Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 7

Chapter 7920 wordsPublic domain

Rechts en links wordt er geroep gehoord en een geluid van beweging en drukte, waaraan het oor niet is gewend. Uit het kanaal stijgen moerasdampen. Wat gebeurt er? Wij vertrekken niet. Ik zie een langen bamboestok heen en weer bewegen vóór de cylindrische opening van mijn gevangenis. Ik voel een schommeling van den eenen kant naar den anderen, die met onze lading niet zonder gevaar is en mij ongerust maakt. Een bad in die zwarte brij, die zoo akelig ruikt, heeft iets afschrikwekkends. Maar dan is alles stil, en men hoort niets dan de geluiden van buiten. Mijn reisgezel achter mij, een Portugees uit Mahé, die met mij mee is gegaan, heeft zijn schoenen uitgetrokken evenals zijn jas; hij legt het geweer op een goed plekje bij de hand, neemt een snuifje, gaat op zijn Turksch zitten en blijft stil afwachten, geduldig en onderworpen, als was hij een aanhanger van Mohammed. Hij heeft gelijk; dat is het eenige wat wij kunnen doen, en ik volg zijn voorbeeld, het snuifje alleen door de sigaret vervangend.

Maar daar komt verandering. Aan den ingang van de donkere ruimte, die nu wel wat lijkt op de donkere kamer voor photografie, vertoonen zich staande droge, zwarte beenen van een der roeiers, die iets beweegt, dat wij niet kunnen zien. Er worden schokken gevoeld, een geluid van iets, dat schuift tegen de prauwen, waaruit wij ons losmaken, en nu kan ik zien, dat de mannen zich hebben gebukt, en dat de eene een pagaai en de ander een langen bamboestok, den tsjalon, in de hand heeft. Met den stok worden wij geboomd over den slijkerigen bodem van het kanaal.

Eindelijk zijn we dan onderweg, en het wordt stil buiten; vóór ons zien we slechts de toppen der kokospalmen, die onmerkbaar bewegen. Evenals overal aan de rivieren zijn er, die zich over het water buigen en wier pluimen van bladeren dicht boven de oppervlakte van het water wuiven.

Tusschen den rand der prauw en den koepel van het gebladerte is er een ruimte, die precies ter hoogte van onze oogen komt. Het is een toeval, maar het had niet mooier kunnen treffen. Men ziet er de tuinen en onbebouwde gronden voorbijschuiven, de hutten aan den oever in hun aanplantingen, de kalkovens, waar de vele schelpen worden gebrand, die de rivieroevers bedekken. Groote booten passeeren, platte schuiten, vol van die schelpen, verdeeld over kleine kegelvormige mandjes en volkomen uitgebleekt door de zon, hoewel de schelpen oorspronkelijk zwart zijn. Op sommige plaatsen zou men meenen, dat het land druk bevolkt is; men ziet er tusschen de boomen boeren aan den veldarbeid; badende vrouwen in een kleine baai, die afgezet is om het gevaar van krokodillen, en waschvrouwen, die beurtelings met de beide armen het waschgoed slaan op een platten steen. De randen van den oever zijn rood en scherp afgesneden, soms met een dicht struikgewas begroeid en dan weer laag en onbegroeid.

Aan beide uiteinden van de prauw staan de mannen, en al naar de diepte van het kanaal pagaaien ze of duwen met den langen bamboestok. Men komt maar langzaam vooruit bij zulk een primitieve manier van voortbeweging; maar wat is het heerlijk, zoo te glijden over het stille water in het grootsche kader van die van mildheid overvloeiende natuur! Onder onze lichte bladbedekking komt een zachte koelte binnen, die niet warm en niet koel is, maar alleraangenaamst ondanks de zonnehitte. Een enkele maal wordt de stilte afgebroken door het geroep van vogels, weerkaatst door de echo, of de pagaai slaat het water wat forscher, of de bamboe schuift langs den bootrand. Maar de oogen worden vermoeid door de weerkaatsing van al het licht, en langzaam sluiten ze zich, terwijl de poorten van het droomland opengaan....

We gingen aan land bij een zeer drukke landingsplaats. Er bewoog zich een dichte menigte van Mopla's en Tiven, die schreeuwden en vloekten en gesticuleerden in het opwarrelende zure en vochtige stof. Ik kon nauwelijks een hoop zakken aan den oever onderscheiden en een lange rij met buffels bespannen karren, die er op lading stonden te wachten, terwijl mijn bagage werd uitgeladen. Het lawaai was oorverdoovend, en ik zocht een schuilplaats achter en tusschen twee hoopen zakken. In de verte ontwaarde ik achter de karren een straat met lichten van winkels en een drukte als van een mierenhoop, die er zich bewoog. Naast mij liet de Portugees zijn bagage op een wagentje laden. Inlanders waren bezig met het pakken van koffers in een prauw voor reizigers, die de reis, welke wij gemaakt hadden, in omgekeerde richting ondernamen, want veelal reist men des nachts, om de hitte te ontgaan.

Eindelijk was alles gereed; de mannen waren betaald; ik klom in het kleine wagentje bij mijn bagage. Wij reden naar Calicut, dat nog zes mijlen verwijderd was. De maan was opgegaan, en haar bleeke stralen verlichtten onduidelijk silhouetten van tuinen en woningen; rechts en links hadden we boomen. Bosch wisselde af met bewoonde streken; duisternis volgde op licht van drukke winkels, waar de menschen elkaar verdrongen ondanks het late uur. Dan werd de weg weer stil, en we hoorden enkel het geknars van ossenkarren, die langzaam naderden.

Zestien uren nadat we Mahé hadden verlaten, hield mijn wagentje stil voor het hotel Calicut. Den volgenden morgen voerde de trein mij naar Pondichéry, en de laatste indruk, dien ik bewaarde van deze vreedzame kust, is het prachtige scherm van groen geweest, dat er schijnt te zijn neergezet, om haar te verbergen voor de nabuurschap.

End of Project Gutenberg's Aan de kust van Malabar, by Emile Deschamps