Part 3
Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet minder dan hij op de penning....
„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”
Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.
„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”
„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!”
„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.”
„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik; hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”
Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was; maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor Adam’s opvoeding.
Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest, had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe.
Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde.
En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:
„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een opziener blanda.”
„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”
Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah!
Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen, kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind, dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.
Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer terug naar Silver.
„Hoe moet het met zijn pakéan?”
Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.
„Dat komt terecht.”
„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet aan boord.”
„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt. Traperdoeli, maar zanik niet.”
De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de mailboot.
Op een avond schudde hij haar wakker.
„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”
Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een: vervelende vent, wat mot-je nou weer?
Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:
„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er dadelijk heen.”
’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over zulke dingen.
„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n boodschap gestuurd om ’n prauw.”
Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel ziek was.
Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man?
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE KNAAP VERTREKT NAAR BATAVIA.
Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel, dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de Europeesche passagiers lachten erom.
„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal onderweg wel voor hem zorgen.”
En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat een moeder toch een moeder blijft.
Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim, zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren.
En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee, het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten, slapen, pret maken!
Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten; meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren; hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift door behoefte.
Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen. Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als „dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd” was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om.
In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel; alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter; vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele medescholieren de achting en de gunst bezorgde.
Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.
En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam.
Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien hadramautschen hond?
Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq, maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend, wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend: barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!
Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de zekerheid had, dat het doel zou treffen.
Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar, dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond; maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te geven.
En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot Verlande.
Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.
„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”
Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een gouvernementswisseltje voor te koopen!
Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een hel zijn geweest, dag in dag uit.
Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders, tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
LAAGHARTIGE WRAAKZUCHT.
„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later, „en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken. Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman na zijn leertijd in Indië zult terugzien.”
Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven, was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in één adem sprak.
De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij: welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen; hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar! daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was.
Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer binnen.
„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!”
„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in zilver gevatte brilleglazen.
„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”
Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?
Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem; hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was.
„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis.
„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian, wat weet ik van hem.”
John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in; ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk werd van zijn eigen woorden, zei hij:
„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen zijn.”
Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai Peraq.
Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te loopen over den roodsteenen vloer.
„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”
Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den vader.
En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer; het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen; dat laatste vooral.
Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den grooten mond strak naar binnen trokken.
„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar niks meer van.”
„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had.
„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”
„Als wij willen.”
„Hè? Wat willen?”
„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”
„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol goud, zou het nog gekkenwerk wezen.”
„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”
„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij met leeren klaar is.”
„Hoe lang?”
„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan misschien maar kort, en anders lang.”
„Mag ik het portret houden?”
Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond, en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind” voor den neus te hebben, was te erg.
„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...”
Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen verborgen werden.
TIENDE HOOFDSTUK.
TELEURGESTELDE VERWACHTINGEN.
Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen, allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat, half!
Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt.
De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur; een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene deur binnen.
De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren, uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn.