Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913

Part 8

Chapter 8 3,999 words Public domain Markdown

Voortaan zullen het étappes van 37 kilometer worden; zoo zullen we een breedtegraad in drie dagen kunnen afdoen, en den vierden dag zullen we uitrusten. De honden verrichten wonderen; ze zijn nu op het hoogste punt van geoefendheid, en met het grootste gemak doen ze de étappes met een snelheid van zeven en een halven kilometer in het uur. Wat ons betreft, we behoeven den pas niet te versnellen; we laten ons sleepen op onze ski. Weer het offer van een hond; het is Else, een der mooiste honden uit het span van Hassel, maar niets weerhoudt ons, want in de laatste tijden is zij erg in gebreke gebleven, en de doodstraf moet op haar worden toegepast. Haar lijk wordt op een cairn gelegd. In het Zuidwesten bespeuren we groote, witte wolken, alsof daar land was en den volgenden morgen kunnen we door onze kijkers de hoogten ontdekken, die zich achter den Beardmoregletscher verheffen, waar we ongeveer 400 kilometer ten westen van zijn. Den 7den des avonds schatten we ons op 83 graden, en de waarneming van den volgenden morgen gaf 83.1 graad. Het hier achtergelaten dépôt bevat levensmiddelen voor vijf man en twaalf honden gedurende vier dagen. Ze liggen besloten in een cubus van twee meter hoogte uit vaste sneeuwblokken, met een groote vlag erboven. Drie van onze honden zijn gedeserteerd; het waren de drie aanbidders van een der gedoode wijfjes, en zeker zijn ze naar het Noorden vertrokken, om haar te zoeken. Het is een groot verlies voor het span van Bjaaland, en Hansen leent hem een van zijn dravers, zoodat de slede kan meekomen.

De bergketen vóór ons neemt al duidelijker vormen aan. We zijn nu veel dichter bij de aardkorst, en de ijslaag is dunner. Er steken zelfs punten uit het bergland op, die zonder sneeuw en ijs zijn.

VI.

Tusschen 84 en 86 graden Z.B.--Aan den voet van de bergen, die de nadering tot de Pool afsluiten.--Begin van de beklimming.--Stijgingen en dalingen.--De antarctische Alpen.--Wij stijgen tot 2400, daarna tot 3000 meter.

Het was op 12 November 1911, dat wij den 84sten graad Z. B. bereikten. Dien dag ontdekken we naar het Zuiden een bergland, dat zich bij Victorialand schijnt aan te sluiten. In de "cache" op 84 graden plaatsen we, als in de overige, vijf dagen levensmiddelen voor vijf man en twaalf honden, en bovendien 17 liter petroleum. Elk dépôt heeft een hoeveelheid lucifers, van welk eerst noodig artikel we een enormen voorraad bezitten.

Altijd blijft de Barrière nog even vlak, en de weg vast en stevig. Het is volkomen overbodig, de honden een dag te laten uitrusten na elken graad, op het Zuiden gewonnen; geen van hen toont eenige vermoeidheid; integendeel is de troep flink en sterk. Ze kijken ook met belangstelling naar het land, het Frithiof-Nansengebergte, dat er donkerblauw uitziet en hen schijnt aan te trekken. Hansen heeft dan ook heel wat moeite, om zijn leerlingen in de goede richting te houden.

Den 13den gingen we in de richting van de golf, waar de bergen verrezen. Een étappe van 37 kilometer in dichten nevel! Wat een teleurstelling, langs onbekend land te gaan, zonder er iets van te kunnen onderscheiden! De eentonigheid van ons bestaan op den gletscher wordt verbroken door een incident. We hooren als een salvo, door voetvolk afgeschoten. Dat geluid is blijkbaar het gevolg van een beweging van het ijs en naar alle waarschijnlijkheid, is het gekomen door de drukking der kleine gletschers van de bergen tegen de Barrière. In ieder geval vinden wij daar dichtbij een zeer groot aantal spleten, die pas gevormd lijken.

De breedte van 84.40 bereiken we den 14den, en we vorderen snel op den weg naar het land. De oostelijke keten schijnt te dalen naar het Noordoosten. Het punt van aanval, dat we al lang ons voor oogen hebben gesteld, ligt wat westelijk van de lijn Noord--Zuid, en dus zullen we slechts een kleinen omweg behoeven te maken. De golf in het Zuiden lijkt zeer lastig en geaccidenteerd.

Het terrein begint er anders uit te zien. De gletscher wordt hooger en vormt al hooger golvingen, naarmate men het land nadert en in de holten van die verheffingen is het ijs zeer verbrokkeld. Er zijn daar groote spleten vol sneeuw; zonder die omstandigheid zouden we er onmogelijk over kunnen komen. In den avond halen we den 85sten graad en kampeeren op den top van een ijsheuvel. Het vrij breede dal, dat we morgen door moeten, vertoont een sterke helling. Naar het Westen, dat is in de richting, die het dichtst is bij het in de buurt zijnde land, is een verheffing op den gletscher zoo hoog, dat men aan die zijde het panorama in het geheel niet kan overzien.

Na een dépôt op den 85sten graad te hebben aangelegd, vertrekken we den volgenden morgen. De golf van ijs, die we hebben te beklimmen, is werkelijk reuzengroot, en de beklimming in de volle zon is ver van aangenaam. Naar de aanwijzingen van den aneroïdebarometer is de hoogte intusschen niet meer dan honderd meter. Verderop wordt de Barrière vlak en nog verder ziet men weer strepen van spleten. Blijkbaar zal het landen niet gemakkelijk wezen, want, aan alle kanten door bergen ingesloten, is de Barrière daar zeer verbrokkeld. Gelukkig zijn de spleten, die we ontmoeten, alle met sneeuw gevuld en bieden dus geen bezwaar. Daarna snelle daling, waarop een stijging volgt. De overgang over de nieuwe hoogte gaat gemakkelijk; maar de stijging is weer zeer lastig. Wat zullen we daarboven te zien krijgen? In mijn nieuwsgierigheid verhaast ik zooveel mogelijk mijn schreden. Daar is eindelijk de top. Wat een geluk! Geen enkele spleet, geen ijsheuvel! Naar alle waarschijnlijkheid rust dit deel van den gletscher reeds op land. De breede spleten, die we lager hebben gezien, zijn waarschijnlijk de grens tusschen de Barrière en het ijs op den vasten grond. De hypsometer geeft een hoogte van 300 meter aan.

We zijn dus nu op het punt, de bestijging te beginnen van de bergen, en dadelijk maken we onze laatste toebereidselen voor die groote onderneming. Hoewel het nog vroeg is, wordt het kamp opgeslagen, en er is werk genoeg tot den volgenden morgen. Wij moeten eerst de levensmiddelen nazien, om alleen het volstrekt onmisbare mee te nemen. Zoodra de tent is neergezet, wordt de plaats bepaald en dan wordt den honden hun portie gegeven. Na een lichten maaltijd openen we den inventaris. Hier zijn we op een der beslissende oogenblikken van de reis. Alles moet met zorg worden berekend, en alle mogelijkheden moeten onder de oogen worden gezien. Als in ernstige omstandigheden houden we raad, en ieder moet zijn meening zeggen. Van hier tot de Pool heen en terug is de afstand 1100 kilometer. Met het oog op de bezwaren van de beklimming en de toenemende verzwakking van de honden wordt met algemeene stemmen de duur van den tocht op zestig dagen geschat. Bij gevolg zullen we voor twee maanden levensmiddelen mee moeten nemen en zullen de rest in het dépôt achterlaten, dus proviand voor een maand. Naar onze ervaring te oordeelen, zal het gaan met twaalf honden bij het naar beneden gaan van het plateau. Thans hebben we nog 42; we zullen die allen gebruiken voor de bestijging van de hoogvlakte; maar als we eenmaal boven zijn, zullen we 24 opofferen en met 18 en drie sleden onzen weg vervolgen. Van die 18 zullen zes dienen, om de twaalf overige te voeden. Naarmate de spannen verminderen, zullen de lasten al lichter worden door het gebruiken van de levensmiddelen, zoodat als de troep tot twaalf honden zal zijn teruggebracht, twee sleden voldoende zullen wezen.

Na een lange discussie, waarin ieder zijn meening zegt, begint het pakken. Gelukkig is het mooi weer; anders zou dat nazien van de levensmiddelen niet prettig zijn. De verschillende pakken van onze voedingsmiddelen zijn alle van hetzelfde gewicht, zoodat als men ze telt, men ook de zwaarte van den gezamenlijken last weet. Zoo is het pemmikan verdeeld in porties van 500 gram; de melk in poedervorm in zakken van 300 gram. De chocolade is als gewoonlijk verdeeld in tabletten, waarvan we het gewicht kennen; al onze beschuiten zijn ook naar hetzelfde model gemaakt en wegen hetzelfde aantal grammen. We nemen alleen die vier voedingsmiddelen mee. De confituren, de geconserveerde vruchten, de kaas, al die lekkernijen zijn op Framheim achtergelaten. De eenige weelde, die we ons veroorloven, is ons bont, dat we tot hier toe niet noodig hebben gehad. Maar is dat wel een weelde? Eenmaal op de bergen, zullen we het misschien noodig hebben! Shackleton heeft immers veertig graden vorst gehad op 88 graden Z.B. In geval van een dergelijke kou zal het bont het ons mogelijk maken, het een heelen tijd uit te houden. Andere kleedingstukken nemen we maar weinig mee. Hier gaan we nieuwe vesten, hemden en broeken aantrekken. Al ons oud ondergoed zal in de open lucht blijven hangen, tot we terugkeeren. Die krachtige ventilatie gedurende twee maanden zal de bleek vervangen. Toen de toebereidselen klaar waren, gingen we den weg van morgen verkennen.

We richten ons naar het vooruitspringend deel van het gebergte, dat het dichtst bij ons kamp is, den berg Betty, een top van 300 meter, zoowat drie kilometer verwijderd. Daar voorbij is het terrein betrekkelijk steil, maar zeer vlak, en de weg is heel goed. Dank zij die gunstige omstandigheden, bereiken we gauw een hoogte van 360 meter, waar een kleine vlakte op volgt. Verderop volgt weer een heuvel, gelijk aan den eersten, daarna een lange, vlakke daling, die uitkomt aan kleine gletschers. Daar staken we de verkenning. Door dit heele bergland zal het niet moeilijk zijn, onzen weg te gaan. Het punt, waar we omkeeren, ligt op ongeveer 9 kilometers van het kamp en ter hoogte van 600 meter.

Het dalen ging allergemakkelijkst, en van de beide laatste hellingen vóór de Barrière ging het ventre à terre! Eer we naar huis gaan, maken Bjaaland en ik nog een omweg naar den Bettyberg. Sedert ons vertrek uit Madera, dus sinds veertien maanden, hebben we niet anders dan sneeuw en ijs onder onze voeten gehad, en wij willen wel eens den vasten grond drukken.

De berg Betty verheft zijn top onmiddellijk boven de Barrière en is met veel losse steenen bedekt. Na eenige stalen van de rotsen te hebben genomen, dalen we en voegen ons bij de kameraden. In het kamp vertoon ik mijn steenen, maar mijn geologische specimina van het antarctisch continent wekken geen belangstelling bij mijn metgezellen. "God vergeve mij," hoor ik zelfs op minachtenden toon zeggen, "steenen hebben we genoeg in Noorwegen!"

Op den 17den November beginnen we de bestijging van de bergen, die de nadering van de Pool beschermen. Om voor alle eventualiteiten gedekt te wezen, laat ik in het dépôt een briefje achter, waarin ik onzen weg beschrijf, dien we ons voorstellen te volgen, en de levensmiddelen, die we bij ons hebben. Het is prachtig weêr en de weg uitstekend. De honden overtreffen onze verwachting en nemen zonder inspanning de vrij steile hellingen van het begin. Geen hindernis kan, naar het lijkt, hen tegenhouden. Binnen zeer korten tijd komen de spannen op het punt, dat wij gisteren hebben bereikt, en dat het eind scheen te zullen wezen van de eerste étappe. Op de kleine, steile gletschers, die hoogerop gelegen zijn, wordt het herhaaldelijk noodig, de spannen te verdubbelen en de sleden twee aan twee te doen voortgaan. Die gletschers lijken zeer oud en schijnen in het geheel niet meer te werken. Men ziet er geen enkele spleet, die pas is ontstaan, en die er zijn, hebben afgeronde randen en zijn bijna vol sneeuw. Om te voorkomen, dat we in die gaten vallen bij het dalen, bouwen we hoopen, en als men dan tusschen die pyramiden zorgt te blijven, is men zeker, op vasten grond te wezen. De zon schijnt zoo krachtig en het is zoo warm, dat we in onze hemdsmouwen loopen.

Wij trekken aan den voet van toppen van 900 tot 1200 meter. De sneeuw op een van die toppen is donkerrood. Deze eerste étappe in het bergland voert ons tot een hoogte van 600 meter na het afleggen van 18.5 kilometer. Het kamp wordt opgeslagen op een klein ijsveld tusschen groote spleten. Na het oprichten van de tent gaan er twee groepen uit op verkenning van het terrein vóór ons. Wisting en Hanaen bestijgen verder den gletscher, die zich snel verheft tot 1200 meter en dan in het Zuidwesten tusschen twee toppen verdwijnt. Bjaaland vertrekt in een andere richting, omdat hij zeker den weg, door de anderen gekozen, te gemakkelijk vindt, en bestijgt een rotsachtig gedeelte. In dien tusschentijd houden Hassel en ik ons met huishoudelijke dingen bezig. Al gauw is Bjaaland terug, en zegt dat hij daar een zeer goeden weg voor de daling heeft gevonden. Als hij even mooi is als die, welken hij bij het stijgen heeft gevolgd, geeft dat te denken. Een weinig later komen de anderen terug; natuurlijk komen hun inlichtingen niet overeen met die van Bjaaland; elke groep prijst haar eigen weg en breekt dien van de anderen af; maar op één punt zijn allen het eens, namelijk dat na deze stijging wij zullen genoodzaakt wezen, af te dalen naar een reusachtigen gletscher, die zich beneden het kamp uitstrekt in oostwestelijke richting. Daar het gesprek nog lang niet uit is, ga ik vast slapen.

De vóór ons liggende gletscher is zeer steil; over een korten afstand rijst hij minstens 600 meter. Na rijpelijk te hebben nagedacht, zullen we de bestijging ondernemen, zonder onze spannen te verdubbelen. De honden hebben zulk een kracht aan den dag gelegd, dat ze, naar alle waarschijnlijkheid, deze nieuwe heldendaad wel zullen kunnen volvoeren. Ofschoon ze langzaam vorderen, komen ze toch vooruit. Als ze van plan schijnen, stil te staan, is er maar een aanmoedigend woord of een klappen met de zweep noodig, om ze weer aan den gang te helpen. Zoo komen we aan een pas. Boven gekomen, rusten de honden uit, terwijl wij het panorama beschouwen. Voorbij de bres breidt zich een kleine vlakte uit van maar eenige meters boven een steile helling, die in een dal uitkomt. Recht vóór ons vlak in het Zuiden verheffen zich de reusachtige Frithiof-Nansenketen en wat verder de Don Pedro Christophersentop, beide berglanden gescheiden door een machtigen gletscher, die zich in terrassen verheft. Hij is geweldig verbrokkeld; maar het zal mogelijk zijn, tusschen de spleten door te gaan. Dat dal zal ons verder brengen; maar het zal ons niet naar het doel voeren. Tusschen de eerste en de tweede verdieping wordt de gletscher ontoegankelijk door een hindernis. Daar plaatsen wij een grooten cairn en nemen de voornaamste bergen op, die we kunnen zien. Eer we de daling ondernemen, keer ik naar den pas terug, om een laatsten blik op de Barrière te werpen. De keten, die wij hebben ontdekt en die die onmetelijke ijsvlakte afsluit, daalt naar het Oost-Noordoosten, om in het Noordoosten te verdwijnen in de nabijheid van den 84sten breedtegraad. Het aanzien van de lucht doet denken, dat het gebergte zich nog verder uitstrekt dan die parallel.

De kleine vlakte over den pas ligt ter hoogte van 1200 meter. De helling is steil. Op zulk een hellend terrein is met beladen sleden de grootste voorzichtigheid noodig; als de sleden omsloegen, zouden de honden gedood of gewond kunnen worden, en hun geleiders ook, terwijl de sleden groot gevaar zouden loopen van ernstige schade. Bij elke daling van dezen aard remmen we met touwen, van punten voorzien, die om de slede-ijzers worden geslagen. Die eerste helling brengt ons in een breed dal, 250 meter lager; daarna een nieuwe stijging over twee zeer steile gletschers. De bestijging van den tweeden is de moeilijkste van de heele reis geweest. Om daarmee klaar te komen, wordt het noodig, de spannen te verdubbelen. We komen daardoor zeer langzaam vooruit, en eerst na veel inspanning komen we op de hoogte van die helling, die niet minder dan 360 meter hoog is. Daar bevinden we ons op een hoogte van 1320 meter op een kleine vlakte. Na de honden te hebben laten uitblazen, weer op weg!

Tot nu toe hebben de meest nabijzijnde bergen ons het terrein, dat vóór ons ligt, verborgen. Naarmate we vorderen, onderscheiden we beter den weg, dien we zullen volgen. Hij bestaat uit een enormen gletscher, die zich bij de Groote Barrière aansluit en tusschen de Frithiof-Nansenketen en die van Don Pedro Christophersen doorgaat. Over die grootsche ijsvlakte, die we den naam geven van Axel Heiberg, hopen we het bovenste plateau te bereiken. Om dien gletscher te bereiken, moeten we weer dalen. Vanaf het punt, waar we ons bevinden, lijken de kleine ijsvelden, die we zullen moeten volgen, vol spleten, en dus gaan we, voordat we ons op dat terrein wagen, het eerst eens verkennen. Na grondig onderzoek blijkt het wel te passeeren met alle voorzorgsmaatregelen en met krachtig remmen.

In den namiddag en na een paar tuimelingen, die geen ernstige gevolgen hadden, bereiken we den Axel Heiberg. Door zijn dal willen we gaan tot de reeks ijstorens, die daar zijn opgestuwd bij de passage van den gletscher tusschen de beide ketens. Voor ons een brok werk, dat uiterst moeilijk is, veel bezwaarlijker, dan we hadden gedacht. Vooreerst is de afstand driemaal zoo groot, dan hij leek; verder is de sneeuw zoo week, dat de honden zich haast niet kunnen bewegen. Maar hoe het zij, we vorderen toch.

De hellingen van het dal, dat door den Axel Heiberg is gevuld, zijn bedekt met gletschers, die afhangen en zich bij den hoofdgletscher aansluiten. Toen de avond daar was, kampeeren we aan het punt van samenkomst van een van die ondergeschikte gletschers aan den voet van den Don Pedro Christophersen. De helling van den top, waaronder we ons hebben gevestigd, is slechts een chaos van ijstongen, en daarentegen is de top kaal. Ertegenover verheft zich de Frithiof Nansen. Zijn zuidelijke helling is niet zoo vrij van ijs als de oostzijde, die naar de Barrière is gekeerd. Van die hangende gletschers storten onophoudelijk lawinen naar beneden in den vorm van losse sneeuw; ze gelijken op het schuim van een waterval, die het water in stof doet opvliegen. Rondom de tent openen zich talrijke spleten; als alle, die we te voren hebben ontmoet, schijnen ze zeer oud te wezen en half gevuld. De sneeuw is zoo week, dat de stok van de tent erin dringt als in boter. Ofschoon de thermometer vijftien graden vorst aanwijst, brandt de zon letterlijk; een echt zomergevoel!

Den volgenden dag hadden we het moeilijk. Het eind gletscher, dat we hebben te passeereen, al is het kort, is buitengewoon steil en vol spleten. Het blijkt weer onmogelijk, alle sleden tegelijk te laten voortgaan. De warmte is zoo groot, dat men zich niet kan voorstellen, tusschen den 85sten en 86sten breedtegraad te wezen. Ofschoon we licht gekleed zijn, zweeten we heftig. Hoewel we snel stijgen, gevoelen we geen hoofdpijn, noch eenige malaise. Maar dat zal nog wel komen. De beschrijving van het lijden, door de expeditie Shackleton ondervonden, op de hooge toppen, staat ons helder voor den geest. Zeer spoedig betrekkelijk komen we op het plateau. Daar worden we opgehouden. Ingesloten tusschen de beide ketens, is de gletscher over zijn geheele breedte verbrokkeld, en over een groote uitgestrektheid. Aan den kant van den Frithiof Nansen is de weg ook afgesloten. Daar verheft de rots zich steil en aan haar voet vormt de gletscher den gruwelijksten chaos, dien men zich kan denken. Onze eenige kans is, den overgang te probeeren aan den kant van den Don Pedro Christophersen. Langs die keten schijnt het ijs zich aan te sluiten bij een besneeuwde helling met een betrekkelijk effen oppervlakte. In die richting zullen we, naar we vermoeden, den val van séracs kunnen vermijden, die ons den doorgang belet. Na een kort oponthoud gaan we weer op weg.

We zijn verlangend, te weten, of het mogelijk zal zijn, daar te passeeren. De helling is steil, en weer beginnen we met de dubbele spannen. Het is natuurlijk niet aangenaam, driemaal hetzelfde eindweegs af te leggen, om de vier sleden op hetzelfde punt te brengen; maar daar is niets aan te doen. Na langs spleten te zijn gegaan, komen we op een heuveltje. Naar het Westen zullen we langs de bergen met groote inspanning voorbij kunnen komen, schijnt het. Aan dien kant komt de steile helling uit aan een afgrond; dus probeeren we eerst, of we, eer we ons in die richting begeven, niet wat beters kunnen vinden.

Ofschoon het nog niet laat is, slaan we ons kamp op. De honden zullen uitrusten, terwijl drie mannen de zuidelijke helling van den berg zullen exploreeren. Wat bevindt zich achter den top, dien we vóór ons hebben? Bij de nadering van den top krijgen we een gevoel van ongeduld. Het vinden van een bruikbaren weg zal zulke groote gevolgen hebben! Nog maar eens een poging wagen! Daar is het hoogste punt! Victorie! We worden voor onze inspanning beloond. We hebben de bres ontdekt, waarlangs we den reuzenwal kunnen omtrekken, die met zijn ijspantser den toegang tot het poolplateau omgeeft. Bij den eersten blik, geworpen op het panorama, is er geen twijfel meer mogelijk; we zijn op den goeden weg. Een lange vlakte, evenwijdig met den gletscher, zal ons boven den val van séracs brengen. Hoogerop is de Axel Heiberg nog wel vol spleten; maar het lijkt toch, dat we daar geen enkel onoverkomelijk bezwaar zullen ontmoeten. Overigens is de afstand eigenlijk te groot, dan dat we kunnen uitmaken, of dat deel van den gletscher begaanbaar zal zijn. Om beter te kunnen oordeelen, zetten we de verkenning voort. De sneeuw is zacht; met de ski gaat het nog, maar de honden zullen er moeite mee hebben.

Het resultaat was, dat we in dezelfde richting konden doorgaan en begrepen, dat de tak van den gletscher tusschen den berg Ole Engelstad en den Frithiof Nansen de beste toegangsweg was naar het poolplateau. Morgen, als het goed weêr is, zullen we die hooge vlakte bereiken. Na dat te hebben vastgesteld, keerden we naar het kamp terug, zeer verlangend, om ons aan den maaltijd te zetten. Het punt, waar we terugkeeren, ligt op 2400 meter hoogte, dus moeten we 750 meter dalen. Over de helling, die hier en daar zeer steil is, maken we lange glissades. Van den top af is het uitzicht wonderbaar. Overal spleten en reuzengaten, enorme ijsblokken, en in dien reuzenchaos telkens de donder van lawinen. De bergen schudden hun ijspantser af, om zich in voorjaarskleed te steken.

Onze in het kamp achtergebleven kameraden hebben te onzer eere een uitstekende pemmikanragoût klaargemaakt. Het was dien avond werkelijk feest, al was het menu juist niet anders dan gewoonlijk. Dat konden we ons niet permitteeren; maar de stemming was vroolijk. We hadden gerekend, dat de bestijging van het plateau ons tien dagen zou kosten, en nu blijkt het, dat we het in minder dan de helft van dien tijd zullen klaarspelen. De honden, die we moeten opofferen, zullen er zes dagen eerder aan moeten gelooven, dan we hebben gedacht, zoodat we een groote hoeveelheid levensmiddelen zullen besparen.

Den 20sten November vertrekken we als gewoonlijk om acht uur in den morgen. Het is prachtig weer, helder en rustig. De beklimming van de helling is moeilijk; maar de honden nemen de steilte met vlugheid, al houdt evenals gisteren de zachtheid van de sneeuw den gang tegen. In plaats van den weg van den vorigen dag te volgen, richten we ons recht naar het punt, waar we besloten hebben, de laatste groote helling van den gletscher aan te grijpen. Naarmate we het ijsveld naderen, tusschen de bergen Ole Engelstad en Frithiof Nansen, worden we door een hevige ontroering aangegrepen. Zal die weg begaanbaar wezen? Indien die weg ons niet doorlaat, welke moeilijkheden wachten ons dan niet, eer we de hoogvlakte bereiken? Nu zal ons lot worden beslist. Toen we den Ole Engelstad voorbij waren, lag de gletscher in al zijn breedte vóór ons. Stellig zal de bestijging moeilijk wezen, maar onmogelijk is ze niet.