Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden

Part 2

Chapter 23,742 wordsPublic domain

Toen zij het graafschap Macon bereikt hadden, hielden zij eenigen tijd halt, en nog in den loop derzelfde maand (Maart) vestigde de familie van Lincoln zich op den noordelijken oever van de rivier de Sangamon, en wel op eene plaats, omstreeks drie uren westwaarts van Decatur gelegen. Zij bouwden aldaar eene houten hut, waarin de familie ging wonen. De daarop volgende verbetering was een houten hek, lang genoeg om er tien acres land mede te omgeven, waarbij de jonge Lincoln hielp in het kloven der boomstammen,—dezelfde boomstammen, die later aanleiding gegeven hebben tot scherts, liedjes en vertelseltjes. Daaromtrent wordt het volgende voorval verhaald:

»Gedurende een der zittingen van de vergadering van den republikeinschen staat te Decatur, werd er eene banier, aan twee zulke ruwe staken vastgehecht en van een gepast opschrift voorzien, in de vergaderzaal gebragt en met alle deftigheid aan dat staatsligchaam aangeboden, te midden van een tooneel van onbeschrijfelijke geestdrift. Kort daarop raakten dergelijke banieren in iederen staat der Unie, waarin de vrije arbeid in eere gehouden werd, zeer in trek. Zij werden daar bij optogten van het volk gedragen en door honderd duizenden vrije lieden als een zinnebeeld van de zegepraal en als een roemvolle verdediging der vrijheid en der regten van den vrijen arbeid begroet.”

Een hevige aanval van koorts trof de nieuwe kolonisten vóór het einde van den eersten herfst na hun verblijf in Illinois. Door die omstandigheid werden zij geducht ontmoedigd en besloten om eene gezondere woonplaats te kiezen. Zij bleven echter gedurende den winter, het saizoen van de »dikke sneeuw” van Illinois, in dien staat wonen. Langer dan drie weken lag de sneeuw drie voet hoog en was het weder ontzettend koud. Dit sleepte voor menschen zoowel als voor beesten schadelijke gevolgen na zich, daar niemand volkomen gewapend was op zulk eene koude weersgesteldheid. Onze pionniers waren gelukkig, daar zij eene genoegzame hoeveelheid graan bezaten, doch zij hadden eene onvoldoende hoeveelheid vleesch in voorraad, en de hoogliggende sneeuw was een beletsel om veel gebruik van hunne buksen te maken. Abraham echter was bereid om zich allerlei opofferingen te getroosten, ten einde in de behoeften der huishouding te voorzien. Door zijne onvermoeide pogingen gelukte het hem om genoeg wild te schieten tot voedsel voor het gezin, ofschoon hij geen bijzonder goed jager was, daar zijne liefhebberij voor boeken al spoedig den lust en de geestdrift had doen bekoelen, waarmede hij de buks voor het eerst ter hand genomen had.

»Wij gingen zelden met elkander jagen,” schrijft een van zijne vroegere kameraden daaromtrent. »Bram stond niet als een goed jager bekend, daar de tijd, door anderen aan het jagtvermaak besteed, door hem aan het lezen van een of ander goed boek gewijd werd.”

In dienzelfden winter deed hij een tweeden togt met eene praamschuit naar New-Orleans. Gedurende den tijd, waarop deze reis plaats had, vatte Offult, zijn lastgever, genegenheid voor den jongen Lincoln op en sloot met hem eene overeenkomst tot het houden van het toezigt op een winkel en een molen te New-Salem in Illinois. Na zijne terugkomst van New-Orleans begaf Lincoln zich, overeenkomstig dit nieuwe kontrakt, naar New-Salem. Dit geschiedde in Julij 1831. Hier kreeg hij al spoedig verscheidene kennissen en vrienden en verwierf zich de achting van allen, met welke hij zaken had, terwijl hij in het gezellige leven nog meer bemind werd door zijne kennissen en algemeen bekend werd onder den naam van »den braven Bram”.

Bij de uitbarsting van den oorlog tegen de Zwarte Valken in 1832, nam hij dienst bij een compagnie vrijwilligers en werd tot zijne groote verwondering tot kapitein daarvan gekozen. Hij heeft dikwijls gezegd, dat hem nooit in zijn leven iets te beurt gevallen is, dat hem zoo veel zelfvoldoening gaf. De compagnie van den jongen Lincoln rukte kort daarop naar Beardstown op, van waar zij binnen weinige dagen ontboden werd naar de plaats, waar men verwachtte, dat de strijd zou geleverd worden. Doch voordat de tijd van dienstneming verstreken was, was de twist reeds bijgelegd en keerde hij naar New-Salem terug, zonder den vijand gezien te hebben. Men zegt, dat hij bij het leger algemeen bemind werd als een officier, die zijn gezag steeds wist te doen gelden, en als een soldaat, die door dapperheid uitblonk, het gevaar verachtte en vermoeienissen wist te verduren.

HOOFDSTUK II.

Lincoln wordt tot kandidaat voor de wetgevende vergadering benoemd.—Hij wordt winkelier en postmeester, later landmeter.—Zijne regtsgeleerde studiën.—Op het Congres.—De strijd over de verkiezingen in 1854.—Een belangrijk verschil in den Senaat.—Bezoek aan Kansas en New-York.—Redevoering in het Cooper-Instituut.—Een merkwaardig voorval.

Na de terugkomst van Lincoln uit het leger verwonderde het hem niet weinig, toen hij vernam, dat er een voorstel van zijne vrienden en bewonderaars uitgegaan was om hem tot lid van de wetgevende vergadering te benoemen. Ofschoon hij nog maar negen maanden in het graafschap gewoond had, wilde men een schrander man, een tweeden Henry Clay, op het stembiljet zetten, en hij werd een kandidaat geacht, die wel zou slagen.

De keus viel voornamelijk op hem om de volgende reden. De generaal Jackson had in het vorige jaar bij de verkiezingen in het graafschap eene groote meerderheid van stemmen verkregen, en men verwachtte nu, dat de populariteit, die Lincoln zich verworven had, een voldoende waarborg zou zijn, dat hij wel zou slagen. De stemming over een kandidaat viel uit, zoo als men verwacht had. Het moet een oogenblik van regtmatigen trots geweest zijn voor den jongen man, die nog pas uit de bosschen gekomen was, toen hij zijn behoeftig leven, in ligchaamsarbeid doorgebragt, kon vergelijken met den toestand, waarin hij zich thans bevond, nu hij waardig geacht werd om zitting in den raad te nemen naast de staatslieden van zijn nieuwen staat, die gedurig in aanzien toenam. Hij nam de aangebodene kandidatuur aan met de dankbaarheid en geestdrift der jeugd. De uitslag der stemming viel echter niet gunstig voor hem uit; er werden te New-Salem slechts twee honderd zeven en zeventig stemmen op hem uitgebragt, en dit was niet te verwonderen, daar het getal kandidaten voor het lidmaatschap van de wetgevende vergadering in het geheel acht bedroeg. Dit was de eenige maal, dat Lincoln bij eene dergelijke gelegenheid de nederlaag geleden heeft.

Veranderlijkheid en ondernemingsgeest zijn eigenaardige karaktertrekken van de bewoners van het verre Westen. Ook aan Lincoln waren zij niet geheel vreemd, en zoo vinden wij hem dan omstreeks dezen tijd als winkelier en als dorps-postmeester werkzaam. Hij deed krachtige pogingen om in zijn nieuw bedrijf vooruit te komen, doch gebrek aan kapitaal noodzaakte hem eindelijk om den handelsstand te verlaten en een nieuw arbeidsveld te zoeken.

Niet in 't minst afgeschrikt door zijn tegenspoed, wendde hij vervolgens pogingen aan om zich de kennis der regtsgeleerdheid te verwerven. Te dien einde leende hij eenige boeken van een vriend, en maakte zich vertrouwd met de beginselen van het vak, waarin hij later met zoo veel roem werkzaam geweest is.

Ondertusschen verwaarloosde hij ook zijne overige studiën niet. Hij oefende zich ijverig in de spraakkunst, terwijl hij al meer en meer gelegenheid kreeg om zijne lectuur uit te breiden, dan tot dusverre het geval geweest was. Het was zijne gewoonte om uittreksels te maken van ieder boek, dat hij las,—eene gewoonte, die strekte om hem het gelezene des te dieper in het hoofd te doen prenten, alsook om hem vaardigheid in het stellen te geven.

Hij had het nog niet zeer ver in de studie der regtsgeleerdheid gebragt, toen hij in kennis kwam met John Calhoun, later president van de Wetgevende Vergadering van Lecompton (Kansas), die hem het voorstel deed om zich toe te leggen op het landmeten. Lincoln nam dit voorstel aan en maakte terstond een begin met het beoefenen dezer wetenschap, zoowel in de theorie als in de praktijk. Hij ging met Mr. Calhoun dikwijls opmetingen in den omtrek doen en vestigde zich al spoedig als landmeter. Hierin was het geluk hem meer dienstig dan tot dusverre het geval geweest was. Hij wijdde zich aan zijn vak met zijn gewonen ijver en zijne gewone standvastigheid, en kreeg spoedig overvloed van werk. Hij maakte zelfs naam in zijn vak, maar beoefende dit niet veel langer dan een jaar.

Na verloop van dien tijd, in Augustus 1834—twee jaren, nadat Lincoln voor het eerst kandidaat voor de Wetgevende Vergadering gesteld was, en toen hij nog pas den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had—werd hij andermaal tot kandidaat voor de Wetgevende Vergadering van Illinois benoemd. Het vooruitzigt op de zegepraal was nu veel zekerder dan vroeger, want Abraham Lincoln was een zeer populair man geworden. Hij was de eerste geweest om dienst te nemen, de laatste om de dienst te verlaten, zoodat men hem beschouwde als iemand, die zich als militair onderscheiden had. Hij was een uitstekend landmeter, een vrij goed regtsgeleerde, in één woord, een man in zijn opkomst, in den westerschen zin des woords. Wat meer zegt, hij was algemeen geacht om zijn gezond verstand, zijne grootheid van ziel en zijne onberispelijkheid van wandel.

De hoop op een voor Lincoln gunstigen uitslag der stemming werd thans niet teleurgesteld. De dag der verkiezing kwam; er werd een groot aantal stemmen uitgebragt en Lincoln met eene groote meerderheid verkozen.

Op deze wijze begon het politieke leven van den nederigen en edelen man, die eindelijk den hoogsten eerepost kreeg, welke het Amerikaansche volk kan begeven. Ten gevolge van zijne verkiezing nam hij zitting in de Wetgevende Vergadering van Illinois.

Gedurende de eerste zitting nam hij het besluit om de studie der regtsgeleerdheid voort te zetten. In deze vergadering maakte hij kennis met zijn ambtgenoot, John T. Stuart. Hij werd driemalen als lid van de Wetgevende Vergadering herkozen, namelijk in 1836, in 1838 en in 1840. Wij behoeven wel niet te zeggen, dat hij zich met ijver van de hem opgedragene taak kweet. Dat hij met een gunstigen uitslag werkte voor de belangen van hen, die hem verkozen hadden, is zeker. De scherpziende en praktische mannen, die gewoonlijk de »eerste kolonisten” van eene landstreek uitmaken, waren er geen menschen naar om zich door den schijn te laten misleiden; zij beoordeelden den boom naar zijne vruchten, en dat Lincoln zoo dikwijls herkozen is, mag wel als een bewijs aangemerkt worden, dat hij trouw is gebleven aan zijn ijver en braafheid. Het was gedurende de uitoefening der pligten, aan zijn ambt verbonden, dat hij voor het eerst in kennis kwam met Steven A. Douglas. Weinig konden de beide mannen toen gissen, in welke betrekking zij binnen kort tot elkander en tot hun land zouden staan. Douglas was, even als Lincoln, zelf de bewerker van zijne fortuin. De staat Illinois ontving hen beiden in een nederigen stand, en deed hun, als eene welverdiende eer, eene loopbaan van staatkundigen roem intreden, welke nooit uit de historiebladen van Amerika zal uitgewischt worden.

Lincoln verkreeg in 1836 een regtsgeleerden graad, begaf zich in April 1837 naar Springfield, en begon de regtsgeleerde praktijk in vereeniging met Mr. Stuart.

Wij willen eene enkele bijzonderheid uit zijn leven als advokaat mededeelen. Er was een moord gepleegd. Een jong man, Armstrong genaamd, de zoon van hoogbejaarde ouders, waarvoor Abraham Lincoln vele jaren geleden gewerkt had, werd van het plegen dier misdaad beschuldigd. Hij werd in hechtenis genomen en verhoord: er werd een duchtig bewijs tegen hem gevonden, en hij werd naar de gevangenis overgebragt om daar zijn verhoor af te wachten. Zoodra Mr. Lincoln met de zaak bekend werd, rigtte hij een vriendelijken brief aan Mrs. Armstrong, waarin hij zijne vrees te kennen gaf, dat haar zoon een scherp verhoor zou moeten doorstaan, en waarin hij tot eene vergelding voor de welwillendheid, hem bewezen, toen hij in armoedige omstandigheden verkeerde, zijne diensten om niet aanbood. Een naauwkeurig onderzoek deed den advokaat tot de overtuiging komen, dat de jonge man het slagtoffer eener zamenzwering was, en hij besloot om de behandeling der zaak te vertragen, totdat de eerste opgewondenheid wat bedaard zou zijn. De dag van het verhoor kwam echter eindelijk en de beschuldiger getuigde bepaald, dat hij den beschuldigde het mes in het hart van den vermoorden man had zien steken. Hij kon zich al de bijzonderheden nog best herinneren: de moord was des avonds omstreeks half tien gepleegd, en de maan scheen helder. Lincoln beoordeelde al de verklaringen der getuigen met de meeste naauwkeurigheid, en bewees eindelijk, dat de maan, die volgens den beschuldiger toen helder geschenen had, eerst een uur nadat de moord gepleegd was opkwam. Andere tegenstrijdigheden werden door hem aangewezen, en binnen een half uur nadat de leden der jury de regtszaal verlaten hadden, keerden zij terug en deden de uitspraak: »niet schuldig.”

De gevangene en zijne moeder hadden het vonnis in angstige spanning afgewacht. Niet zoodra waren de gewigtige woorden »niet schuldig” van de lippen van den voorzitter gekomen, of de moeder viel in de armen van haren zoon in onmagt. Hij drukte haar aan zijn hart en trachtte haar tot bewustzijn terug te brengen.

»Waar is Mr. Lincoln?” riep hij uit, snelde daarop de zaal door en greep zijn bevrijder bij de hand met een hart, te vol om zich in woorden te kunnen ontlasten.

Het was de tijd van het ondergaan der zon, en zij bevonden zich bij een raam, dat op het westen uitzag. Lincoln liet zich de warme dankbetuiging van den gevangene welgevallen, en wierp toen een blik door het raam naar den westelijken gezigteinder, die door de zon verguld werd.

»De zon is nog niet ondergegaan,” zeide hij op een deelnemenden toon, »en gij zijt vrij.”

Lincoln bleef voorspoedig en wijdde de volgende zes jaren aan de studie der regtsgeleerdheid en aan de verdediging van beschuldigden toe. Ieder nieuw geval scheen den roem van zijne regtsgeleerde bekwaamheid nog te doen toenemen. Verscheidene van zijne collega's aan de balie te Springfield waren merkwaardige mannen. Daaromtrent zegt een schrijver, die goed bekend is met de personen en de omstandigheden van die verzameling van groote en bijzondere mannen, die de hoofdstad van Illinois tot het strijdperk voor hunne verschillen maakten:

»Het zou moeijelijk vallen om in eenige stad van het Westen van Amerika op het tijdstip, waarvan ik gesproken heb, eene verzameling van mannen te vinden, met gelijke bekwaamheden bedeeld als die, welke te Springfield te zamen pleitten, en twistten en voor de verkiezingen wedijverden. Logan, een van de schitterendste typen van een regtsgeleerde, die het Westen ooit opgeleverd heeft; M' Dougal, die later El Dorado gezocht heeft; Bissell en Shields en Baker, wapenbroeders en ambtgenooten in den raad, de bloem van het Westen en de schitterendste toonbeelden van westersche welsprekendheid; Trumbull, toen en ook nu nog met een kalmen en schranderen geest bedeeld; Douglas, een man met een vurig gemoed, een groote geestkracht, een onvergelijkelijken moed en eene onverzadelijke eerzucht; Lincoln, toen, even als later, bedachtzaam en eerlijk en braaf, zich bewust van zijne groote bekwaamheden en reeds de zegepraal vooruitziende van de beginselen, die hij voorstond.”

Inderdaad, dat mogt wel eene vereeniging heeten van groote mannen, waarvan ieder bestemd was om eene voorname rol in de geschiedenis van zijn land te spelen.

De belangstelling, die Lincoln in de politieke gebeurtenissen van den dag toonde, alsmede zijne steeds toenemende overtuiging van het gewigt daarvan niet alleen voor den staat, waarin hij woonde, maar voor het geheele land, dreven hem al spoedig in den maalstroom der politiek. Gedurende den hevigen strijd, die er in 1844 over de verkiezing van een President gevoerd werd, wist hij den staat Illinois voor zijne belangen te winnen. Zijne bewondering van Henry Clay, waarvan hij reeds vroeg doordrongen was, oefende gedurende zijn later leven geen geringen invloed op hem uit.

Zijn afkeer van de slavernij—voor welker afschaffing hij eens zulk een ijverig voorvechter zou worden—openbaarde zich reeds in het jaar 1837. De leden der Wetgevende Vergadering van Illinois hadden, even als die der meeste nieuwere Westelijke staten, geene gelegenheid laten voorbijgaan om hunne »Zuidelijke broeders” te bevredigen door het nemen van besluiten ten gunste van de slavernij en het geven van andere bewijzen van sympathie. Doch in het zittingsjaar 1837, toen Lincoln een van de vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon was, weigerde deze zijne goedkeuring te hechten aan dergelijke maatregelen, die de slavernij in de hand moesten werken. Hij maakte dan ook met zijn ambtgenoot uit Sangamon gebruik van een constitutioneel voorregt, door het indienen van het volgende protest, hetwelk op den derden Maart 1837 in het Huis voorgelezen werd:

»Daar er in de beide Huizen van het Generaal-Congres gedurende de tegenwoordige zitting besluiten genomen zijn ten opzigte van de slavernij, achten de ondergeteekenden zich bij dezen gedrongen om tegen dezen maatregel protest aan te teekenen.

»Zij meenen, dat de instelling der slavernij zoowel onregtvaardig als onstaatkundig is; maar dat de verspreiding van gevoelens over de afschaffing daarvan eer strekt om hare nadeelen te vermeerderen dan te verminderen.

»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten geene magt heeft om zich, volgens de bestaande Constitutie, te bemoeijen met de zaak der slavernij in de verschillende staten.

»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten wel de magt heeft om, volgens de bestaande Constitutie, de slavernij in het district Columbia af te schaffen; maar tevens, dat die magt niet moet worden uitgeoefend, dan alleen op verzoek van de bevolking van het genoemde district.

»Het verschil dat tusschen deze meeningen en die, welke in de bovengemelde besluiten heerschen, bestaat, is de reden van de indiening van dit protest.

»DAN. STONE, »A. LINCOLN, „Vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon.”

Bij de verkiezing van 1844—waarvan wij reeds met een enkel woord gewaagd hebben—was de tariefkwestie aan de orde van den dag. De naam van Lincoln werd op alle vergaderingen tot de benoeming van een kandidaat, door de Whigs gehouden, genoemd, terwijl van democratische zijde John Calhoun[1] aanbevolen werd. Calhoun werd toen beschouwd als de bekwaamste voorvechter van zijn partij in Illinois. Zij trachtten dien staat voor hunne belangen te winnen door het houden van redevoeringen, waarbij zij gewoonlijk een zeer talrijk gehoor hadden. De verkiezingsstrijd bewees, hoe naauwkeurig Lincoln de zaak van alle kanten bekeken, hoe grondig hij de geschiedenis en de politiek bestudeerd had. Hij gaf daarbij niet alleen proeven van zijne redenaarstalenten, maar ook van zijne bekwaamheid als geleerde en staatsman. Hij sprak met die bepaaldheid en die helderheid, welke in redevoeringen, tot het volk gehouden, altijd de meeste uitwerking doen. Zijn spreektrant was gemeenzaam, alsof hij tot een grooten vriendenkring sprak—een trek in zijne welsprekendheid, welke een van zijne eigenaardige kenmerken geworden is. Wij zeggen welsprekendheid, en toch zou zij moeijelijk zoo kunnen genoemd worden in den Ciceroniaanschen zin van het woord. Juist dat gemeenzame in zijne redevoeringen, die eenvoudigheid van zijn betoogtrant en die schijnbaar onuitputtelijke voorraad van anecdoten en vertelseltjes, welke hij altijd ter zijner beschikking had, bragten er het hunne toe bij om zijne redevoeringen indruk te doen maken. En toch werden zijne eenvoudige woorden uitgesproken met een vuur en een kracht, die zijne toehoorders niet alleen boeide, maar ook hun oordeel bestuurde, en weinige mannen hebben zich ooit verdienstelijker gemaakt door het verbreiden hunner beginselen. Hij werd nu beschouwd als de besliste voorvechter van de Whig-partij en de Whig-politiek in den staat, en zou al spoedig nog in een gewigtiger betrekking optreden, en wel als vertegenwoordiger van zijn district op het Generaal-Congres der Vereenigde Staten.

[1] Deze Calhoun moet niet verward worden met den ijveraar voor de instandhouding der slavernij, John C. Calhoun, uit Zuid-Carolina.

Lincoln werd in 1846 door het district Illinois naar het congres afgevaardigd, en nam daarin zitting op den eersten Maandag van December des jaars 1847.

Mr. Winthrop van Massachusetts werd tot Redenaar van het Huis verkozen. In dit Huis waren de grootste talenten uit het land bijeen, en gedurende de zittingen van dat jaar heerschte er zoo veel geestdrift, als er misschien ooit te Washington geheerscht heeft. Aan de zijde van Lincoln stonden, als Whigs, mannen als Collamer, Tallmage, Ingersoll, Botts, Clingman, Stephens, Toombs en Thompson; terwijl anderen, niet minder beroemd, maar in politieke gevoelens van hen verschillende, tegenover hen stonden, van welke wij mogen vermelden Wilmot, Bocock, Rhett, Linn, Boyd en Andrew Johnson—de laatstgenoemde in lateren tijd zijn bondgenoot en medehelper in het groote werk van de herstelling der Unie, en nu zijn opvolger op den presidentszetel. Zulke schitterende sterren als Webster, Calhoun, Dayton, Davis, Dix, Dickinson, Hale, Bell, Crittenden en Corwin vormden eene groep, zoo als men slechts zelden bijeengezien heeft.

Lincoln was de eenige vertegenwoordiger van Illinois, die onder de vaan der Whigs gekozen was, terwijl zijne zes ambtgenooten allen democraten waren.

Hij kweet zich van zijne nieuwe verpligtingen op de uitstekendste wijze, en bragt bij elke gewigtige kwestie niet alleen zijne stem _vóór_ of _tegen_ uit, maar was ook altijd gereed om zijn gevoelen met woorden te staven, waarbij hij steeds die bekwaamheid en scherpzinnigheid aan den dag legde, die hem gedurende zijn geheele leven gekenmerkt hebben.

Ofschoon Lincoln zich bij de meerderheid der Whig-partij aansloot in zijn verzet tegen de oorlogsverklaring aan Mexico, ondersteunde hij altijd ieder voorstel of besluit, dat de bevordering van de belangen, de welvaart en de eer van het leger, dat ten strijde getrokken was, ten doel had. Op den 22{sten} December bragt hij, in een van zijne redevoeringen, ten hunnen gunste, eene reeks besluiten bij en leverde eene scherpe kritiek van de redenen, die aanleiding tot den oorlog gegeven hadden. In latere jaren werd tegen Lincoln door hen, met wie hij in politieke gevoelens verschilde, de beschuldiging ingebragt, dat het hem aan waarachtige vaderlandsliefde ontbrak, daar hij tegen den oorlog met Mexico gestemd had. Deze beschuldiging werd met de meeste scherpte voorgedragen door Douglas in de eerste van hunne discussiën in het jaar 1858. Lincoln antwoordde: »Ik behoorde reeds sedert lang tot de Whig-partij, en toen de democratische partij eene poging deed om mij over te halen tot de meening, dat de oorlog naar regt en billijkheid door den President begonnen was, mogt haar dit niet gelukken.... Maar wanneer hij (Douglas) eene beschuldiging tegen mij inbrengt, dat ik den soldaten, die hun goed en bloed in den oorlog met Mexico ten offer brengen, onderstand heb willen onthouden of hen op de een of andere wijze tegenwerken, dan slaat hij, om mij zoo zacht mogelijk uit te drukken, den bal geheel mis, zoo als eene inzage van de verslagen der zittingen hem ten duidelijkste zal leeren.”

De loopbaan van Lincoln als lid van het Congres, hoe kort ook, was uiterst belangrijk en schitterend en is wel waardig om door den beoefenaar der staatkunde naauwkeurig bestudeerd te worden.