Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913

Part 4

Chapter 4 4,046 words Public domain Markdown

Luitenant Presterud en ik gaan aan den overkant van de baai toegangswegen zoeken aan den voorkant van de Barrière. Aan die zijde is het pakijs nog onaangetast met slechts enkele spleten. Verderop naar het midden van de baai verrijzen rijen heuvels, opgeworpen door den ijsdruk; de baai is er betrekkelijk smal, ongeveer vijf kilometers. De bestijging van het front van den gletscher was niet moeilijk, en in enkele oogenblikken waren we boven. De hoogte was niet meer dan twintig meters. Groot is onze ontroering bij het betreden van de Barrière. Nooit hebben we tot hiertoe een ruim uitzicht gehad op het ijsveld naar den kant van het Zuiden. Het panorama geeft ons geen verrassing, maar indrukwekkend is toch dat reuzensneeuwveld, dat eindeloos is. Onze weg naar het Zuiden zal ons brengen naar den rand van de hoogten, waar we al over gesproken hebben. De weg is goed met het dunne laagje sneeuw op vast ijs, een ideaal terrein voor de ski. Maar het model van schaatsen, dat wij bezitten en dat lang en smal is, kan ook best dienen op deze oppervlakte. Dus hebben wij het punt ontdekt, waar het gemakkelijk is, de Barrière te beklimmen, en geconstateerd, dat er een weg is naar het Zuiden zonder groote bezwaren. De plek werd later van een vlag voorzien en ontving, toen er een tentje was opgeslagen, den naam van Plaats van Vertrek.

Op den terugweg en in het heengaan zagen wij veel troepen zeehonden, die op het ijs lagen te slapen. Bij onze nadering heffen ze eventjes den kop op, kijken ons een oogenblik aan, maar keeren zich dan weer om en vervolgen hun slaapje. Indien op het pakijs die dieren aan de aanvallen van vijanden waren blootgesteld, zouden ze door schildwachten worden bewaakt, dat is wel zeker, juist als hun soortgenooten in de Noordelijke IJszee.

Den 10den Februari 1911, om half tien in den morgen, werd er naar het Zuiden opgebroken. De karavaan bestaat uit vier man en drie sleden, elk getrokken door zes honden. Ieder voertuig draagt ongeveer 250 kilo levensmiddelen, bestemd voor het dépôt, niet inbegrepen de proviand en het materiaal benoodigd voor de reis. Die lading bestaat uit pemmikan voor de honden (150 kilo per slede), vleesch en zeehondenspek, droge visch, chocolade, margarine en beschuit. Het materiëel omvat twee tenten voor drie man, vier slaapzakken, de keukenbenoodigdheden en tien lange bamboezen met zwarte vlaggen eraan, om den weg aan te duiden. Daar we nog niets weten van den toestand van de Barrière, hebben we er geen denkbeeld van, hoe lang deze tocht zal duren. De honden zijn in goede conditie en in galop verlaten we Framheim. Op het pakijs van de baai gaan we over een reeks ijshoogten of toross, door de drukking opgeworpen. Dat gaat niet geheel zonder ongelukken, en menige slede wordt omgeworpen, zonder dat er groot oponthoud door ontstaat; maar wel wordt alles dus goed op de proef gesteld. Verderop krijgen we troepen zeehonden te zien, en de honden kunnen die verzoeking niet weerstaan en vliegen snel naar het wild toe, om echter spoedig door de zwaarte van de sleden te worden teruggehouden en uit zichzelf stil te staan.

Rondom de ankerplaats van de Fram is het ijs verdwenen, en dus kan het schip aan de Barrière zelf aanleggen. Onze vier kameraden, die op het station moeten blijven, doen ons uitgeleide, om ons ook te helpen bij het beklimmen van het front van den gletscher. Op den terugweg zullen ze zich met de jacht bezighouden. Op het pakijs kan men nog wel eens een mooi schot doen; in alle richtingen zullen ze zeehonden aantreffen, een wild, dat de moeite waard is. Ik heb Wisting tot hoofd van het station benoemd. Tijdens onze afwezigheid moeten de bewoners van Framheim de rest van de levensmiddelen vervoeren, als ze ontscheept zijn, en tegen den westelijken muur van het huis moeten ze een beschutting bouwen, opdat de keukendeur niet direct op den gletscher uitkomt. Het afdakje zal dan meteen tot werkplaats dienen voor den timmerman. Bovendien moeten onze vrienden zooveel mogelijk zeehonden schieten. Het is van belang, dat de voorraad versch vleesch voldoende zij, om een overvloedige voeding mogelijk te maken voor menschen en honden. Er is wild in overvloed. Als wij gedurende de overwintering geen voldoenden voorraad versch vleesch hadden, zouden we dat aan onszelf te wijten hebben.

Het beklimmen van de Barrière is nog al moeilijk. Nadat we de spannen hebben versterkt, worden de sleden redelijk vlug opgeheschen naar boven, terwijl ze op de Fram met kijkers onze bewegingen volgen. Nu ze zien, hoe moeilijk deze beklimming is, zullen ze zich af vragen, wat het wel zal zijn, als wij het plateau moeten beklimmen, dat den toegang tot de Pool openstelt.

Op het oogenblik van de scheiding van onze kameraden van Framheim werd geen ontroering aan den dag gelegd; het ging met een enkelen handdruk en een Tot weerziens!

Op zijn ski ging Presterud aan de spits van de karavaan. De honden loopen altijd beter, als er iemand voor hen uit loopt. Dan volgt Helmer Hansen. Die plaats in de voorhoede bleef de zijne op al onze verdere tochten. Wij hadden te zamen de Noordwestelijke Doorvaart gemaakt, en op dien exploratietocht heb ik zijn meesterschap in het regeeren van de honden leeren kennen. Op zijn slede bevindt zich het standaardkompas, waardoor hij in staat is, den door Presterud gevolgden weg te verbeteren. Na Hansen volgt Johansen, en dan kom ik. Ik wil liefst achteraan komen, om op alles toe te zien. Hoe goed men de lasten ook vastmaakt, er valt vaak iets van een slede. Als de achterhoede flink oplet, kan ze voor de karavaan van groot nut wezen. Wat heb ik in den loop van onze sledetochten veel onmisbare voorwerpen zien vallen, die door mij zijn gered! De zwaarste taak is natuurlijk voor den voorman, die den weg moet openen en de honden moet doen loopen, terwijl de anderen maar hebben te volgen. Eere dus aan Helmer Hansen, die tot algemeene tevredenheid dien plicht heeft vervuld. De functie van voorlooper is ook niet van de aangenaamste. Al heeft hij geen span honden te bewaken, hij heeft daardoor ook minder bezigheid voor den geest, en zijn eenige afleiding is het gehoorzamen aan de bevelen van Hansen: "Wat meer naar rechts, een beetje links!"

Op deze oppervlakte zonder eenige herkenningspunten, is het moeilijk, zijn weg te houden. Stel u voor een onmetelijke vlakte, gehuld in een dikken mist; geen geluid en overal gelijke sneeuw zonder den minsten rimpel. Zeer zeker zou een Eskimo erin slagen, zijn weg te vinden over de doodsche vlakte: maar een beschaafd mensch is daar niet zoo knap in. Zonder de hulp van het kompas zou hij in alle richtingen afwijken en zou ten slotte verdwalen.

De koetsiers hebben volstrekt geen tijd om zich te vervelen. Zonder een minuut rust moeten ze op hun spannen letten en zich ervan overtuigen, dat alle honden trekken. Aanhoudend moeten ze toezien, dat de sleden niet omslaan bij een oneffenheid van den grond, want het is geen kleinigheid, een voertuig, dat bij de 400 kilo weegt, op te tillen en overeind te zetten.

Vanaf het punt, waar wij op de Barrière waren gegaan, rijst die vlakte met zeer zachte helling, en na een klein eind van oneffenheid wordt ze volkomen vlak. Op die oneffenheid houden wij stil. Onze kameraden zijn verdwenen; in de verte ziet men nog de Fram, omlijst door schitterend ijs. Zullen we onze vrienden ooit terugzien? En als we ze weer vinden, hoe zal het dan zijn? In den tusschentijd moet het schip den oceaan doorreizen, en wij moeten onbekende ijsgebieden beklimmen. Wat kan er in dien tijd veel gebeuren!.... Heel in de verte wappert glorieus de nationale vlag boven aan den mast. Het gezicht uit de verte, van die lap stof, is als de laatste groet uit het vaderland.

Thans zijn wij op weg naar het Zuiden. De eerste aanraking met de Barrière is bijzonder interessant. Dit deel van den gletscher is nooit door een menschelijken voet betreden, en onze uitrusting is ook nog niet op de proef gesteld. Hoe zal het terrein verder wezen? Zal het zoo blijven of zullen zich bezwaren voordoen? Is het goed geweest, al ons vertrouwen in de honden te stellen, of was het beter geweest, rendieren mee te nemen of pony's, auto's of vliegtoestellen? De honden vonden gelukkig steun op de dunne laag sneeuw en liepen vlug voort.

Daarentegen lieten de atmosferische toestanden te wenschen over voor een expeditie over onbekend terrein. Al is de temperatuur zacht en de lucht rustig, het licht is slecht. Een nevel maakt het voortgaan moeilijk, en een diffuus licht hult de lucht en den gletscher in een zelfde schijnsel. Er is nergens wat schaduw, en zoo kunnen wij lastig de oneffenheden onderscheiden. De voorlooper valt dan ook telkens en moet wanhopige pogingen doen, om het evenwicht te bewaren. De koetsiers hebben het beter, want zij kunnen zich desnoods aan hun sleden vasthouden. Maar zij moeten ook goed op de oneffenheden letten, om de sleden in balans te houden. Het licht is pijnlijk aan de oogen en leidt maar al te vaak tot sneeuwblindheid, want vooreerst moet men de oogen er erg bij inspannen en dan tilt men vaak den sneeuwbril op, om beter te onderscheiden. Wij hebben in den loop van onze expeditie niet veel last van de kwaal gehad.

Zonder veel inspanning leggen we 28 kilometers af.

We hebben twee tenten, en om brandstof te sparen wordt de keuken maar in een ervan in orde gebracht. De temperatuur is niet koud genoeg om in ons verblijf te stoken. Op dezen eersten tocht en op alle verdere, om nieuwe dépôts aan te leggen, duurden de toebereidselen in den morgen veel te lang. Hoewel we om vier uur opstonden, gingen we eerst om acht uur op weg. Ik drong te vergeefs op meer spoed aan. Thans is dat nog niets, maar op den tocht naar de pool zullen we meer haast moeten maken.

Den 10den Februari vertrokken, kwamen we, na 141 kilometers te hebben afgelegd, den 14den op 80 graden Z.B., waar we begonnen met den aanleg van een dépôt. Het werd zeer stevig gebouwd en kreeg een hoogte van vier meter. Iedere 15 kilometer hebben we een staak geplant met een vlag, om den weg aan te geven. Toen eenmaal het dépôt gereed was, namen wij plaats op de sleden en gingen op weg naar Framheim. Een bijzonder prettige reis, een echte pleziertocht, zich zoo te laten trekken. Thans is onze eenige bezigheid, den weg te merken met onze kabeljauwen. Elke 500 meter wordt een visch in de sneeuw gestoken. Die nieuwerwetsche manier van aanduiding levert een zeer goed resultaat, want de begraven visschen steken duidelijk af tegen het witte sneeuwveld. Herhaaldelijk kwamen we later erdoor weer terug op den goeden weg, en bij den terugkeer van de tweede expeditie werden de visschen zeer op prijs gesteld door onze uitgehongerde honden.

Vandaag hebben we een étappe van 70 kilometer! We komen niet vóór één uur op bed en zijn al om vier uur weer bij de hand en om half acht op weg. Veertien uur later zijn we in Framheim terug, na honderd kilometer te hebben afgelegd. Met die snelheid reizend, is het ons er niet om te doen een record te vestigen voor de Barrière, maar we willen eenvoudig terug zijn vóór het vertrek van de Fram, om nog eens de hand te kunnen drukken van onze kameraden. Maar onze ijver is vergeefsch; het schip was vertrokken eenige uren vóór onze aankomst. Wat zag toen de ledige reede er somber uit! Er omhulde ons een waas van melancholie in het stille landschap.

Na onzen verkenningstocht mogen we de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. We kennen het terrein van onze aanstaande werkzaamheid, en we hebben het middel van vervoer, dat ons ten dienste staat, beproefd. Beide bevallen ons wel. Ik heb altijd gedacht, dat honden onvergelijkelijke trekdieren zijn, en na deze laatste tochten is mijn bewondering tot geestdrift gestegen.

Tijdens onze afwezigheid hebben onze op Framheim gebleven kameraden wonderen verricht. Het huis ziet er heel anders uit met zijn veranda. Die uitbouw beslaat den heelen westelijken gevel van 3.90 meter en is ongeveer drie meter breed. Met de verlichting door twee vensters, is het er zeer behagelijk. Om het huis heen hebben de vrienden een galerij aangelegd van 1.50 meter breed, die ze overdekt hebben door het dak te verbreeden tot aan de sneeuw. Daar kunnen de blikken worden geborgen en ook het versche vleesch. Terzelfdertijd is door een vernuftige schikking der planken gelegenheid gemaakt, om de sneeuw van het dak op te vangen. Honderd-twintig honden zwerven om het huis; dus is het wel noodig, schoone sneeuw te hebben voor de keuken en voor waschgebruik.

Eer de groote koude invalt, moeten we ons bezighouden met de installatie van het winterkwartier voor de honden. Daartoe graven we in den grond van de Barrière tot op 1.50 M. diepte, een moeilijk werk, waar de ijsbijl bij te pas komt, en op die holte zetten we daarna de tent. Het hondenhuis is zes meter hoog en heeft aan den voet een middellijn van 4.50 meter. In het midden zijn twaalf palen op onderling even grooten afstand in het ijs geslagen, om de bewoners van het huis vast te leggen. De honden schenen schik te hebben in hun woning en hebben het er ook zeer goed. Geen enkele maal tijdens hun verblijf in de tent heb ik hun haar met ijzel bedekt gezien. Die ruime bergplaats, die goed gelucht en verlicht was, voldeed aan alle hygiënische eischen. Om hem te beschutten voor de tanden van de bewoners werd de middenpaal van de tent omringd door een sneeuwzuil van menschenhoogte.

Daar in sommige omstandigheden een boot ons van dienst zou kunnen wezen, had de Fram ons een van haar booten achtergelaten. Die werd op de Barrière geheschen op eenige honderden meters van den rand van de baai, en de plek werd aangeduid met een vlaggemast.

Terwijl wij het dépôt in orde hebben gebracht, hebben onze kameraden een ware slachting onder de zeehonden aangericht. Er is dus haast bij de oprichting van de tent, waar al die voorraad moet worden geborgen. Als die onbeschermd op den heuvel blijft liggen, zal er gauw niet veel van over wezen. Om hem te beschermen voor de tanden van de honden, zoolang het magazijn nog niet klaar is, maken we er een sneeuwmuur van twee meter hoog omheen.

Den 22sten Februari begeven we ons weer op weg, om een tweede dépôt aan te leggen. Er is werk in overvloed. We hebben vooreerst de levensmiddelen in gereedheid te brengen, die we zullen meenemen. De kisten met pemmikan moeten worden geopend, daarna de blikken, die gesoldeerd zijn en die elk vier porties bevatten, en dan moeten die porties in de kisten worden gelegd zonder de blikjes. Zoo maken we de lasten lichter en vermijden de noodzakelijkheid, om later dat werk op de Barrière te doen, als wij die levensmiddelen eruit nemen voor de expeditie naar de pool. Om het pemmikan te onttrekken aan de warmte tijdens de reis door de heete luchtstreek, was het in gesoldeerde kisten geborgen. Die beide bewerkingen, het openen en het weer inpakken van den inhoud, eischten heel wat tijd, maar we kwamen er mee gereed. Het werk werd verricht in de veranda.

Het nazien van onze uitrusting was ook een heel werk. Het onderwerp schoeisel moet grondig worden behandeld. De meerderheid is voor een model van stijve laarzen, waar eenige veranderingen aan zullen worden aangebracht; andere zijn voor soepele laarzen. Voor het oogenblik is het van niet zoo groot belang, en ieder werd vrijgelaten, om het model te nemen, dat hem het best aanstond. Ik voor mij stem voor laarzen met zware zolen en zachte bovenstukken, die wijd genoeg zijn, om verscheiden paar kousen te bergen. Als onze leverancier had kunnen zien, hoe we het werk, waar hij zoo trotsch op was, aan stukken sneden, zou hij er een ziekte van hebben gekregen. Daar ik geen talent voor schoenmaken heb, neem ik met genoegen het aanbod van Wisting aan, om mijn schoeisel in orde te brengen. Toen hij de laarzen mij terugbracht, waren ze niet te herkennen, maar ze waren warm en groot genoeg, en dat is de hoofdzaak. De harde zolen lieten het gebruik van de ski Huitfeldt-Höyer-Ellefsen toe. De ervaring gaf mij later nog weer eenige veranderingen aan de hand, en vóór het definitieve vertrek naar de pool, kwamen mijn laarzen nog eens onder Wisting's handen, om na die tweede herziening volmaakt te wezen. Zoo waren er elken dag verbeteringen aan te brengen in onze uitrusting. De verschillende onderdeelen van onze kleeding ondergingen ook wijzigingen. De een maakte oorbanden aan zijn pet, de ander hield er niet van; een derde maakte een bedekking voor den neus, en ieder verdedigde zijn meening met kracht. Uit practisch oogpunt had men er niet veel aan, maar het hield de vroolijkheid gaande.

Den 21sten Februari zijn we klaar voor het vertrek. De schitterende wijze, waarop de honden zich hebben gedragen op de vorige expeditie, heeft ons een vermoeden van hun kracht gegeven, en dezen keer laadden we te veel op de sleden. Den 22sten om half negen in den morgen begeeft de karavaan zich op weg en laat Framheim in de hoede van Lindström achter; er waren acht mannen mee en zeven sleden, getrokken door twee-en-veertig honden. Deze expeditie is de moeilijkste van alle geweest.

Ze duurde van 22 Februari tot 21 Maart. Den 27_sten_ Februari kwamen we aan het dépôt, dat op 80 graden was opgeslagen. In geval van nevel kan men de cairns nog best overslaan, en daarom willen we het dépôt nog duidelijker aanduiden door aan beide zijden ten oosten en ten westen ervan tien palen in het ijs te slaan, met zwarte vlaggen eraan met tusschenruimten van 900 meter. Op die manier is de gletscher door een rij palen gebarricadeerd over een afstand van negen kilometer aan weerszijden van het dépôt, en daar ieder paal een nummer draagt, weet men, hoe ver men nog van de bewaarplaats verwijderd is. Dit systeem heeft ons veel dienst bewezen.

Den 28_sten_ Februari zetten we onzen tocht zuidwaarts voort. Naarmate we verder doordringen in het binnenland, wordt de temperatuur lager; we hebben nu 43 graden vorst. De honden zijn vermoeid. Ze hebben stijve pooten en kloven in de zolen, zoodat het moeite in heeft, des morgens op weg te komen. Die wonden komen door de sneeuw, die verijzeld is en door de zwaarte van de sleden barst, waardoor de voeten van de honden gewond worden. Ook komen sneeuwballen tusschen de palmen van hun voeten en belemmeren hen in het loopen. Zeer ernstig waren bovendien de wonden, waaraan de honden zijn blootgesteld op het pakijs in het voorjaar en den zomer. Het ijs uit de zee, dat heel scherp is, geeft vaak wonden en het zeezout dringt daarin en geeft veel pijn. Om daaraan te gemoet te komen, deden we de honden sokken aan; maar de voorzorg bleek overbodig op onze gewone tochten, want terwijl de pooten van de honden zacht en gevoelig waren geworden door hun langdurig verblijf aan boord, was de huid vermoedelijk in den winter weer verhard; in ieder geval leden de spannen er niet aan in het voorjaar, ofschoon de weg nog veel oneffener was dan in het najaar.

Het dépôt, dat we oprichtten op den 81sten breedtegraad, bevat 560 kilogram pemmikan voor de honden. Bij gebrek aan bamboestaven wordt de plek aangewezen door planken van de kisten, die we in het ijs plantten over een afstand van negen kilometers ten oosten en ten westen van het dépôt. Die stokken zijn 60 centimeter hoog. Daar er in deze buurt niet veel sneeuw valt, bestaat er geen gevaar, dat ze zullen oversneeuwen. Om ons te kunnen oriënteeren in geval van nevel, krijgen de aan den oostkant geplaatste paaltjes nog een insnijding met de bijl. Die houtblokjes, over de wijde vlakte verspreid, zien er wel heel onbeduidend uit; maar toch is hun een rol van beteekenis toebedeeld, en van hen hangt in zekeren zin het succes van de expeditie af.

Den 5den Maart verdeelde zich de colonne. Bjaaland, Hassel en Stubberud blijven achter, terwijl ik met vier gezellen mijn weg naar het Zuiden voortzet, om een derde dépôt nog verder in die richting op te richten. Ik zend een van de honden terug, die door het tuig verwond is geworden, en zet met slechts vijf dieren den tocht voort. Mijn honden zijn zeer mager geworden en zien er uitgeput uit; maar hoe het zij, het is noodig tot den 82sten graad te komen. Ik had hoop gehad, het tot den 83sten te brengen; maar dat kan niet om den toestand van de honden.

Het lijden van de uitnemende dieren is de eenige treurige herinnering van mijn zuidpool-expeditie. Ik heb van hen gevergd meer dan ze kunnen leveren. Tot mijn verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat ik mijzelf ook niet spaar. Met uitgeputte dieren een slede op gang brengen, die meer dan een halve ton weegt, is geen kleinigheid; vaak moet ik hard duwen, om de honden aan het trekken te krijgen. Al sedert lang heeft de zweep geen uitwerking meer. Gebruik ik die, dan kruipen de beesten tegen elkander aan en trachten slechts hun koppen te beschutten. Heel dikwijls moet ik, na alle pogingen in het werk te hebben gesteld, om mijn span aan het werk te zetten, hulp vragen aan de kameraden. Twee van hen duwen dan de slede, terwijl een derde de zweep hanteert en uit alle macht schreeuwt. In dergelijke omstandigheden wordt de mensch boosaardig en verliest alle gevoeligheid. Wat kan men gauw veranderen! Ik houd van alle dieren en vermijd steeds, hun pijn te doen. Ik geef niets om de jacht, behalve in geval van doodsgevaar, en nooit zou ik er over denken, een dier te dooden behalve een rat en vliegen. In het gewone leven heb ik mijn honden lief, maar de omstandigheden, waarin wij ons bevinden, zijn exceptioneel, of wel ik ben in een ahnormalen staat. De tweede veronderstelling is denkelijk de juiste. Het zware dagelijksche werk en de woeste geestkracht, waarmee ik mijn plan, de verwezenlijking van mijn programma, doordrijf, maken mij wreed. Gedurende het pijnlijk geschreeuw van Thor sla ik hem, een grooten, zwaren, goedigen hond, om hem vooruit te krijgen. Zijn gehuil laat mij koud, of liever, ik weiger er de beteekenis van te begrijpen, en het arme dier moet verder trekken tot het neervalt. De lijkopening toonde aan, dat hij gestorven was aan een enorm abces in de borst.

Op den middag van den 8sten Maart zijn we op 81 graden, 54 minuten en 30 seconden Z.B. We leggen nog tien kilometer verder naar het Zuiden af en slaan om half vier het kamp op bij de 82ste parallel. En den volgenden morgen gaan we over tot den bouw van het dépôt en het op de plaats brengen van de palen, die de hervinding moeten mogelijk maken. Ik laat mijn slede achter, die de uitgeputte honden niet meer kunnen trekken; later zal het voertuig ons hier van veel dienst wezen. De cairn, die vier meter hoog is, draagt een bamboestok met een vlag.

Den 10den Maart beginnen we den terugtocht, een moeilijken tocht, want de vermoeienis van de honden maakt het onmogelijk, dat we ons laten trekken, zooals bij den terugkeer van de vorige expeditie. De koude is zeer hevig en ze zal nog toenemen; ze stijgt van 32 tot 43 graden vorst.

Den 15den Maart bezweek de beste hond van Wisting. Op het oogenblik, toen zijn lijk onder zijn kameraden zou worden verdeeld, veranderen we van besluit, vreezend dat het abces, waaraan hij is gestorven, het gansche lichaam kon hebben aangedaan, zoodat het vleesch ongezond is. Daarom wordt het lijk in een leêge kist gedaan en begraven. In den nacht worden we wakker door een vervaarlijk lawaai; de troep is erin geslaagd, het lijk op te graven en vecht om de brokken.

Eindelijk komen we den 27sten in den avond op Framheim. Onze tweede expeditie kost ons in het geheel acht honden. Naar alle waarschijnlijkheid is de koude de hoofdoorzaak geweest van die sterfte; in een gewone temperatuur zouden onze dieren zeker de vermoeienissen van den langen tocht hebben kunnen doorstaan.