Aboe Bakar: Indische Roman

Part 1

Chapter 13,698 wordsPublic domain

ABOE BAKAR INDISCHE ROMAN

DOOR MAURITS

BATAVIA ’S-GRAVENHAGE G. KOLFF & Co. LOMAN & FUNKE

INHOUD.

EERSTE DEEL

Hoofdstuk. Bladz.

I. Kennismaking met een onaangenaam mensch 1 II. Een jaloersch heer 10 III. Een treurig voorval 20 IV. Niet zonder reden jaloersch 31 V. De in ongenade gevallen president 39 VI. Het vierde kind 45 VII. Adam wordt een knappe jongen 52 VIII. De knaap vertrekt naar Batavia 61 IX. Laaghartige wraakzucht 70 X. Teleurgestelde verwachtingen 80 XI. Onaangename brieven uit Holland 91 XII. Een mislukt jongmensch 103 XIII. Een voorzichtige moeder 113 XIV. Een onaangename verrassing 122 XV. Een declaratie in optima forma 132 XVI. Aan boord van een mailstoomer 143 XVII. In Indië terug, maar.... aan een sterfbed 152 XVIII. Het gevonden portret 164 XIX. Een nieuwe vlam 174 XX. Onterfd 182 XXI. Vergeefsche moeite 192 XXII. Adam is ontevreden 201 XXIII. Moederliefde 210

TWEEDE DEEL

I. Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis 1 II. Ik wil niet gelijk gesteld worden 9 III. Het Europeesch vernis verdwijnt 20 IV. Opnieuw verloofd en getrouwd 28 V. Onaangename ontmoeting en wroeging 36 VI. Aboe Bakars teleurstelling 44 VII. Een beschaafd Mohammedaan 53 VIII. Ongelukkige familieberichten 63 IX. Schoonmoeder en schoondochter 73 X. Een trouweloos Mohammedaan 82 XI. Hoe zal ik sterk zijn? 91 XII. Zonderlinge ontmoeting 98 XIII. Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw 107 XIV. Geldelijke verwikkelingen 115 XV. Men kan geen priester en koopman zijn 124 XVI. Een listig mensch 131 XVII. Wacht u voor zulke vrienden 137 XVIII. Toenadering tusschen de vrouwen 147 XIX. Minah op een verboden weg 156 XX. Aboe Bakars ondergang voorbereid 166 XXI. Een dubbel offer gebracht 174 XXII. Dailah ontdekt het gevaar 186 XXIII. „Ze hebben hem vermoord.” 196 XXIV. Besluit 210

EERSTE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

KENNISMAKING MET EEN ONAANGENAAM MENSCH.

Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote, gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over; hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem. Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.

Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links, zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden een stukje Holland te zien.

In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de overstaande rozen te ontblaren.

Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor overdracht.

Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie sterke manstanden.

Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als after-breakfast sigaar.

Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer, nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.

Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet een njo, net als hij zelf?

De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne! Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld overhoudend bij hun geringe behoeften.

Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n leven! Verbeel je dat hij ....

John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet en zou hij ook nooit worden!

Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met hem en dreigde met het vierde.

Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op.

En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van hebben!

Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht, vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband ’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop; helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine voeten.

Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag, in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog, bezig te verwisselen van baadje.

Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde; zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de menschen niet praten mag.”

Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het bespieden van straalbreking en kleurwisseling.

„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid, smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit. Prullen, anders niet!”

Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de doos.

„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik schiet ze dood. Ziedaar!”

En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen, minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê terugschold.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN JALOERSCH HEER.

’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit; maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid; telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw opwindend als hij begon te bedaren.

Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker, gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit, zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals de jongelui zeiden.

Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom hadden zij het hem gemaakt.

John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel” ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee, geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?”

Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den „woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar, de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld veroorzaakte.

’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders, dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.

„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog ongeluk van kunnen komen.”

Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam, raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers, bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood. En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud, eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van.

Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.

De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes; maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met het geweer grooten indruk had gemaakt.

In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie; hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie.

Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen „voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder, voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.

Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk lamplicht.

„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.

Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder iets te zeggen.

„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke kerels, dat moet ’n gezicht wezen.”

„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het is gemeen volk.”

„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”

„’t Zijn bedriegers en oplichters.”

„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met mijnheer Silver heelemaal eens.”

Maar de luitenant was een aanhouder.

„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik waarachtig geen ongelijk geven.”

Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille verontwaardiging over zooveel onzin.

Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg nippend, „het is alweer tijd.”

De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg als ’s ochtends door het hoofd maalde.

Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien. Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven; zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.

Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig in.

Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij „welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden, rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken. Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment schaamte over hem komen deed.

Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren, voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de stoelleuning.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN TREURIG VOORVAL.

Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte, dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den achterstand bij, van een half doorwaakten nacht.

Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog, badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den aanlichtenden dag tegemoet.

Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken, dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens familiaarder met het heerlijke ding, het geweer.

Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje, kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil, om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel. En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken, over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg....

Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam, toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting, haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.

En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast, verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig koopje gaven.