Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913
Part 12
Op den dag van de inscheping ging Presterud de vlag halen, die geplant was op kaap Manhue, om aan de Fram onze aankomst te seinen. Naast dat sein was een tentje opgeslagen, waar een bewaker kon worden geplaatst, in geval ons schip eens niet gauw was binnengekomen. Bij zijn aankomst was Presterud niet weinig verbaasd, plotseling tegenover zich te zien twee Japanners, die bezig waren den inhoud te onderzoeken van de tent in quaestie. De vreemdelingen begonnen het gesprek over de helderheid van de lucht en den overvloed van ijs; na daarmee ingestemd te hebben, beproefde onze vriend belangwekkender inlichtingen te krijgen. De beide mannen zeiden hem toen, dat twee van hun metgezellen meteorologische waarnemingen waren gaan doen op de Barrière en gedurende een week ongeveer afwezig zouden blijven. Wat de Kaïnan Maroe betreft, die was vertrokken in de richting van Koning Eduardsland. Vóór 10 Februari moest hun vaartuig terug wezen; alle leden van de expeditie zouden zich dan inschepen, om naar het Noorden te gaan. Presterud had de beide Japanners uitgenoodigd, ons op Framheim een bezoek te brengen; maar we zagen hen niet opdagen. Als ze later naar het station zijn gegaan, zullen ze hebben gezien, dat wij alle maatregelen hadden genomen, om ons huis zoo prettig mogelijk in te richten voor onze opvolgers.
Bij het optrekken van den nevel zijn we in open zee, in een volkomen vrije zee, om zoo te zeggen. Welk een heerlijk gevoel, die donkerblauwe zee onder ons te hebben en dien open hemel te zien voor onze oogen, die zoolang niets anders dan witheid hebben aanschouwd van sneeuw en ijs. Nu kunnen we weer de buitenwereld bekijken zonder berookte glazen, en zonder dat men met de oogen moet knippen, om niet te worden verblind... Ook dezen keer is de Rosszee ons weer genadig. Door een zuidwestenwind voortgedreven, zijn we twee dagen later reeds 200 mijlen ten noorden van de Barrière. Nilsen heeft een kaart opgemaakt van de grenzen van het pakijs naar de waarnemingen in den loop van de drie reizen, door de Fram in deze streken gedaan. Het voortdurend aanwezig zijn van een doorvaart langs den 150sten graad W.L. schijnt wel voldoende vastgesteld door zijn werk. De verplaatsingen in lengte, die trouwens niet veel beteekenen, van deze opening in de verschillende jaren moeten volgens Nilsen aan de werking van de winden worden toegeschreven. Daar, waar het pakijs te dicht wordt, heeft hij opgemerkt dat, als men zich maar naar den wind richt, er altijd wel een open kanaal is te vinden. Al noodzaakt die methode tot omwegen, ze maakt het daarentegen altijd mogelijk, vooruit te gaan.
Drie dagen na het vertrek ontmoeten we het pakijs bijna op dezelfde plaats, waar het op de drie vorige reizen was te vinden. Eenige uren later wordt het zoo dik, dat het gevaarlijk zou wezen voort te gaan. Nu is het oogenblik gekomen om de methode van Nilsen toe te passen; de zeer zwakke wind blaast uit het Westen; dus zetten we westwaarts koers, en na een paar uren in den wind op te hebben gevaren, krijgen we verscheiden openingen. Indien we in de eerste richting waren doorgegaan, zouden we misschien lang zijn opgehouden, terwijl er op een paar mijlen afstands een passage was. Het is de eenige wat langere omweg, waartoe we zijn genoodzaakt geworden. Weldra vermindert het ijs, en den 6den Februari hebben we het einde van het pakijs.
Op de Rosszee geen van die zuidoosten- en oostenwinden, die zoo vaak in de buurt van Framheim waaien. Meestal waait het uit het Noorden, niet krachtig maar sterk genoeg om ons goed, oud scheepje tegen te houden. Gedurende de eerste acht dagen blijft de lucht bedekt, dus kunnen we geen waarnemingen doen. Enkel op 7 Februari kan er een meridiaanshoogte worden genomen, die onze plaats aangeeft ten noorden van kaap Adare. Acht-en-veertig uren van een flinken zuidenwind brengen ons nog al vlug bij de Balleny-eilanden en den 9_den_ Februari verlaten we het Zuidpoolgebied. Ruim een jaar geleden waren we vol vreugde over den poolcirkel gegaan, en thans is onze voldoening niet minder groot, nu we die lijn passeeren, om in de bewoonde wereld terug te keeren. Te midden van de drukte van het vertrek is de samenkomst van de beide groepen van de expeditie niet kunnen gevierd worden, en nu besluiten we die heugelijke gebeurtenis te vieren op den dag van het passeeren van den poolcirkel. Het programma is zeer eenvoudig; het belooft een kopje koffie extra, met punch en sigaren.
De thermometer stijgt aanmerkelijk boven nul, en wie nog bont draagt legt het af, om tot lichtere kleedingstukken over te gaan. De bewoners van Framheim gaan het laatst tot die verandering over. Men vergist zich, als men meent dat een langdurig verblijf in de poolstreken iemand minder last van de koude geeft. In het algemeen is het tegendeel waar. In een streek, waar de temperatuur alle dagen 45 graden onder nul is, of zelfs nog lager daalt, maakt goed en warm bont, dat ge de koude niet gevoelt en men gewent aan het behagelijk warmtegevoel.
Nu we meer naar het Noorden komen en geen last meer hebben van het pakijs, moet er nog rekening worden gehouden met de ijsbergen. In den nacht kan een goede uitkijk van zeer ver het witte licht, dat de groote blokken uitstralen, waarnemen, maar de kleinere komen zeer weinig boven het water uit en stralen dus geen licht uit in de duisternis. En ze zijn precies even gevaarlijk als de groote. De wateren, waarin we ons bevinden, zijn nog niet zeer bekend. Kapitein Colbeck, commandant van een der schepen, die de eerste expeditie van Scott van het noodige moest voorzien, heeft ten oosten van kaap Adare een onbekend eilandje ontdekt, waaraan hij den naam van Scott heeft gegeven. Er kunnen nog best andere in deze buurt wezen.
Na nog veel last van tegenwind te hebben gehad, krijgen we den 4_den_ Maart Tasmanië in 't zicht. De zuidkust van dat eiland heeft drie kapen. Welke van de drie hebben we vóór ons? Wij weten het niet. De nevel belet, de omtrekken van het land te onderscheiden. Toen na een nacht van onzekerheid de dag weer aanbrak, zagen we de kust, en we meenen Tasman Head te herkennen. Gedreven door een sterken wind, nadert de Fram snel het land. Binnen enkele uren denken we in Hobarttown aan te komen. We zetten ons aan tafel, om te ontbijten, toen de officier van de wacht ons bericht, dat we aan den verkeerden kant van de kaap zijn, en toen we allen aan dek komen, zien we, dat we in een dichten regen ons hebben vergist. De punt, die we voor Tasman Head hebben gehouden, is niet in de Storm Bay, en in plaats van daar te zijn, bevinden we ons nog in de Stille Zuidzee. De hevige wind doet ons nog wat rondzwalken en eerst den 7den zijn we in de Storm Bay.
Er schittert een mooie zonneschijn, terwijl er vreugde op ons aller gelaat is te lezen. De oude Fram moet schitteren, zij ook; en de menschen zijn dan ook aan de beurt om wat toilet te maken. Lindström zelfs besluit, in aanraking te komen met het water.
Daar is een loodsstation. Een motorbootje klampt ons aan: "Een loods, kapitein?" Op die vraag van de eerste vreemde stem, die zich tot ons richt, beven we van aandoening. De verbinding met de buitenwereld is hersteld! De loods kijkt met verbazing naar al wat hij ziet bij het aan boord komen. "Ik zou nooit hebben gedacht, dat een poolvaartuig zoo goed kon zijn ingericht; men zou niet zeggen, dat ge uit de poolzee komt; het lijkt er meer op, dat ge een pleziervaart met toeristen hebt gedaan, en dat ge altijd maar pret hebt gemaakt."
Over wat we hebben uitgevoerd, willen we ons voorloopig nog niet uitlaten, en de goede man, die dat wel bemerkt, staat ons toch graag te woord met wat hij weet. Hij heeft van de Terra Nova van Scott nog niets gehoord, maar weet, dat het schip van de Mawson-expeditie onder kapitein Davis elken dag te Hobarttown wordt verwacht. In het begin van Februari heeft men zich over de Fram ongerust gemaakt, en toen ze niet kwam, dacht men er niet meer aan. Dus zal onze komst een verrassing zijn.
Daar zijn wij terug! Ik heb het genoegen te hooren, dat geen der andere expedities de Zuidpool heeft bereikt. Aan ons dus de overwinning!