Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913
Part 2
Voordat we aan de gevangenen de vrijheid geven, moeten we hen eerst ontwapenen. Zonder die voorzorg zou er dadelijk een gevecht losbreken en er zouden één of meer dooden vallen. Dus wordt elke hond stevig gemuilband. Aan het eind van die bewerking beweegt geen enkele hond zich; allen schijnen iedere gedachte te hebben opgegeven van ooit de plek te verlaten, waar ze zoo lang zijn geweest. Na een oogenblik van nadenken vat één van hen moed en doet een paar stappen. Het zien van zijn vrijheid wekt de anderen op en onmiddellijk werpen ze zich op den wandelaar, gelukkig met die gelegenheid, om eindelijk eens op elkander te kunnen aanvallen. Maar ze hadden buiten de muilbanden gerekend; er vlogen enkele haren als eenige trofeeën. Dit was maar een schermutseling; toen eenmaal de strijdbijl was geworpen, werd het gevecht weldra algemeen. Twee uur lang duurt het gevecht onder een afgrijselijk gehuil; de haren vlogen, maar de huid bleef ongedeerd. Dien namiddag redden de muilkorven een massa levens.
Vechten is een groot genoegen voor Eskimohonden. Het zou zoo erg niet wezen, als ze niet de gewoonte hadden om samen te spannen en op een afzonderlijk beest aan te vallen, dat als slachtoffer wordt gekozen. Als men ze stil hun gang liet gaan, zouden ze hun arme prooi niet loslaten, eer die gedood was. Honden van groote waarde vinden zoo soms in enkele oogenblikken den dood. Wij deden ons best, om hen op te voeden tot beter manieren, en ze begrepen gauw, dat die manier van plezier maken ons niet aanstond. We hadden hierbij te strijden tegen een soort van instinct, en het zou een ijdele hoop zijn geweest, te denken, dat de opvoeding dat instinct zou dooden. De honden bleven in vrijheid tot het eind van de reis; ze werden enkel vastgebonden gedurende de uren van den maaltijd. Natuurlijk kropen ze in alle hoekjes en gaatjes van het schip, en zoo zag men des morgens vaak geen hond meer op het dek; allen hadden zich hier of daar verstopt. Verscheiden maakten gebruik van een open luik, om in het ruim te komen, en een val van zeven en een halven meter liet hen ongedeerd. Na de eerste gevechten bleef het rustig, en de helden van den strijd legden een soort van schaamte aan den dag om de geringe uitwerking van hun pogingen. In hun oogen verloor de sport veel van haar bekoorlijkheid, als er geen bloed vloeide van hun tegenstanders.
De onderlinge verhouding tusschen de honden droeg niet altijd dit vijandige karakter; er ontstond vaak vriendschap, die wel eens zoo sterk werd, dat van twee vrienden de een niet buiten den ander kon. Voordat we hun de vrijheid gaven, was ons de treurige stemming van sommigen onder hen opgevallen. Op den dag, toen ze vrij waren, ontdekten wij, dat die melancholie enkel voortkwam uit het feit, dat ze gescheiden waren van zeer dierbare vrienden, die op een andere plek van het dek waren vastgebonden. Wij profiteerden dadelijk van die aanwijzing, door in hetzelfde span de dieren te vereenigen, die door genegenheid aan elkander waren verbonden.
Langzaam maar zeker gaat het naar het Zuiden en geleidelijk daalt de temperatuur en wordt beter geschikt voor menschen uit het Noorden. Zooals ik had voorzien, waren we ten zuiden van kaap de Goede Hoop twee maanden na het vertrek van Madera. Op den dag, toen we den meridiaan van Afrika's zuid punt passeeren, komt er een hevige storm opzetten, die met zeer hooge golven gepaard gaat; ons schip houdt zich echter best en toont eens, wat het kan. Als er een enkele van die hooge zeeën op het dek kwam, zou ze alles kapot slaan. Maar de Fram is een bewonderenswaardig schip. Als de golven van achteren komen, dreigend ons te overstelpen, rijst het schip met een sierlijke beweging, en de monsterachtige golf glijdt eronder langs. Een albatros zou het niet mooier kunnen doen.
Daar het Kerguelen-eiland op onzen weg ligt, besluiten we, daar aan te doen en een bezoek te brengen aan onze landgenooten, die er een jachtstation voor de walvischvangst hebben opgericht. Sedert eenigen tijd worden onze honden magerder, waarschijnlijk doordat hun voeding niet de noodige hoeveelheid vet bevat, en nu zal op Kerguelen de plek waar de walvisschen worden uitgesneden, ons zooveel vet bezorgen als we begeeren. En ook, ofschoon de voorraad water voldoende is, als we zuinig zijn, zou ik toch liever de vaten vullen. Ook hoopte ik, nog drie of vier man te kunnen aanwerven. Als de landingsdivisie aan land is gezet, zal de bemanning uit niet meer personen bestaan dan tien man, een klein getal, om het schip uit het pakijs te brengen en het vervolgens naar Buenos Aires te voeren om kaap Hoorn. Ook zal een ontscheping een prettige afwisseling zijn in de eentonigheid van ons leven. Door een zeer kouden westenwind gedreven, komen we het eiland snel nader. In die dagen was de elken dag afgelegde afstand gemiddeld 150 mijlen; een enkele maal bereikte ze zelfs 174 mijlen, een mooie snelheid voor een schip, dat zwaar is geladen en een onvoldoenden voorraad zeilen heeft.
In den namiddag van den 28_sten_ November komt het eiland, dat kaap Bligh wordt genoemd en dat eenige mijlen ten noorden van Kerguelen ligt, in zicht. Het was geen bijzonder helder weêr en daar we deze streken niet kennen, blijven we in den nacht voor anker. Den volgenden morgen, toen het licht was, konden we waarnemingen doen. We gaan naar de Royal Sound, waar de bedoelde inrichting moet wezen. In de morgenkoelte zouden we de laatste kaap juist omvaren, toen plotseling een windvlaag ons aangreep, en tegelijk verdwijnt die ongastvrije kust achter een dik gordijn van regen. Dus blijft ons niet anders over dan weer voor anker te gaan liggen, voor wie weet hoe lang, of verder te varen. Zonder aarzeling besluiten we tot het laatste. Zeker, het zou prettig geweest zijn, landgenooten te treffen, maar het was nog veel nuttiger, snel verder te komen op den weg naar de Barrière, waarvan 4000 mijlen ons nog scheiden. De toekomst bewees, dat we gelijk hadden gehad met zoo te handelen.
December bracht gunstige winden, nog kouder dan die, welke in November hebben gewaaid. In het midden van de maand zijn we reeds halfweg tusschen Kerguelen en onze bestemming.
Wij zijn allen volmaakt gezond, en hoe meer we het doel naderen, des te beter wordt onze stemming. Aan de uitstekende hoedanigheid van onze levensmiddelen moet die goede gezondheid worden toegeschreven op deze lange reis. Nadat we van Noorwegen tot Madera een weelderige tafel hadden gehad, voornamelijk in stand gehouden door jonge varkentjes, die we hadden ingescheept, moesten we tot ingemaakte voedingsmiddelen overgaan. De verandering leek niet onaangenaam door de verscheidenheid van onzen voorraad. Er waren aan boord twee tafels, maar ze hadden beide hetzelfde menu. Het ontbijt, dat om acht uur plaats heeft, bestond uit warm brood, confituren, oranjemarmelade of kaas, en koffie of chocolade. Het middagmaal bestond uit een vleeschgerecht en een toespijs. Om water uit te sparen kregen we enkel des Zondags soep. Gedroogde californische vruchten vormden ons dessert. Zoo vaak mogelijk en in groote hoeveelheid vruchten eten en groenten en confituren, is het beste middel tegen ziekte. Aan den maaltijd was water onze drank of vruchtenstroop; elken Woensdag en elken Zondag werd er een borrel gedronken. Bij ervaring ken ik de wonderdadige uitwerking van een kop warme koffie, als men gewekt wordt midden in den nacht, om de wacht te betrekken. Een slok is voldoende, om iemand op streek te brengen, en zoo was dan ook de koffie voor de lui van de wacht een vaste instelling.
Tegen Kerstmis zijn we bijna op 150 graden O.L. en 58 graden Z.B.; 900 mijlen scheiden ons nog van het pakijs. Gedaan is het nu met dien heerlijken westenwind, die ons weken lang heeft voortgeduwd. Enkele dagen aaneen hebben we windstilte of tegenwind, en aan den vooravond van Kerstmis hebben we regen en een koelen zuidwestenwind.
Om het feest te kunnen vieren, moet het weêr mee van de partij zijn, want anders zal het eeuwige rollen alle voorbereiding onmogelijk maken. Ofschoon het altijd slecht weêr blijft, bakt Lindström ijverig de traditioneele koeken. We probeeren hem over te halen, ze ons dadelijk maar te geven, omdat de koeken het lekkerst zijn als ze warm worden gegeten. Maar onze kok is aan dat oor doof en stopt zijn gebak achter slot. In afwachting van het genot, ze te proeven, moeten we ons met den geur tevreden stellen.
Kerstavond komt met prachtig weêr. De zee is kalm, zoo kalm, als ze in weken niet is geweest. Het schip ligt stil, en dus kan ik met de toebereidselen beginnen. Alles komt van zijn plaats, en al ons koperwerk blinkt op zijn mooist, terwijl vlaggen langs de wanden hangen. Boven de deur van den salon draagt een transparant de woorden "Gloedelig Jul" (Gelukkig Kerstmis).
De phonograaf wordt gezet op een plank, die aan de zoldering hangt; daar de piano geheel ontstemd is, moeten we ongelukkig daar afstand van doen. De leden van ons gezelschap verschijnen allen, pas geschoren en in hun beste spullen, zoodat de meesten niet te herkennen zijn.
Om vijf uur wordt de motor stop gezet, en allen komen samen in de kajuit, behalve de stuurman. In het zachte licht van de lampen met de gekleurde kappen ziet de ruimte er fantastisch uit, en allen voelen we ons vroolijk gestemd. De versiering doet onzen luitenant Nilsen eer aan, en in de feeststemming gedenken we dankbaar de vele vrienden, die tot ons feest hebben bijgedragen. Onze gedachten vliegen naar het verre land in het Noorden, naar de dierbaren, die we er hebben achtergelaten; maar we willen nu geen treurigheid laten binnensluipen in ons hart en verheugen ons met de anderen. Aan Lindström's lekkernijen werd voldoende eer bewezen en de verdeeling der geschenken was het glanspunt van den avond, die ons met een onuitwischbare herinnering verrijkte.
II.
We passeeren den poolcirkel.--In het pakijs.--De groote Barrière.--Op het terrein van onze werkzaamheid.--Eerste uitgang van de honden.--De beide eerste tenten.--Bouw van onze woning.--Zielkundige beschouwing over de honden.--Het vraagstuk van de verwarming.--De tenten van de honden.--De Terra Nova van Scott brengt ons een bezoek.
Wij leggen het er nu op aan, den 65sten parallel te kruisen op den 175sten graad O. L. Zoodra mogelijk willen we het pakijs doorkomen, dat den toegang tot de Rosszee afsluit. Sommige schepen zijn daar zes weken in het ijs opgehouden, en andere zijn er in eenige uren doorheen gekomen, juist langs den weg, dien wij gaan. Op 31 December waren wij op 62.15 Z. B. Op den Oudejaarsavond kunnen we elkander met een glas grog gelukwenschen bij de komst van 1911; allen zijn we volmaakt gezond en vol goeden moed voor onze groote onderneming.
Den 1sten Januari om drie uur 's morgens wekt mij de officier van de wacht. De eerste ijsberg is in het gezicht! Onmiddellijk ga ik naar dek, om dien schildwacht op vooruitgeschoven post te zien van het leger, dat wij gaan bekampen. Het is in de verte een schitterend punt in de bleeke stralen van de opgaande zon. 't Is een groot blok in tafelvorm, als zooveel antarctische ijsbergen. Gewoonlijk doet de ontmoeting met zulk een reusachtige ijsmassa den zeeman niet prettig aan; maar wij waren er bepaald blij mee. Is die ijsberg niet de aankondiging van de nabijheid van het pakijs? Dat willen wij zoodra mogelijk ontdekken. De vaart door het ijs zal wat afwisseling brengen in het eentonig leven, dat we sinds vijf maanden leiden en dat ons begint te vervelen. Eens op een ijsschots te loopen lijkt ons het grootste genot. Bovendien zullen we op het pakijs zeehonden vinden, en we zullen kunnen smullen, allen, menschen zoowel als dieren.
In den namiddag en den volgenden nacht neemt het aantal ijsbergen toe. Gelukkig kan men zich, daar het voortdurend dag is, voor een aanvaring hoeden. We zouden geen beter weêr kunnen wenschen, heldere lucht en een lichte, gunstige wind.
Den tweeden Januari om acht uur in den avond bereikten we den poolcirkel, en enkele uren later kondigde de man op wacht het pakijs aan. Het water zakt en het schip ligt stil. Den volgenden morgen om negen uur wordt de jacht geopend. Een groote zeehond ligt juist op een schots vlak voor ons. Bij onze nadering beweegt het dier niet; eerst als hij verscheiden kogels heeft gekregen, begint hij den ernst van den toestand in te zien en tracht, zich in zee te gooien. Te laat! Twee man zijn al op het ijs en maken zich van hem meester. Een kwartier later werd de zeehond op dek gesneden en leverde ons ongeveer tweehonderd pond vleesch voor de honden en buitendien nog vrij wat voor onze tafel. Driemaal dien dag hebben we de jacht met hetzelfde gunstige gevolg kunnen herhalen. Nu hebben we dus weer voorraad, en de gelukkige gebeurtenis wordt naar haar waarde gevierd. De honden eten, tot ze haast bersten, en ze verdienen het wel om het uithoudingsvermogen, dat ze op deze reis hebben getoond. Wij zijn ook vlug door onze zeehondragoût heen, en na de eerste proef heeft dit antarctisch gerecht dadelijk vrienden gewonnen, die snel in aantal toenemen. De zeehondsoep met groenten wordt nog geestdriftiger ontvangen.
Het ijs was nog zoo los, dat we verder konden varen in onze gewone snelheid, maar den 4den en 5den Januari lagen de schotsen soms zoo dicht, dat we ze moeten wegduwen of er omheen varen; maar ze houden ons niet op, en altijd vinden we nog openingen, die wijd genoeg zijn. Den 6den echter worden de ijsmassa's smaller en de kanalen breeder; de open zee ligt in wijde ruimte vóór ons. We zijn het ijs, dat den toegang tot de Rosszee verspert, door! Plaats op den middag 180 O.L. en 70 graden Z.B. In vier dagen zijn we zonder moeite door het pakijs gekomen. Toen de open zee weer een mooie gelegenheid gaf aan de Fram, om haar talent van rollen te toonen, was er meer dan één onder ons, die de kalme vaart door het ijs betreurde. Het laatste deel van de vaart wordt ook door de omstandigheden begunstigd. Het is altijd prachtig weêr, en gedurende de vier dagen, die we in de Rosszee doorbrengen, zijn er bijna geen ijsbergen, enkel wat kleinere brokken.
Den 11den Januari tegen den namiddag wijst een witachtige helderheid in het Zuiden ons aan, dat we dichtbij ons doel zijn, en om half twee verschijnt eindelijk de Groote Barrière. Na zich langzaam boven de zee te hebben opgeheven, doet ze zich in al haar majesteit voor. Het is moeilijk, den eersten indruk te beschrijven, die door den machtigen ijsmuur wordt teweeggebracht. In ieder geval laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat met zijn hoogte van 30 tot 35 meter die muur zeventig jaar geleden nog beschouwd werd als een onoverkomelijke slagboom. In dien muur opent zich een deur naar het onbekende, de Walvischbaai, zoowat honderd mijlen oostelijker gelegen dan het punt, waar wij ons nu bevinden. Dus wordt daarheen de steven gewend, en vier-en-twintig uren lang varen we langs de Barrière, den kolossalen muur van ijs bewonderend, die een der vreemdste dingen is, die men op aarde kan aanschouwen. Niet zonder vrees naderen we de baai, het doel van onze heele vaart. Zullen we er open water vinden of zal er afsluiting zijn door ijs? Zullen we gemakkelijk kunnen landen?
De eene landpunt na de andere gaat ons voorbij; maar altijd weer dezelfde witte muur. Eindelijk op den middag van den 12den Januari buigt de rots naar binnen op 164 graden W.L., juist op de plaats, door onze voorgangers aangegeven. Vóór ons breidt zich een wijde baai uit, zoo lang, dat we het einde niet kunnen zien. Voor het oogenblik kunnen we er niet aan denken, binnen te varen. De baai is gevuld met groote brokken ijs, resten van een hoop pakijs, die versplinterd is. We gaan daarop een weinig meer oostelijk, om de gebeurtenissen af te wachten. Den volgenden morgen keeren we naar den ingang van onze baai terug. Een paar uren later beginnen de schotsen te bewegen, en weldra glijden ze de eene na de andere naar de open zee. Spoedig is de passage vrij. Eenmaal in de baai, zien we, dat men overal zal kunnen landen. Het komt er maar op aan, het beste punt te kiezen.
Om kort te gaan, den 14_den_ Januari 1911, dat is één dag vroeger, dan ik had voorzien, hebben wij het eerste deel van ons programma afgewerkt. Het is ons gelukt, den heelen troep in goeden staat naar het terrein van onze werkzaamheid te transporteeren. En nog meer, er zijn onderweg meer bijgekomen. Negentien geboorten hebben het aantal honden op 116 gebracht. Bijna allen zijn gezond en zullen kunnen worden gebruikt voor onze groote onderneming, die binnen twee maanden zal kunnen beginnen.
Voor het oogenblik hebben we te zoeken naar een geschikte plek voor de oprichting van het winterstation op de Groote Barrière. Mijn bedoeling was eerst geweest, mij te vestigen op een vrij grooten afstand van de zee, zoodat als de gletscher begon te "kalven", wij geen gevaar zouden loopen, ons op een drijvend eiland te bevinden en door den oceaan te worden her en der gevoerd naar het believen van wind en stroom. Om tegen iets dergelijks beveiligd te wezen, wil ik onze kwartieren opslaan ongeveer 18 kilometer van het laagste uiteinde van de Groote Barrière. Maar zoodra we in de Walvischbaai zijn, zie ik, dat we niet zoover zullen behoeven te gaan. Rondom de ankerplaats is de gletscher zeer afwisselend in hoogte.
Vlug wordt de Fram vastgelegd aan een ijsveld, dat zich over een afstand van twee kilometer vóór den rand van den gletscher uitstrekt, en niet minder haastig worden de toebereidselen gemaakt voor de voorloopige verkenning, die ons zal moeten zeggen, waar ons hoofdkwartier zal zijn, van waar we naar het Uiterste Zuiden zullen vertrekken. Al lang zijn reeds de dingen daarvoor in orde gebracht. Na een korten maaltijd vertrekken we om vier uur 's middags. Een beslissend oogenblik! Van de resultaten van deze eerste onderneming hangt voor een goed deel de toekomst der expeditie af.
Heerlijk weêr; geen zuchtje wind, een schitterende zon, die echt warm is aan een helderen hemel, die bleekblauw is en gestreept met lichte vederwolkjes. Te midden van die zachte omgeving honderden zeehonden op de ijsvelden, wat een geluk is, want met zoo geregeld versch vleesch zullen we zeker onze honden gezond houden. Een half uur, nadat we het schip hebben verlaten, staan we aan den voet van die beroemde Groote Barrière, die door de legende met een aureool is omgeven. Van Sir James Ross af, die haar ontdekte in 1841, hebben alle ontdekkingsreizigers er slechts met eerbied, gemengd met vrees, over gesproken als over een vreemd en dreigend ding. Aangestoken door de besmetting van al die schrifturen, dacht ik reeds lang met angst aan de verrassingen, die deze buitengewone gletscher ons kon brengen. Hoe zullen wij van het pakijs komen op die zee van vast ijs? Wat heeft die gedachte mij vaak benauwd! Misschien eindigt de Groote Barrière in een formidabele rots, die we met haken zullen moeten beklimmen! Misschien is ze van het zee-ijs gescheiden door een breede en gevaarlijke spleet, waardoor we lange en moeilijke omwegen moeten maken! En zie daar, één, twee, drie...een klein sprongetje in de hoogte, en we zijn op de Barrière. Al dadelijk is de bekoring gebroken. Hier eindigt de verschrikkelijke gletscher eenvoudig aan zee in een bescheiden talud van zes tot zeven meter hoog, en het gedeelte tusschen die kleine hoogte en het pakijs wordt aangevuld door een flinke sneeuwlaag op een hellend vlak; men zou geen gemakkelijker toegang hebben kunnen begeeren.
Eenmaal op de Groote Barrière, gingen wij aan het exploreeren en volgden een klein dal tusschen twee heuveltjes, gevormd door de drukking van het ijs tegen een oneffenheid van den ondergrond. Aan het eene gaven we den naam van Mont Nelson en aan het andere dien van Mont Rönnicken. Het terrein, dat de beide heuvels scheidde, is vlak, en wat meer is we kunnen van hier de Fram zien liggen. Om al die gunstige omstandigheden is mijn besluit spoedig genomen. We zullen hier de honden installeeren.
Verder naar het Zuiden bereikten we na eene kleine depressie een groote vlakte, aan alle kanten omringd door hoogten, een soort van kom. Die ruimte geeft een indruk van vrede en rust; men moet er veilig en kalm kunnen worden. Geen spleten, alleen kleine oneffenheden. Allen zijn van oordeel, dat de plek de voorwaarden in zich vereenigt, wenschelijk voor de oprichting van het winterstation, en eenstemmig wordt besloten, dat het huis hier zal worden gebouwd. Op de gekozen plaats slaan we een stok in het ijs, en vroolijk keeren we naar de Fram terug. Aan boord wekte de gelukkige uitslag van onzen verkenningstocht groote blijdschap. We hadden allen verwacht dat we verplicht zouden zijn, ons station ver van de zee te moeten oprichten, en dus ons zwaar materiaal ver te moeten vervoeren, een vermoeienis, die ons nu bespaard wordt....
Een prachtige avond. De zon schittert nog hoog aan den hemel; en van de geheel verijsde aarde straalt een wit licht uit als helder maanlicht. Rondom het schip is de zee lichtblauw, en terwijl in het Zuiden het vreemde daglicht nog wijlt, maakt in het Noorden de donkere lucht reeds een nachtelijken indruk. Het droomlicht schijnt op de geheimzinnige werelden, en om den sluier te lichten, die erover hangt, zijn wij bereid, desnoods ons leven te offeren.
Den volgenden dag was het Zondag en even mooi weêr; maar van de wekelijksche rust kan geen sprake zijn. De bemanning is in twee ploegen verdeeld, die aan boord en die van den wal. De eerste bestaat uit Nilsen, Gjertsen, Beck, Sundbeck, Ludv. Hansen, Kristensen, Rönne, Nödtvedt, Kutschin en Olsen. De andere is samengesteld uit den leider der expeditie met Presterud, Johansen, Helmer Hansen, Haasel, Bjaaland, Stubberud en Lindström, dus acht man. Zes van ons zullen zich installeeren tusschen den Nelson en den Rönnicken, terwijl de beide timmerlui Bjaaland en Stubberud, onmiddellijk zullen beginnen met het in elkaar zetten van het huis.
Een slede, met acht honden bespannen, wordt beladen met 300 kilo materiaal en levensmiddelen. De dieren huilen en springen rechts en links en hun leidsels raken in de war, zoodat het een herrie wordt van belang; eindelijk is er wat orde gekomen, en het bevel tot vertrekken wordt gegeven. Maar jawel, nauwelijks hebben de honden eenige passen gedaan, of ze gaan allen te zamen op den grond liggen en weigeren, zich te bewegen. Hun houding legt een groote verbazing aan den dag. Gedurende meer dan zes maanden hebben ze niets anders gedaan dan eten en drinken zonder een slag werk te doen, en nu begrijpen de dieren niet, dat die periode van rust voor goed is afgeloopen en dat er een nieuwe tijd voor hen aanvangt. De zweepen klappen, maar in plaats van vliegensvlug te gaan, duwen de honden tegen elkander aan en beginnen een geregeld gevecht. Ik, die zoo trotsch ben op mijn cavalerie, ik voel me zeer teleurgesteld, en eerst na veel geroep en sterke aanmoediging gelukt het, ook door zelf mee te duwen aan de sleden, de aangespannen honden in beweging te brengen. Dit is waarlijk geen schitterend begin.
Tusschen den Nelson en den Rönnicken, 2200 meter van zee verwijderd, wordt een groote tent voor zestien personen opgericht, de eerste, die we op de Barrière opslaan. Er rondomheen wordt een stalen kabel gespannen in een driehoek met vijftig meter zijden, om al de honden aan te kunnen vastleggen. Vervolgens slaan we een tweede tent op, even groot als de eerste, in de kom op de plek, voor ons winterkwartier gekozen. Na een onderzoek wordt besloten, dat het huis zal liggen in oostwestelijke richting met de deur naar het Westen. De toekomst leerde, dat die schikking zeer doelmatig was. De heerschende winden bliezen inderdaad uit het Oosten. Na gedaan werk keeren we naar boord terug en wijzen den gevolgden weg aan door elke vijftien schreden groote, zwarte plekken op het ijs te maken. Dank zij die voorzichtigheid zal het ons mogelijk wezen onzen weg terug te vinden tusschen de beide tenten en tusschen de laagste en de zee. Er ligt een afstand van vier kilometer tusschen de plek van het huis en de ankerplaats.