dien van Lincoln scheen gesteld te worden; doch gedurende den avond droegen verscheidene omstandigheden het hare bij om de verkiezing van Lincoln meer en meer waarschijnlijk te maken. Er heerschte bij de volgende zitting der vergadering eene groote opgewondenheid, en de belangstelling van alle aanwezigen was buitengewoon.

Bij de eerste stemming verkreeg Seward 173½ stemmen tegen 102, welke op Lincoln uitgebragt werden, terwijl de overige tusschen andere personen verdeeld waren. Bij de tweede stemming deelde de President der afgevaardigden van Vermont, wier stemmen eerst verdeeld geweest waren, mede: »De staat Vermont brengt zijne tien stemmen uit op den jongen reus van het Westen, Abraham Lincoln.” Men begon in de vergadering reeds te bemerken, wie de man der keuze zou zijn. Bij deze stemming kreeg Seward 184½ en Lincoln 181 stemmen; en bij de derde stemming vereenigden zich op Lincoln 230 stemmen, en dus bijna de meerderheid. Hierop deelde Mr. Carter van Ohio mede, dat er door Ohio vier stemmen meer op Mr. Lincoln zouden uitgebragt worden, hetgeen de opgewondenheid der vergadering ten top voerde. Daar nu de keus zeker was, beijverde de eene staat na den anderen zich om de eerste te zijn in het uitbrengen van zijne stemmen op Lincoln. Het geheele getal stemmen, dat moest uitgebragt worden, bedroeg 466, waarvan er dus 234 noodig waren tot eene keuze. _Drie honderd vier en vijftig_ vereenigden zich op Abraham Lincoln, die dus wettig verkozen was.

Toen de luide toejuichingen, waarmede deze benoeming begroet werd, eenigzins bedaard waren, trad Mr. William Evarts van de stad New-York te voorschijn en deed het voorstel, dat men Lincoln nu met eenparige stemmen zou verkiezen. Dit voorstel werd ondersteund door Mr. Andrews van Massachusetts, en werd aangenomen, zonder dat er zich eene enkele stem tegen verhief.